9.6.13

Laurent Binet. HHhH. Paris: Éditions Grasset & Fasquelle, 2010.

Wat moet je vertellen over de Tweede Wereldoorlog? En vooral: hoe moet je dat doen? Kun je bijvoorbeeld wel fictie maken over iets dat zo gruwelijk is? En help je daarmee de ontkenners van de gruwelen niet, die iedere misser zullen aangrijpen om te ontkennen dat er ooit iets gebeurd is?

Dat zijn belangrijke vragen, maar de boeken die ik erover gelezen heb, zijn altijd mislukt. Beatrice and Virgil van Yann Martel, dat voor zover ik weet allerwegen is afgemaakt. En nu dan HHhH (Himmlers Hirn heißt Heydrich) van Laurent Binet, dat juist weer veel bejubeld is (al vind ik op het internet ook kritische geluiden).

Binets inzet is de omgekeerde van die van Martel: de laatste vind dat schrijvers moeten proberen door fictie nieuw leven in de herinnering aan de oorlog te blazen. Precies dat leverde hem kritiek op: is dat niet wel heel erg frivool? Binet heeft wat dat betreft een veel keuriger standpunt: je moet juist helemaal geen fictieve elementen gebruiken, zodra hij dat wel dreigt te doen, spreekt hij zichzelf bestraffend toe.

Het probleem is dan: als Binet dat vindt, waarom wil hij dan zo nodig een roman schrijven? Dat wordt eigenlijk helemaal niet duidelijk. Je zou denken dat fictie, in dit geval het invullen van details die we nooit kunnen weten, een manier is om het verhaal dichterbij te brengen, om je in te leven in de mannen die Heydrich vermoord hebben, én in Heydrich zelf. Maar dat doet Binet dus juist niet. Hij merkt op dat Heydrich op de ochtend voor hij werd neergeschoten met zijn kinderen speelde. En dat hij zich daar niets bij kan voorstellen, zo'n monster die met zijn kinderen speelt.

Nogmaals: Heydrich wás waarschijnlijk een van de monsterlijkse personen ooit, en zelfs onder de nazis mogelijk alleen de mindere in gruwelijkheid van Hitler zelf. Maar waarom dan een roman gemaakt van een boek dat zo zwart-wit is (de nazis zijn niet alleen slecht, maar ook lelijk)?


5.6.13

Stanislas Dehaene. The Number Sense. How the Mind Creates Mathematics. Oxford: OUP, 2011 (1997).

Als ik moest kiezen welke nog levende geleerde ik eigenlijk zou willen zijn, dan zou ik geloof ik Stanislas Dehaene kiezen. Wat is dat een held! Hij weet zo enorm veel, en vooral zo veel zulke interessante dingen! En hij heeft ook duidelijk zelf op hoog niveau bijgedragen aan het verwerven van die kennis! En hij kan dat allemaal ook nog eens zo vaardig en leesbaar en interessant opschrijven.

Eerder las ik al een later boek van Dehaene, Reading in the Brain, een fascinerend verslag van hoe lezen precies werkt in ons hoofd – met name de 'lagere' functies van het lezen, het herkennen van de letters en de woorden. Ooit moest ik natuurlijk ook zijn eerdere boek lezen, over wiskunde. The Number Sense verscheen bovendien in een geüpdatede versie: in een laatste hoofdstuk vertelt Dehaene over hoe recent onderzoek zijn beweringen van eind jaren negentig hebben bevestigd, verfijnd en in een heel enkel geval weerlegd.

We hebben een gevoel voor getallen, een aangeboren gevoel, zo laat Dehaene heel duidelijk zien. We delen dat ook met dieren: ook zij kunnen, net als mensenbaby's, in één oogopslag het verschil tussen één, twee of drie zien. En ook zij hebben een primitief tellertje dat zelfs het verschil tussen vijf en zes ongeveer kan zien, of dat tussen negen en eenentwintig.

Hoe werkt dat instinctieve gevoel voor getallen? Waar komt het evolutionair gezien vandaan? Hoe hebben wij het kunnen verfijnen tot veel preciezere rekenkunde en veel abstractere wiskunde? Wie dat wil weten – en wie wil dat nou niet weten – moet vooral dit prachtige boek van Dehaene lezen. Zij wordt dan ook nog eens getrakteerd op allerlei prachtige verhalen over geniale wiskundigen en mensen die na een hersenbloeding nog wel woorden konden lezen en sommen konden maken als ze hen mondeling werden aangeboden, maar geen idee hadden wat 21+3 betekende.

Wat zijn wij mensen (wij dieren) toch knap en wat zitten we toch interessant in elkaar, denk je de hele tijd als je Dehaene leest. En wat is de schrijver zelf daar toch ook een goed voorbeeld van.

Niet dat ik hem nu kritiekloos bewonder of zoiets, hoor, oh nee.  Vooral aan het eind (van het oorspronkelijke boek, voor het hoofdstuk met de updates), waar hij ingaat op de klassieke vraag wat getallen nu eigenlijk zijn, vind ik hem een beetje simpel. Ja, de Platonisten, die zeggen dat getallen een eigen bestaan hebben, buiten onszelf, in een wereld van abstracta, kampen met het onoplosbare probleem hoe de menselijke geest, in onze wereld van vlees en bloed en modder, die abstracte dingen in die abstracte wereld dan kunnen zien. Maar Dehaenes eigen favoriete filosofie, die zegt dat alle wiskunde uiteindelijk uit de geest voortkomt, en gebaseerd is op onze instincten, kampt met het probleem dat de wiskunde ook als je hem uitwerkt nog steeds zo mooi klopt.

Hij klopt met de natuurkundige wereld die we zien – we kunnen uitrekenen hoe we naar de maan kunnen vliegen – en daar heeft Dehaene nog wel een soort verhaal voor (we hebben zoveel wiskunde ontwikkeld, dat sommige wiskunde wel moet werken), al vind ik dat niet zo overtuigend (hoeveel wiskunde moet je ontwikkelen voor je toevallig stuit op de wiskunde die je naar de maan helpt). Maar vooral: de wiskunde klopt intern. Je kunt eindeloos hoge getallen nemen, waarover niemand meer intuïties heeft, en daarop gaan rekenen en alle rekenkundige wetten blijven gelden. Hoe kan dat?

Ja, we hebben een intuïtie voor getallen, en ja die getallen komen waarschijnlijk voort uit die intuïtie. Maar waar gaat die intuïtie dan precies over?