25.5.13

Piet Grijs. ... honderd. Ik kom! Amsterdam, Querido, 2013

Dertig jaar geleden las ik bijna alles wat Hugo Brandt Corstius schreef. Althans, mijn ouders hadden een abonnement op Vrij Nederland waarin hij onder allerlei namen schreef, net als in de NRC. (Hij schreef ook in de Volkskrant, maar die lazen we maar af en toe. Het is achteraf ongelooflijk hoeveel hij schreef.)

Enfin, de stukken in dit boek heb ik allemaal gelezen, want dit boek heb ik indertijd gelezen, al kon ik me niet alles meer herinneren. Er staan een paar beroemde reeksen in. Tien stukken die hij tegen de criminoloog Buihuisen schreef, bijvoorbeeld, en de tien enthousiaste stukken over de poëziebloemlezing van Komrij. Daarnaast staan er stukken in die hij schreef als Jan Eter, als Battus, als Victor Baarn (een pseudoniem dat ook prins Bernhard had gebruikt) en als drs. G. van Buren (waarachter je makkelijk koningin Juliana kon vermoeden).

Wat er precies van die 100 stukken overblijft, 30 jaar na data, is wel interessant. De stukken tegen Buikhuisen zijn inmiddels berucht omdat ze een wetenschapper van zijn onderzoek zouden houden. Maar als je die stukken nu leest, zijn de inhoudelijke bezwaren heel redelijk: de man is op zoek naar volkomen willekeurige correlaties tussen 'biologie' en 'gedrag', wat allebei vrijwel niet te definiëren grootheden zijn. Maar Piet Grijs' belangrijkste bezwaar gaat over het feit dat Buikhuisen heen en weer springt tussen de academie en ambtelijke functies op het ministeri van Justitie. Dat vertrouwt hij niet.

Omgekeerd vielen de stukken over Komrij, die ik me herinnerde als verbazingwekkend ingenieus, juist een beetje tegen. Ja, het ís ingenieus, hoeveel structuur Piet Grijs aantrof in die verzameling. Maar het is af en toe ook wat vergezocht, en erg duidelijk dat hij over de getalsmatige orde (11 gedichten van dit type, en 11 van dat, in totaal 11x11) zat te bluffen. Toch denk ik dat Brandt Corstius daarmee een belangrijke rol speelde in de canonisering van 'de dikke Komrij'. Degene die dat ooit gaat onderzoeken, moet deze stukken er ook bij halen.

Het mooist van alles vond ik eigenlijk het vervolgverhaal van Jan Eter, die bij wijze van vakantieliefde een relatie begint met de vrouw van een vriend van hem. Daar komt alles bij elkaar wat Brandt Corstius indertijd zo'n fenomeen maakte: taalspel, fantasie, vernuft. Waarom zou die vulkaan inmiddels zo uitgedoofd zijn dat je nooit meer iets van hem hoort? Ja, veel tijdschriften hebben hem er uitgegooid, maar waarom is hij dan geen weblog begonnen, zoals Komrij?

Of, verhip, zou hij soms achter ... zitten? (Vul zelf je favoriete weblog in waarvan je de auteur niet kent.)

Nikos Kazantzakis. Saint Francis. Chicago: Loyola Classics, 2005 (1956)

Vertaling: P.A. Bien

Nikos Kazantzakis was een Griekse schrijver en een zoeker, een ongekende zoeker, ik geloof niet dat er iemand in de twintigste eeuw zo intensief, zo gepassioneerd, zo liefdevol, zo wanhopig en zo warmbloedig gezocht heeft – naar de zin van het bestaan, naar God, naar iemand die hem kon duidelijk maken waar het toe diende.

Het moest een mens zijn die hem dat duidelijk maken, en daarom schreef hij altijd voor menselijke figuren: Jezus bijvoorbeeld, in The last temptation en Christ Recrucified of al die andere figuren, van Boeddha via Odysseus tot Lenin, die hij in zijn autobiografie Report to Greco beschreef. Of, natuurlijk Zorba 'de Griek'.

Of, in dit boek, de heilige Franciscus.

Franciscus is van alle personen in de boeken van Kazantzakis misschien wel de meest intense, de meest compromisloze – de heiligste. Anders dan Jezus is hij een mens, maar een mens die zich weet op te tillen tot God door te vasten en te bidden en allerlei extreem gedrag te vertonen. Zijn verhaal wordt verteld door zijn compagnon, Broeder Leo. En broeder Leo is wel een mens, die af en toe best iets wil eten of drinken en ook niet per se het altijd koud wil hebben. Broeder Leo is iemand die vertrouwder is uit de boeken van Kazantzakis – iemand die echt worstelt, terwijl Franciscus alle pijn nauwelijks voelt.

Met het verdwijnen van het geloof uit de wereld, verdwijnt volgens dit boek niet zozeer de moraal, of het geven om elkaar, of de warme belangstelling voor elkaar. Er vervalt de compromisloosheid van iemand als Franciscus – iemand die zeker weet wat God van hem wil, hoeveel God van hem wil: almaar meer. Die bereid is om dan ook alles aan God op te offeren, zijn rijkdom, zijn familie, alle andere menselijke betrekkingen, en alles wat maar enigszins prettig kan zijn.

Is dat waanzin? Zo ben je dat als moderne lezer geneigd te zijn. Maar aan de hand van broeder Leo, aan de hand van Kazantzakis, voel je wel de fascinatie voor zo iemand, zo'n rauw, compromisloos iemand – een heilige, die zelfs uiteindelijk weinig voor elkaar krijgt op deze wereld (een groot deel van de tijd trekt hij zich terug uit de wereld om alleen te zijn met God) omdat zelfs het onderhouden van een monnikenorde, of het effectiever verbreiden van de zegen over de mensheid, moet wijken voor dat contact met God.

De lezer weet dat Kazantzakis niet zo was. Dat hij na het schrijven van De heilige Francis weer verder is gegaan naar Odysseus en Boeddha. En precies daardoor kan de ongelovige, moderne lezer ineens een echte hagiografie lezen, een heiligenleven, waarin wordt getoond hoe rauw en hard dat was.

5.5.13

Willem Frederik Hermans. Boze brieven van Bijkaart. De Bezige Bij, 2011 (1977).

Midden jaren zeventig verhuisde Willem Frederik Hermans van Groningen, waar hij jarenlang lector in de geologie was geweest, naar Parijs. Hij schreef er een serie columns voor Het Parool onder het pseudoniem Age Bijkaart.

Waarom hij dat pseudoniem precies gebruikte? Ik heb geen idee. Hermans deed niet erg zijn best om te verhullen wie die stukjes precies schreef. Bijkaart had het de hele tijd over 'mijn vriend Willem Frederik Hermans' en beschikte daarbij over zoveel intieme informatie over die vriend, met wie hij bovendien de woonplaats en alles, alles leek te delen, dat ik niet aanneem dat er ooit iemand is geweest die dacht dat Age Bijkaart iemand anders was.

De titel Boze brieven is bovendien ook enigszins misplaatst, want behalve in de eerste paar brieven is er van boosheid niet zoveel sprake. Gelukkig maar, want de brieven over kwesties waarover Bijkaart zich wél opwond, zijn nu niet meteen de interessantste, of aantrekkelijkste. Het gaat dan vooral om 'socialisten' die allerlei dingen deden die Bijkaart niet aanstonden: voorstellen om studieplaatsen aan de universiteit bij loting aan te wijzen, of meedoen aan de verkiezingen in Zweden, bijvoorbeeld.

Het zijn kwesties die hun actualiteit inmiddels verloren hebben en bovendien laat Bijkaart ook zien hoe bekrompen polemisten vaak, misschien wel noodgedwongen, zijn. Voor een goede polemiek moet de wereld overzichtelijk worden ingedeeld in slimme en goede mensen aan de ene kant en domme en slechte aan de andere. Voor Hermans hoorden de 'socialisten' tot de latere categorie. Het genoegen dat hij daaraan beleefde (en ongetwijfeld aan het gevoel dat hij daarmee mensen tegen de schenen schopte) is 35 jaar later niet goed meer na te voelen.

Ook verder blijkt hij af en toe achterhaald. Er staat bijvoorbeeld een stuk over Turing in waaruit blijkt dat de grote natuurwetenschapper Hermans eigenlijk maar weinig over Turing wist. Hij maakt bijvoorbeeld een wat rauwe sneer over de 'zelfmoord' van Turing (en lijkt niets te hebben geweten over de dubieuze achtergrond van die zelfmoord) en denkt oprecht dat Turing in de Tweede Wereldoorlog een apparaat had uitgevonden, de Turing-machine, die de geheime codes van de Duitse Enigma-machine ontcijferde. Daarmee gooit hij een aantal dingen door elkaar: die Turing-machine was geen echte machine, maar een mathematisch object (de ideale computer), en hoewel Turing deel uitmaakte van een team dat inderdaad de Enigma-codes ontcijferde, speelde de Turing-machine daarin geen rechtstreekse rol.

Het mooist is Bijkaart wanneer hij lyrisch durft te zijn – over fotografie, bijvoorbeeld, of over Parijs op dagen wanneer iedereen er weg is. Dan blijkt ineens zijn grote talent, zoals je dat ook in zijn romans ziet.

David Sedaris. Let's explore diabetes with owls. Little, Brown & Company, 2013.

Wat maakt David Sedaris, misschien wel de populairste humoristische schrijvers van dit moment, af en toe zo onweerstaanbaar grappig? Wie dat wil weten zou zijn nieuwste boek, Let's explore diabetes with owls, zorgvuldig moeten bestuderen. Niet alleen omdat er in dat boek zulke grappige verhalen staan, trouwens – er staan ook een paar echt mislukte verhalen in.

Die mislukte verhalen – een satire bijvoorbeeld op een soort Tea Party-lid dat zich druk maakt over het homohuwelijk en uiteindelijk zoenen met een jongen best fijn lijkt te vinden, of een verhaaltje over een vrouw die tegen Obama wil protesteren en zich door haar dochter laat overtuigen om dan een T-shirt aan te doen met Asshole – zijn behaagziek; maar dat is het niet. Sedaris is altijd een beetje behaagziek. Sommige van de verhalen in het nieuwe luisterboek zijn opgenomen voor een zaal, want hij treedt regelmatig op voor grote zalen. (In september komt hij in Carré.)

De mislukte verhalen zijn geloof ik vooral mislukt omdat ze iets te veel op het effect zijn gericht, maar vooral omdat ze de pretentie opgeven dat ze gaan over David Sedaris. David Sedaris is eigenlijk alleen grappig als het gaat om het personage David Sedaris.

Dat personage is een neuroot. Dat komt natuurlijk wel vaker voor, in de humoristische tradities, dat schrijvers zichzelf als neuroten presenteren. Woody Allen zal onder zijn landgenoten vast een voorbeeld zijn geweest. Maar David is dat dan weer onbekommerd op zijn eigen manier. Wie een aantal boeken gelezen heeft, krijgt het idee dat hij hem kent – met zijn rare, half-Griekse familie, met zijn juist o zo stabiele man Hugh, maar vooral met zijn eigen half-hysterische onhebbelijkheden.

David Sedaris in de verhalen van David Sedaris geeft toe aan allerlei neuroses die de lezer zelf maar tenauwernood weet te onderdrukken. In dit verhaal geeft hij zich bijvoorbeeld geheel en al over aan de neiging om het alomaanwezige afval in Engeland, waar hij tegenwoordig woont, op te ruimen, of spreekt hij, tegen alle (Amerikaanse) politieke correctheid in, zijn afschuw uit over de hygiëne in China en daarmee samenhangend, het Chinese eten.

Ieder mens heeft allerlei mensen in zich; met lezen kun je opeens een onverwachte kant in jezelf naar boven brengen. Door David Sedaris te lezen heb ik de neurotische, egocentrische Amerikaanse homo in mijzelf ontdekt.