26.1.13

Francesco Piccolo. Momenti di trascurabile felicità. Milano, Enaudi, 2011

Mijn hele leven heb ik details willen zien. Ik heb dit geloof ik nog nooit aan iemand verteld, maar mijn grote voorbeeld was voor mij lange tijd een Franse man die ons tijdens een vakantie rondleidde over een boerderij en over werkelijk ieder scheurtje in het plafond en iedere verdwaalde lampetkan een gedetailleerd en boeiend verhaal wist te vertellen. Zo heb ik sindsdien ook willen zijn – altijd op zoek naar de interessante scheurtjes in het plafond.

De Italiaanse schrijver Francesco Piccolo is ook zo. Zijn boekje Momenti di trascurabile felicità staat vol met dat soort observaties. Dat er altijd een aparte, lacherige sfeer ontstaat wanneer ergens waar een gezelschap bijeen is ineens het licht uitvalt. En dat men gaat klappen als het licht dan weer aangaat. Dat niemand precies weet wat te doen wanneer een telefoonverbinding verbroken wordt: wie belt wie dan terug? Hoe automobilisten in Rome onwillekeurig afremmen wanneer ze een voetganger naast een auto zien staan, omdat ze denken dat die voetganger misschien bij die auto hoort, en binnenkort wegrijdt, om zo een parkeerplaats vrij te maken.

Dat soort observaties werken op de een of andere manier aanstekelijk, onder andere omdat niemand anders ze maakt, terwijl iedereen ze maakt. Het gaat over dingen waarvan je door zo'n boekje ineens ontdekt dat ze niet privé zijn. Nee, dat is het eigenlijk ook niet: je dacht nooit dat ze niet privé waren, je besteedde er nooit aandacht aan.

Het valt me wel op hoe gefascineerd Piccolo is door het verkeer. Heel veel van zijn geluksmomenten hebben te maken met verkeersdeelnamen: in treinen, in auto's, in auto's wachtend op voorbij komende treinen, op de stoep naast de auto, enzovoort. Die fascinatie deel ik niet, of beter kan ik zeggen: deelde ik niet. Ik zal de volgende keer toch wat beter opletten, in de trein.

20.1.13

Marja Vuijsje. Ons kamp. Amsterdam: Amstel Uitgevers, 2012.

De familie Vuijsje was voor de oorlog een joods-Amsterdamse bakkersfamilie met duidelijke sociaaldemocratische sympathieën: de meeste jonge leden van het gezin waren lid van de AJC, en in verkiezingstijd werden er enorme borden voor het raam gehangen met omroepen om op de SDAP te stemmen.

Tachtig jaar later barst de familie van de vooraanstaande intellectuelen: journalisten, schrijvers, een dichteres. En dat terwijl in de tussenliggende periode de nazi's huisgehouden hebben en hun beste hebben gedaan om ook deze familie uit te moorden.

Ons kamp is een boek over die geschiedenis door een familielid: Marja Vuijsje, journaliste bij Opzij, dochter van Nathan die uit Auschwitz is teruggekeerd. Het is vooral het verhaal van haar vader: zowel de geschiedenis voor als die na de oorlog is vooral aan hem opgehangen en over de periode nadat hij (15 jaar geleden) overleed is ze betrekkelijk kort.

Een van de dingen die dit boek bijzonder maken: dat het boek minstens evenveel belangstelling heeft voor de inmiddels toch ook omvangrijke en indrukwekkende naoorloogse geschiedenis van een doorsnee Amsterdams-joodse familie als voor de oorlog en de periode die daaraan voorafgaat. Dat het niet alleen maar gaat over de oorlog, al ligt de nadruk wel duidelijk op het joodse, de jiddischkat, van de familie – en klinkt daardoor de oorlog onvermijdelijk de hele tijd mee.

Maar wat het boek vooral bijzonder maakt: Nathan. Er wordt een beeld geschetst van een heel bijzonder man. Iemand van wie niemand zou hebben verwacht dat uitgerekend hij het vernietigingskamp zou overleven, met zijn kleinzerigheid en zijn onvermogen om bloed te zien, maar die daar door een mengeling van taaie veerkracht, geluk en het talent om trombone te spelen toch uitkomt en in ieder geval psychologisch ongeschonden genoeg is om zijn leven toch weer op te kunnen pakken. Die altijd over de oorlog zal blijven vertellen, vaak tot ergernis van zijn dochter, maar zonder zijn dochter (zo te lezen) de verkniptheid in te drijven. En die vooral trouw lijkt te zijn – trouw aan de Amsterdamse Bankastraat, ook als daar steeds meer migranten komen wonen; trouw aan zijn vrouw; trouw aan de muziek; trouw aan de saus van jiddischkat die zijn moeder hem heeft meegegeven.

Ons kamp weet toch weer een aspect van de 20e-eeuwse geschiedenis te vertellen waarover nog maar weinig geschreven is. Het is in zekere zin een boek over de oorlog met een happy end – het komt met deze familie uiteindelijk behoorlijk goed.

Nick Hornby. More baths less talking. San Francisco: McSweeney's, 2012.

De Britse schrijver Nick Hornby (van About a boy en A long way down) schrijft de ideale boeken voor in het vliegtuig: zijn almaar voortdurende serie gebundelde columns voor het tijdschrift The Believer. In die columns beschrijft Hornby welke boeken hij de afgelopen maand gekocht heeft, en welke gelezen. Het zijn geen recensies – Hornby leest programmatisch alleen voor zijn plezier. Het zijn stukken waar dus het plezier van af spat, stukken over de grillige gang van de lezer, die boeken koopt die hij nooit leest, en dan ineens weer een boek op het vliegveld koopt waar hij anders nooit aan begonnen was.

Het zijn boeken waar ik hardop om moet lachen – boeken voor als er in het vliegtuig niemand naast me zit.

Zoals de maand dat Hornby eindelijk weer eens een boek van John Updike heeft gelezen. Hij heeft die boeken decennia gemeden, legt hij uit. Als twintiger las hij enkele van die boeken, maar hij merkte dat hij er nog niet aan toe was, al die in- en in-treurige beschrijvingen van de huwelijkse staat. Dat hij zich te kort voelde schieten: waarom kende hij als 25-jarige die problemen nog niet. En dat hij geen boeken las om zich ook nog eens op die manier te korte voelde schieten.

Hij las nu Marry me, met passages als
"You dumb cunt," he said, and bounced her into the mattress again and again, 'you get a fucking grip on yourself"
Enzovoort. En dan schrijft Hornby:
I am embarassed to say that life is only very rarely like this chez nous. There's the holiday season, obviously, and the occasional Saturday night, especially during January and May, when, typically my football team Arsenal crash out of the major competitions. But, hand on heart, I could not claim that we scale these particular giddy heights of seriousness with the kind of frequency that would allow me to gasp with recognition.
Voor Hornby is het lezen een onderdeel van het leven, en daar lees je eigenlijk nooit over. Wanneer je de gemiddelde recensent of boekblogger leest, lijkt het net alsof het leven alleen uit boeken bestaat. Voor Hornby bestaat het ook uit zijn gezin, en zijn werk, en voetbal, en nog een aantal andere zaken die soms zelfs belangrijker zijn dan lezen. Een enkele keer is er zelfs een crisis – dan leest de lezer alleen boeken die hem nauwelijks inspireren. Maar altijd komt er weer een moment van inspiratie, dat je ineens vijf prachtige, hilarische, interessante boeken achter elkaar leest.

Zoals More baths less talking.

7.1.13

Robbert Dijkgraaf. Het nut van nutteloos onderzoek. Amsterdam: Bert Bakker, 2012

'U kent het type wel', schrijft Robbert Dijkgraaf in Het nut van nutteloos onderzoek. 'Meerdere studies, een brede interesse, muzikaal, sportief, en dan ook nog eens heel erg aardig.' Hij heeft het dan over jonge studenten, maar de lezer denkt: ja, natuurlijk, ik ken zo iemand. Robbert Dijkgraaf!

Schrijven kan deze briljante fysicus, kunstenaar en bestuurder ook nog eens als de beste. Zijn boek, waarin allerlei verspreide teksten van de afgelopen jaren zijn opgenomen (columns uit de NRC en Folia, zijn jaarlijkse toespraken als president van de KNAW) leest als een trein. Al moet ik er wel bij zeggen: als een trein die misschien net iets te lang is.

Het eerste deel, waarin vooral de langere columns uit NRC Handelsblad staan, heb ik ademloos gelezen. Eloquent, helder, geestig verdedigt Dijkgraaf de wetenschap. En dan niet alleen zijn eigen vak — hier heb je nu iemand van wie je zou kunnen vermoeden dat hij echt van alle soorten wetenschap oprecht houdt, van zijn eigen natuurkunde tot en met (tja, wat zit er aan de andere kant? Laten we zeggen:) de geschiedenis. Alleen voor de economie heeft hij, ergens verstopt, een klein sfeertje over. Hij vergelijkt het voor de grap met de astrologie en vindt dan niet zoveel verschillen.

Ik moet er wel bijzeggen dat naar het eind de vaart er een beetje uitgaan. Er komen dan veel kortere stukjes uit Folia, en dat leest niet zo lekker. Er komen noodzakelijkerwijs wat meer herhalingen (je moet een bepaald punt in ieder stukje steeds weer uitleggen), er is minder eindredactie (rare constructies als 'In de tijd van Linnaeus was het toen nog mogelijk' of 'die factor 1200 in veiligheid tussen trein en motor zou men toch gemakkelijk tot een fan van het openbaar vervoer maken', spelfoutjes als 'zo'n grote taart (...) helemaal versiert met hagelslag', vergissinkjes als dat Dijkgraaf denkt dat de conducteur degene is die een trein bestuurt. Dat is allemaal niet erg, het maakt Dijkgraaf menselijker. Maar het smaakt en ruikt naar krant en niet naar een boek. Het was vast leuk om het indertijd allemaal in Folia te lezen, maar in een boek had het van mij niet gehoeven.

Maar het goede nieuws is natuurlijk: je hoeft dat allemaal niet te lezen. Je kunt lekker de essays aan het begin genieten en dan nog een beetje wat grabbelen in het snoepgoed aan het eind. En de man bewonderen die dat allemaal kan!

 

Julian Barnes. Arthur and George.

Nadat ik een paar maanden geleden A sense of an ending gelezen had, wilde ik meer lezen van Julian Barnes, al is het maar omdat ik nog steeds niet helemaal zeker ben wat het einde van A sense nu eigenlijk is. Misschien dat ik er in ander werk een aanwijzing voor kan vinden. 

Arthur and George is, net als A sense, een vreemd soort detectiveverhaal. En net als in A sense is het spel met begin en einde van verhalen er heel belangrijk in (de delen heten 'Beginning', 'Ending with a beginning', 'Beginning with an ending' en 'Endings'): een eerste indruk die je van iemand hebt kan het verhaal van jullie twee voor altijd bepalen (vooral Arthur is daar heel gevoelig voor) en mensen worden voortgedreven door een verlangen te weten wat er na het einde van het leven komt.

 

Arthur in dit boek is Arthur Conan Doyle, de schrijver van onder meer de Sherlock Holmes-verhalen (die hij nooit begint te schrijven zonder te weten wat het einde zal zijn). George is George Edaljee, een jonge ambitieuze man van half-Indische afkomst die op grond van bijzonder weinig concrete aanwijzingen veroordeeld wordt tot 7 jaar gevangenisstraf vanwege het mishandelen van een aantal paarden in het dorp waar hij woont. Conan Doyle heeft zich de zaak van Edaljee aangetrokken en er ook voor kunnen zorgen dat hij gedeeltelijk eerherstel kreeg.

 

Arthur en George is een monument van verbeeldingskracht — van een klein fait divers weet Barnes een monumentaal boek te maken waarbij de lezer voortdurend het gevoel heeft een glimps op te vangen am de geheimen van het leven, Wat is rechtvaardigheid? Wanneer mag je iemand geloven? Hoeveel mogen en moeten we vertrouwen op onze medeburgers? Op het rechtsysteem? Daarbij krijg je prachtige portretten, om te beginnen van de twee titelpersonages. Na het begindeel, waarin het eerste deel van beide levens afwisselend wordt verteld, krijgt de lezer eerst een lang deel over de 'zaak Edaljee' te lezen: de verdenkingen, de speurtocht van de politie, de rechtszaak. Wanneer volgende deel dan overstapt op Arthur en een heel andere kant lijkt op te gaan, denk je als lezer eerst: hè wat jammer, maar laat je je al snel door dit verhaal meeslepen, waarbij je je alleen nog afvraagt hoe die zaken ooit bij elkaar komen. (Hoewel het natuurlijk voor de hand ligt dat de schepper van Sherlock Holmes speurwerk zal doen.)

 

Er wordt wel gezegd dat Barnes vaak schrijft over wat het betekent om Engels te zijn. Maar dat lijkt mij geen recht te doen aan zijn thema's. Natuurlijk, ik zie ook wel dat hij speelt met het feit dat noch de Iers-Schotse Conan Doule noch de Parsi-Schotse Edaljee zuiver Engels zijn van afkomst en tegelijk zo Engels als een potje cricket op een regenachtige zondagmiddag, maar hij schrijft ook voor lezers die niet veel boodschap hebben aan Engelsheid. Hij schrijft ook voor mij.

4.1.13

Anja Meulenbelt. Oorlog als er vrede dreigt. Israël en het 'Palestijnse probleem'. Amsterdam: Ambo Anthos, 2010

Voor Anja Meulenbelt is zelfs het conflict tussen Israël en Palestina simpel. Je kunt er volgens haar op drie manieren naar kijken: (1) Israël staat alleen in een vijandig gebied en moet dus wel strijden tegen de Palestijnen, (2) de Palestijnen worden al 65 jaar volkomen ten onrechte gegijzeld, onderdrukt door de Israëli's en (3) waar er twee vechten, hebben er twee schuld. Ja, Meulenbelt is partijdig, geeft ze toe: ze kiest voor mogelijkheid 2. Maar iedereen is partijdig, want iedereen kiest voor een van deze drie posities. Dus is het niet erg dat ze zo partijdig is.  

Mij lijkt dat, met permissie, onzin. Er zijn veel meer meer smaken dan deze drie. Je zou bijvoorbeeld kunnen onderkennen dat alle drie de genoemde posities waar zijn, en wel alle drie tegelijkertijd. En dat dit het tragische uitmaakt van de hele situatie. Zelfs als Israël indertijd niet of anders had moeten worden ingericht, je kunt het niet zomaar opheffen (of zelfs als buitenlander gaan eisen dat de grondwet ingrijpend wordt veranderd). Natuurlijk horen de Palestijnen geen kinderen te doden, maar je kunt hun wanhoop ook voelen. Het lijkt mij dat niemand van de strijdende partijen erbij gebaat is om olie op het vuur te gooien. Het lijkt mij dat die partijen gebaat zijn bij een poging om een en ander wel degelijk objectief te bekijken.

 

De mensen daar kunnen zich misschien niet permitteren om onpartijdig te zijn. Wij kunnen dat wel. Dus verwacht je dat wij dat ook doen.

 

Het voelt eerlijk gezegd een beetje aan alsof de schrijver het vooral prettig vindt om zich te wentelen in de heilige verontwaardiging van het slachtoffer. Met een reële oplossing komt ze niet, en in ieder geval is de oplossing: Israël moet dit en Israël moet dat. Van een Nederlandse senator zou je toch in ieder geval enige aandacht mogen verwachten voor wat wij, hier, zouden kunnen doen. Maar in heel Meulenbelts boek vind ik daar geen regel over. Nederland moet kennelijk vooral vanaf de kantlijn blijven toekijken en heel hard foei roepen. (In plaats van, zeg, programma's inrichten zodat jonge Palestijnen hier gratis kunnen studeren, ik noem maar wat.)

 

Ze beroept zich in het boek af en toe op Israëlische intellectuelen die ook heel kritisch tegenover Israël staan — een ervan heb ik een beetje gekend, de taalkundige Tanya Reinhart. Maar Reinharts boeken maakten veel meer indruk omdat ze in de eerste plaats zelfkritisch waren (althans kritisch op het eigen land en de eigen mensen) en in de tweede plaats getuigden van meer analytische kracht.

 

Bij ieder nieuws uit Israël en uit de Gaza bloedt mijn hart. Je zou hopen dat er politici opstonden die probeerden de kwestie daar op te lossen in plaats van zichzelf te wentelen in een gelijk dat hun eigenlijk niet aangaat. (Meulenbelt heeft het wel een paar keer over 'mijn man', die kennelijk een Palestijn is, maar daar komen we verder niets over te weten. Terwijl iets meer inzicht in de situatie van die man, en hun onderlinge relatie de zaak allicht had kunnen verhelderen.)

 

Ik was tot dit boek gekomen omdat ik me erg stoorde aan het feit dat bij de recente oorlog in de Gaza allerlei SP'ers ook weer om het hardst begonnen te roepen over deze tragedie. Ik heb voor veel standpunten van de SP grote sympathie, maar deze focus op dit (natuurlijk telegenieke) conflict, terwijl bijvoorbeeld in Syrië tegelijkertijd veel en veel en veel meer mensen door het eigen regime werden vermoord, een moorderij die ook nu nog iedere dag doorgaat, staat me tegen. Een bevriende SP'er wees me toen op dit boek van Meulenbelt, maar helaas heeft dat mijn begrip voor die focus niet doen toenemen.

3.1.13

Morgan Sportès. Tout, tout de suite. Parijs, Fayard, 2012.

Begin 2006 gijzelde een groepje jonge criminelen in Parijs een jongeman omdat hij Joods was. De leider van het groepje, een jongen uit Ivoorkust, dacht namelijk dat Joden allemaal rijk waren, of dat ze elkaar in ieder geval allemaal zo door en door steunden dat er binnen drie dagen 450.000 euro losgeld betaald zou zijn.

De familie van de jongeman — Elie, een willekeurig gekozen verkoper van mobiele telefoons — had echter geen cent te maken en werd bovendien door de politie geadviseerd om de bende aan het lijntje te laten. Elie werd inmiddels onder vreselijke omstandigheden (tape over mond en ogen, geschopt en geslagen, nauwelijks eten, zijn behoefte in een plastic zak — gevangen gehouden, eerst in een appartement, en later in een kelder. Aan het eind van drie lange weken werd hij uiteindelijk afgetuigd, met een mes gestoken en in brand gezet.

Tout, tout de suite is een verslag in romanvorm van hoe deze misdaad zich waarschijnlijk heeft voorgedaan. De namen van de hoofdpersonen zijn veranderd, af en toe is een dialoogje uitgeschreven dat niemand zich letterlijk meer kan herinneren, maar verder heeft de Franse romancier Morgan Sportès zijn best gedaan om alles zo objectief en precies mogelijk te beschrijven, zonder al te veel interpretatie van zijn kant.

Een paar weken geleden observeerde ik plagerig tegenover een aantal Franse vrienden dat ik in Franse romans eigenlijk alleen nog intellectuelen tegenkwam die zich in hun appartementje bij de Jardin du Luxembourg overgaven aan orale seks. Iemand deed toen deze suggestie.

Tout, tout de suite speelt zich inderdaad in een heel ander milieu af. Het is een adembenemend boek in de zin dat het je meeneemt in de afgronden van een Parijs dat ik in ieder geval nooit nader hoop te leren kennen: dat van de domme wreedheid, waar de enige 'cultuur' eruit bestaat dat men zich 'bekeert' tot de Islam, zonder vervolgens zich ook maar enigszins in die nieuwe godsdienst te verdiepen. En waarin Joden dus altijd per definitie puissant rijk zijn.

Een adembenemend boek dus, al begon me na een tijdje ook de afstand die de schrijver inneemt tegen al zijn personages te benauwen. Eigenlijk is iedereen een loser in dit boek. Yacef, de bendeleden, die eigenlijk geen idee heeft, en die uit de hele operatie uiteindelijk alleen een gevangenisstraf sleept, maar ook Elie, die we voor zijn ontvoering alleen leren kennen als een hopeloos naïeve jongen die zijn vriendin bedriegt, hasj rookt en liegt over het werk van zijn vader. Of Elies vader, die braaf doet wat de politie hem opdraagt — de ontvoerders aan het lijntje houden — en eindigt met een dode zoon.

Een écht sterke roman laat een drama zien vanuit allerlei gezichtspunten, waar je je zo in kunt verplaatsen. Er waren er hier genoeg geweest, want afgezien van Yacef is vrijwel geen enkele persoon door en door slecht, en door wat meer over Elies achtergrond te leren, was die man die we nu vooral met tape op zijn mond zien liggen ook naderbij gekomen.

Maar dat betekent uiteindelijk vooral dat je dit niet als een roman moet lezen, maar als non-fictie, als een reportage over het vreselijks waartoe de mens in staat is, zelfs zonder duidelijk motief.