17.2.13

Alfred Brendel. Fingerzeig / Störendes Lachen während des Jaworts. Hörverlag, 1997.

Alfred Brendel debuteerde zo'n zeventien jaar geleden – hij was de gepensioneerde leeftijd al voorbij – als dichter. Hij was natuurlijk al heel bekend als pianist. Hij is een prachtig pianist, met een heldere toon, zo iemand die ieder stuk dat hij speelt volkomen transparant weet te maken. Het klinkt allemaal zo moeiteloos, als Brendel het doet.

Zijn gedichten zijn ook zo, vooral als hij ze zelf voorleest. Het zijn het soort gedichten die verrassen, die grappig zijn, die je meteen kunt begrijpen, en vooral: waarvan je je zou kunnen voorstellen dat je ze zelf geschreven had, ook al ben je geen dichter:

(...)
Den Mitgliedern des Hust- und Klatschvereins
obliegt genaueste Kenntnis der Musikstücke
damit nach feierlichen Schlüssen unverzüglich geklatscht
und bei leisen Stellen
zumal in der lähmenden Stille von Generalpausen
deutlich gehustet werden kann
(...)

Ik heb weleens gelezen dat Brendel die gedichten in het vliegtuig placht te schrijven, onderweg van het ene internationale concertpodium naar het andere. Zo zijn ze ook precies: het zijn  absurdistische dromen die snel opgeschreven lijken – er wordt geen nadrukkelijke moeite gedaan in de vorm van rijm of metrum. Tegelijkertijd is alles in een elegant Duits voorgelezen, en dat Duits wordt in ieder geval in dit luisterboek ook nog eens luchtig voorgelezen.

Maar toch. Ik heb weleens een verzamelbundel met Brendels gedichten gelezen, en toen was ik enthousiaster: wat waren die gedichten charmant! En amusant! En wat geweldig dat zo'n prachtig uitvoerend kunstenaar ook nog zoiets wist te scheppen! Nu viel het me een beetje tegen. Misschien ben ik minder in de stemming, misschien is deze bundel (zo te zien de eerste) niet Brendels beste, misschien moet je Brendels dichtkunst maar een keer in je leven lezen – maar in ieder geval raakte het me nu niet meer zo. Het is wel aardig, het is wel knap. Het is een pauzenummer, iets om te lezen in het vliegtuig, op weg van A naar B.



6.2.13

Louis Couperus. Eline Vere. DBNL, 2012 (1889)

Het was lang geleden, heel lang geleden, dat ik Eline Vere voor het laatst las. Het was wel niet in de negentiende eeuw, maar het boek was nog geen 100 jaar oud, terwijl het er inmiddels bijna 125 telt. Het was mijn eerste Couperus, het begin van een levenslange liefde voor die schrijver.

Ik durfde er nooit naar terug te keren, omdat ik bang was dat ik teleurgesteld zou worden. Maar omdat de DBNL het boek onlangs als e-book uitbracht, durfde ik het nu wel aan. En werd inderdaad wel teleurgesteld, maar minder dan ik had verwacht, zodat het dus eigenlijk toch wel weer meeviel.

(Even terzijde: wat is de Wikipedia-pagina over Eline Vere vreselijk knullig! Het lijkt me een slechts lichtelijk bewerkte versie van een boekverslag door een scholier. Ik hoop dat er snel iemand tijd heeft om er wat meer van te maken.)

Het is duidelijk dat Couperus in zijn latere 'Haagse' romans betere versies van Eline Vere geschreven heeft. Zo zijn de meeste geloofwaardige personen in Eline Vere toch de wat fladderige jonge meisjes en een enkel wat minder betrouwbare jonge man. De oudere mensen – iedereen ouder dan 25 is wat flets en vooral onbegrip voor het werkelijke leven. Het mooie van Van oude mensen is dat het nu juist personen uit allerlei generaties geloofwaardig voorschotelt. (Wat dat betreft had Eline Vere beter Van jonge mensen kunnen heten.)

Maar als je dat eenmaal accepteert, dat Eline Vere een negentiende-eeuwse jongerenroman is, wordt het toch weer een prachtig verhaal – al dat gestoei, en al dat vlotte jongerengepraat van 125 jaar geleden! Dat eindeloze gezeur of Den Haag nu bedompt is of dat het juist prettig is dat iedereen bij de hand is; de rusteloosheid van Eline, haar nachtelijke vlucht door de stad. Want vooral Den Haag is toch wel de echte heldin van deze roman, misschien nog meer dan Eline zelf. Wat is ze mooi, zo in die jonge ogen van de tweede helft van de negentiende eeuw, met haar opera, haar uitstapjes naar Scheveningen, haar Sociëteit en al die mooie nieuwe straten!

4.2.13

Timur Vermes. Er ist wieder da. Eichborn Verlag, 2012.

Voor de recensent van The Sun bewijst het recente succes van de roman Er is wieder da (de verrassing van de afgelopen maanden in Duitsland) het maar weer eens: de Duitsers hebben geen humor. Grappen maken over Hitler, dat hebben de Britten al zo lang geleden zoveel beter gedaan!

Die recensie bewijst volgens mij alleen maar dat Duitsers inmiddels een beter gevoel voor humor hebben dan de recensent van The Sun. Natuurlijk: natuurlijk lopen er decennialang Britse komieken met kleine snorretjes te brullen, maar een pijnlijke, zo slimme satire als Er ist wieder da, daarvoor moet je tegenwoordig toch eerder in Duitsland zijn. (Ik geloof dat het idee dat men daar geen humor heeft inmiddels toch ook wel naar de prullenbak kan.)

Er ist wieder da wordt verteld door Adolf Hitler. Die wordt op een zomermiddag in 2011 wakker op een voetbalveldje in Berlijn. Zijn lichaam is 56-jaar oud, zoals het in 1945 was. Hij blijkt het nog te kunnen: al snel krijgt hij een 'act' aangeboden in een comedy show van een Turkse komiek op een commerciële zender. Al snel wordt Hitler een groter succes op YouTube dan zijn gastheer en als hij op een dag in elkaar geslagen wordt door een stel skinheads, die menen dat hij hun held belachelijk maakt, begint het al snel aanbiedingen te regenen vanuit alle politieke partijen.

Er ist wieder da kun je het best beluisteren, in de voorgelezen versie van Christoph Maria Herbst, die precies de juiste hysterische toon van Hitler weet te treffen, zonder dat het over the top wordt.

Het ongemakkelijke is: je ziet hoe het kan gaan. Men vindt die Hitler in onze tijd wel een grappig mannetje, men geeft hem een podium, hij kan zijn verschrikkelijke dingen brullen, hij weet andere mensen te bewegen ook eens dingen te zeggen die men normaal gesproken niet zegt, en gaandeweg wordt hij populairder dan Angela Merkel.

Sterker nog, Er ist wieder da doet ongeveer zelf wat het beschrijft. Het laat Hitler aan het woord. Dat werkt grappig en als satire en je begint dat Hitlertje bijna sympathiek te vinden. Dat brengt ineens wel heel dichtbij hoe gevaarlijk die figuur eigenlijk was – of is. Hoe mal en hysterisch hij ook is – nooit zal ik de manier vergeten waarop Herbst het woord fanatisch uitspreekt –, hij sleept je langzaam mee zijn hol in. Zo dichtbij komt de Engelse humor over Hitler niet – die gaat er toch vanuit dat 'wij' wel beter weten dan ooit achter zo'n malle figuur aan te lopen.

Er ist wieder da is inmiddels in het échte Duitsland ongeveer een even groot succes als Hitler is in het door Vermes beschreven Duitsland. 'Zie ik eruit als een misdadiger?' vraag Hitler op een bepaald moment in het boek verontwaardigd. 'U ziet eruit als Hitler,' zegt zijn gesprekspartner. 'Nou dan!' roept Hitler.

Arika Okrent. In the land of invented languages. Spiegel and Grau, 2009.

Er is een genre van Amerikaanse non-fictie waarin de auteur een jaar lang iets raars doet – volgens alle regels van de bijbel leven; zich begeven in de wereld van de geheugensport – en daar dan een boek over schrijft. Het is iets raars en opvallends en makkelijk in een zin uit te leggen; maar omdat de persoon in kwestie er een jaar aan heeft besteed, is het toch duidelijk een boek waard.

Arika Okrents In the land of invented languages hoort een beetje tot dit genre: de auteur begaf zich een tijdlang onder de aanhangers van bedachte talen – vooral Esperanto, Klingon, Blissymbolics en Lojban – en beschrijft de vaak wat excentrieke figuren die ze daar aantrof. Maar Okrent gaat een stuk verder: ze gaat serieus in op de geschiedenis van het idee van vreemde talen (en verdiept zich bijvoorbeeld ook in de taal van Wilkins uit de zeventiende eeuw).

Ze doet dat enorm goed. Ik weet wel het een en ander over kunstmatige talen, en heb over ieder van de genoemde talen (behalve Lojban) uitgebreid geschreven, bijvoorbeeld in mijn boek Een wereldtaal. Ik heb Okrent maar op weinig fouten kunnen betrappen en zelfs het een en ander geleerd.

De grote verrassing was voor mij het verhaal van Charles Bliss. Deze Oostenrijkse Jood ontvluchtte Hitlers vernietingingskampen en kwam uiteindelijk in Singapore terecht. Daar leerde hij wat Chinese karakters en net als veel andere westerlingen dacht hij dat die de sleutel zouden bieden tot een taalprobleem. Als er nu een schrift was dat volkomen logisch was, dat begrippen weergaf in plaats van klanken, dan kon de hele wereld in dat schriftsysteem met elkaar communiceren. Bliss, die een enigszins obsessieve persoonlijkheid was, ontwierp een systeem en schreef er een boek van achthonderd pagina's over. Dat uiteindelijk natuurlijk bijna niemand las.

Tot het werd opgepikt door een team van Canadese spraaktherapeuten die het begonnen te gebruiken voor de therapie van kinderen die zo lichamelijk gehandicapt waren (bijvoorbeeld omdat ze spastisch zijn) dat ze niet konden spreken, maar die wel (met hun ogen, met hun handen) symbolen konden aanwijzen.

Ik heb daarover jaren geleden weleens geschreven in Onze Taal. In het biografisch kader schreef ik toen 'Het was voor Bliss wel even slikken. Hij had zijn systeem in de eerste plaats bedoeld zodat wetenschappers internationaal konden communiceren en niet voor kinderen in rolstoelen en in zijn tijd heersten er nog veel vooroordelen over de geestelijke vermogens van mensen die spastisch zijn.'

Het verhaal achter dat even slikken doet Okrent uit de doeken. Bliss blijkt een bijna onmogelijke man geweest te zijn. Wanneer hij in Canada op bezoek kwam (hij woonde zelf in Australië) was hij vol attenties voor de kinderen en de therapeuten, maar zodra hij thuis was begon hij dreigbrieven te sturen, zeer hoge geldbedragen te eisen, de therapeuten zwart te maken, enzovoort.

Okrent vertelt dat verhaal met oog voor de menselijke details – Bliss had een zeer ingewikkelde voorgeschiedenis, geen wonder dat hij wat verknipt was; en de therapeuten reageerden over het algemeen heel aardig op zijn grillen.

Dat is precies wat dit ook een prachtig boek maakt. Je leert er, door het wat vreemde prisma van de kunstmatige talen, van alles uit over de geschiedenis van het denken, over wat taal eigenlijk is, maar vooral: over de vele, vele wonderlijke mogelijkheden van de mens.

2.2.13

Salman Rushdie. Joseph Anton. A Memoir. New York: Random House, 2012

Salman Rushdie is geen aardige man. Er waren momenten dat ik zijn boek Joseph Anton, dat gaat over de periode dat hij zich verschool voor de fatwa, geërgerd terzijde wilde leggen. Vooral al het gescheld op zijn ex-vrouw – de Amerikaanse schrijfster Marianne, met wie hij was toen de fatwa werd uitgesproken – stuitte enorm tegen de borst. Moeten wij dat echt weten, hoe gek ze was volgens hem, en dat ze foto's van hem gestolen heeft, en dat er ooit een stuk over hun relatie in Esquire heeft gestaan over hun relatie dat iets te veel haar kant van de zaak belichtte, zodat Salman zeker weet dat zij het die journalist heeft ingefluisterd, wat het valse kreng natuurlijk ontkent?

Over zijn andere vrouwen is hij iets minder vals, al worden we ook daar ingelicht over allerlei wissewasjes – zoals we zelfs over Salmans zoon te horen krijgen dat hij als tiener ooit 100 pond gestolen hebben.

Je leest het ook regelmatig in het boek – dat mensen het moeilijker vonden om Rushdie te beschermen omdat ze hem onsympathiek vonden. (Rushdie merkt op dat mensen die hem persoonlijk leren kennen een veel positiever beeld van hem hebben; maar de meeste lezers leren hem natuurlijk ook niet persoonlijk kennen.) En je ziet het zelfs in besprekingen, zoals de inmiddels beroemd geworden recensie van Zoë Heller in de New York Times, die vooral een aanval is op de persoon van Rushdie.

Gaandeweg begon me dat toch wel te fascineren. Voorop staat natuurlijk dat het niet uit moet maken of iemand aardig is of niet – iedereen heeft het recht om te zeggen wat hij wil, niemand heeft het recht om iemand met de dood te bedreigen alleen maar omdat de ander zo'n onsympathieke kerel lijkt. Maar hoe werkt zoiets psychologisch; hoe kan iemand er mee leven dat iedereen altijd maar tegen hem is? Hem dood wil, het niet zo erg lijkt te vinden dat men hem dood wil, of op zijn best een boek recenseert over de periode dat men hem dood wilde dat er vooral over gaat hoe onsympathiek jij bent?

In Joseph Anton vertelt hij dat hij één keer door de knieën ging, toen hij, begin jaren negentig, op aandrang van wat geestelijken naar buiten bracht dat hij zich 'bekeerd' zou hebben tot de Islam. Hij hoopte op die manier een einde te maken aan de dreiging, wat niet gebeurde, maar volgens zijn eigen analyse nu deed hij teveel zijn best om aardig gevonden te worden. Er zijn genoeg mensen die hem niet aardig vonden, besloot hij, en hij vond de meeste van die mensen per slot van rekening óók niet aardig.

Wat ik jammer vind, aan Joseph Anton, is dat het niet zo diep op dit soort psychologische kwesties ingaat. Rushdie lijkt sowieso niet erg veel van zichzelf te begrijpen (acht jaar lang heeft hij een affaire gehad met het fotomodel Padma Lakshmi, voor wie hij zijn vorige vrouw verliet, terwijl je het idee krijgt dat hij eigenlijk nog van die vorige vrouw houdt; hoe dat allemaal zit, daar gaat hij niet op door). Het boek is vooral een eindeloos verslag van allerlei problemen met politie-agenten, de Britse en Amerikaanse overheid, laffe en dappere uitgevers, collega-schrijvers die hem bijstaan of juist verketteren, enzovoort. Zeker door de tweede helft ben ik af en toe versneld heen gegaan omdat ik niet per se al die details hoefde te weten.

Ik had vooral graag meer over de onsympathieke hoofdpersoon geleerd – maar die verstopt zich in deze vele honderden pagina's eigenlijk nog steeds.