14.3.14

Javier Marías. De verliefden. Amsterdam: J.M. Meulenhoff, 2012. (Los enamoramientos, 2011).

Vertaling Aline Glastra van Loon

Een boek dat de verliefden heet, maar dat net zo goed de toevallige voorbijgangers zou kunnen heten, dat is al een aardige karakterisering van deze roman van Javier Marías. Het enige wat er dan nog bij hoort: dat los enamoramientos in het Spaans behalve de verliefden kennelijk ook de verpletterden kan heten.

María Dolz, de hoofdpersoon in deze roman, is een echte toevallige voorbijganger in allerlei levens. Ze is redacteur bij een literaire uitgever, en de auteurs behandelen haar niet veel beter dan als iemand die ze af en toe om een boodschap kunnen sturen. 's Ochtends bij het ontbijt in een café observeert ze altijd een gelukkig stel, waarvan op zeker moment de man ineens in een zinloze actie doodgeslagen lijkt te zijn, of vermoord. Uiteindelijk krijgt ze een relatie met de beste vriend van die man, Javier. Althans, een relatie: zij is verliefd op hem, althans, dat houdt ze zichzelf voor, maar voor hem is zij niet meer dan een toevallige voorbijganger. Hijzelf zit achter de vrouw van de vermoorde man aan.

Gaandeweg begint María in dit boek van Javier Marías in de gaten te krijgen dat Javier meer weet over de doodslag of de moord. En dat Miguel, de vermoorde, misschien wel verplettert is onder zijn liefde. Of misschien ook niet. Maar ze grijpt niet in, ze blijft een voorbijganger.

Kun je iemand anders begrijpen? Kun je jezelf begrijpen? En wanneer je iets begrijpt, kun je daar dan naar handelen? Is ons leven slechts een mooi verhaal, slechts literatuur?  Dat zijn maar een paar vragen die Marías aan de lezer stelt. Ik heb geloof ik nog nooit een roman gelezen waarin zo uitvoerig andere romans worden naverteld door de personages (Kolonel Chabert van Balzac en De drie musketiers van Dumas). Tegelijkertijd zijn de personages in zekere zin ook romanpersonages voor elkaar: behalve de twee geliefden heeft niemand echt oog te hebben voor een ander; en wie 'de twee geliefden' zijn, dat verandert de hele tijd. Ook María heeft alleen oog voor Javier wanneer en zolang ze verliefd op hem is, of denkt dat te zijn. Andere mannen gebruikt ze alleen als amusement, zoals je een roman pakt: je kijkt wat de mensen doen, het raakt je niet en je begrijpt het uiteindelijk ook niet echt.

Hier zijn nog een paar vragen: wil niet iedereen af en toe een geliefde dood, omdat dit de problemen wel op een heel makkelijke manier zou oplossen? En hebben mensen niet het recht om over hun eigen dood te beslissen? En als ze dan dood zijn, hebben ze dan nog het recht om te verwachten dat ze waardig worden afgebeeld, bijvoorbeeld in de krant? Zijn de doden meer dan romanfiguren die we ooit weer zullen vergeten?

9.3.14

Lieke Marsman. De eerste letter. Amsterdam: Van Oorschot, 2014.

Volgende maand schrijf ik hier 10 jaar vrij systematisch over alle boeken die ik gelezen heb. Er zijn twee soorten uitzonderingen. In de eerste plaats de boeken waarover ik elders al geschreven heb. En in de tweede plaats zijn het poëziebundels.

Er zijn twee soorten problemen met die bundels. In de eerste plaats vind ik het moeilijker om over zo'n bundel iets te zeggen dan over verhalen of over non-fictie. In de tweede plaats weet ik niet altijd zeker wanneer ik nu precies klaar ben met het lezen van zo'n bundel. Ik heb er bijna altijd wel een onder mijn hoede en daar lees ik dan een tijdje in. Op zeker moment houd ik er ook weer mee op, min of meer. Hoewel ik een week later misschien nog wel terug ga naar een gedicht – of een maand later, of twee maanden later. Wanneer ga ik er dan over schrijven.

Lieke Marsman is een jonge dichteres, je zou zeggen dat ze bejubeld werd als de groep poëzielezers groot genoeg was om iemand te bejubelen. In haar tweede bundel, De eerste letter, schrijft ze strofen als:

nu ga ik een ijsje voor je kopen
nu moet je met me meelopen naar mijn huis
en me kussen op een moment dat mij uitkomt
nu gaan we samen een volkstuintje beginnen
nu gaan we zeshonderdkilometer reizen
om elders even thuis te zijn
nu leg jij ons toekomstige kind in bed
nu ga ik honderd keer zeggen dat er ruimte is

Op de een of andere manier is dit een heel erg vroeg-21e-eeuws gedicht, al kan ik er niet makkelijk de vinger op leggen waarom dat zo is. Op de een of andere manier is dit gedicht heel duidelijk door een jonge Nederlandse vrouw geschreven, al kan ik dat ook moeilijk analyseren. Het heeft met elkaar te maken, en met de licht kinderlijke toon en het kokketeren met lichtelijke warrigheid. Neeltje Maria Min was er lang geleden een voorbode van, van deze toon. Inmiddels is er een hele dichteressen opgestaan die het overgenomen heeft.

Ik ben er geloof ik niet zo dol op. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat het slecht is. Het is duidelijk dat het werk van Lieke Marsman bijvoorbeeld sterk in elkaar zit – het spel met ij en ui in de aangehaalde strofe is sterk, er staan goede regels in deze bundel en geen slechte. Het laat misschien zien dat ik te oud ben, of dat zelf niet bepaald een meisje, of dat er in de poëzie voor ieder wat wils is, en dit toevallig niet behoort bij wat ik wil.

Ik moet daar dan eigenlijk niet over schrijven maar heb het bij dezen toch gedaan.



A.F.Th. van der Heijden. Uitverkoren. Amsterdam: De Bezige Bij, 2014.

"De commerciële koers die literaire uitgeverijen zijn gaan varen," zegt A.F.Th. van der Heijden in een in dit boek opgenomen interview, "hangt natuurlijk ook samen met de luidkeels geuite eisen van het huidige lezerspubliek. De mensen zijn mondiger geworden. Ze roepen om 'direct aansprekend' leesvoer." Verderop in het boek wijst hij er herhaaldelijk op dat hij schrijft om lezers te hebben, ze iets beters wil geven dan 'literaire thrillers'.

Een cynicus zou zeggen dat Van der Heijden met dit boek aan die roep voldoet. Het omslag meldt dat we hier te maken hebben met een 'noodzakelijk zusterboek' bij Tonio ('de requiemroman die al zovelen wist te raken'), maar feitelijk bestaat het uit niet meer dan een fragment dat de grote zuster niet haalde, een zestal interviews – die de schrijver weliswaar schriftelijk aflegde – en de toespraak die Van der Heijden hield toen hij de P.C. Hooftprijs aanvaardde.

Zoiets mag toch niet een 'zusterboek' heten bij een van de grote Nederlandse romans van deze eeuw.

Toch is Uitverkoren wel een interessant boek voor wie geïnteresseerd is in het schrijversschap van Van der Heijden. Herhaaldelijk komt bijvoorbeeld de relatie met Harry Mulisch aan de orde, over wie Van der Heijden ook buitengewoon vriendelijke en warme dingen zegt. Nu stammen de interviews uit 2011 en was Mulisch dus net overleden – logisch dat die interviewers ernaar vragen.

Maar Van der Heijden is ook de beste vertegenwoordiger van een Nederlandse traditie waar Mulisch ook in stond: die van de magische betekeniszoekers, degenen die met hun werk proberen verbanden aan te brengen (of: op te sporen) in de werkelijkheid die de chaos bezweert. Het is wat hun werk aantrekkelijk maakt: de bewondering voor wat de magiër allemaal kan, het genieten van de zin die de wereld even krijgt.

De dood van een kind, het meest zinloze dat er kan geboren, is natuurlijk een enorme krachtproef. De magiër kan het kind niet tot leven brengen, het leven dreigt echt alle zin te verliezen. Het lijkt Van der Heijden te lukken, de teksten in dit boek zijn er een nieuw en bescheiden teken van. We hopen dat het hem lukt, dat hij niet alleen maar dit soort direct aansprekende 'zusterboeken' schrijft, maar inderdaad nog menige sterke roman.


Piet Gerbrandy. De poëzie van Hans Faverey. Rimburg: Huis Clos, 2013.

Dat poëzie iets met ritueel te maken heeft, daar valt van alles voor te zeggen. In dit fraai uitgegeven essay pleit Piet Gerbrandy ervoor bij het lezen van Hans Faverey.

Om dat pleidooi te begrijpen moet je wel inzien dat Gerbrandy een wat eigenaardige definitie van het begrip 'ritueel' hanteert. Hij gaat in ieder geval niet uit van het idee van Frits Staal dat een ritueel een verzameling strak geplande gemeenschappelijke handelingen is zonder betekenis. Sterker nog, geen enkele van deze eigenschappen erkent hij als essentieel. Dat zou ook vreemd zijn voor een zo eigenzinnige, individualistische, grillige dichter als Faverey.

In plaats daarvan volgt Gerbrandy de Nieuw-Zeelandse antropoloog Michael Jackson, die in het ritueel een kleine modelwereld ziet die de mens kan manipuleren en die hem helpt daarom het leven beheersbaar en zinvol te maken. Zo'n ritueel kan ook een privé-ritueel zijn (een woord dat Gerbrandy inderdaad ook een keer gebruikt), iets dat alleen van de dichter is.

Ik moet toegeven dat het me enige tijd kostte om dit in te zien, en toen om aan dat idee te wennen. Ik bleef dat hele idee van een ritueel zonder regels en zonder gemeenschap een beetje belachelijk vinden. Maar inmiddels zie ik in dat die ideeën van die Jackson – zijn boeken zijn bij de bibliobliotheken van de twee academische instellingen waar ik werk niet bepaald in ruime mate voorhanden – mogelijk heel interessant zijn.

En dat opende vervolgens voor mij ineens de voor mij anderszins moeilijk toegankelijke wereld van Favereys poëzie. Gerbrandy beschrijft ergens aan het begin van dit boekje, en nog eens ergens aan het eind, een reactie op deze poëzie die hij kennelijk kenmerkend vindt: een van onmiddellijk aangestoken worden door enthousiasme voor de prachtige beelden en taal en wat niet al. Die reactie heb ik nooit gehad. Maar ineens zie ik er veel meer in, en iets ontroerends of interessants: de man die de wereld al dan niet wanhopig probeert in een model te zetten om er

3.3.14

Georges Simenon. Maigret se trompe. Livres de Poche, 2013 (1953).

Detectives, daar houd ik niet zo van. Dat je langzaam maar zeker informatie krijgt opgediend, dat je voelt dat je als lezer in spanning wordt gehouden, dat de schrijver wel weet dat je eigenlijk iets wil weten, maar je dat nog niet vertelt – het is mijn smaak niet.

Ik had dan ook nog nooit, nog nooit, een Maigret gelezen. Ik heb er denk ik weleens op de tv gezien, al kan ik me daar dan alleen nog een vaag beeld van een brede man met een hoed, een lange jas en een pijp van herinneren. Misschien waren het wel alleen fragmenten die ik zag, misschien raakte ik snel verveeld.

Ik was er denk ik te jong voor. Ik heb nu wel een Maigret gelezen en hoewel ik nu nog niet helemaal verkocht ben, vermoed ik dat ik als ik later oud en der dagen zat ben zo zal eindigen: in een luie stoel met een e-reader met alleen maar detectives, waaronder alle Maigret-verhalen.

In Maigret se trompe is een jonge vrouw vermoord, de maitresse van een chirurg die een appartement voor haar gehuurd heeft terwijl hij zelf in het appartement erboven woont. Maigret ontdekt al snel dat die man een bijzondere aantrekkingskracht heeft op vrouwen: de concierge, zijn echtgenote, zijn assistente, ze vergeven hem alles. Je krijgt de indruk dat de vermoordde vrouw misschien wel de enige was die niet totaal in hem opging – zij bleef bij hem omdat ze de zekerheid van een huis nodig had.

Het boek is vooral een portrettenkrans, of zo'n negentiende-eeuws schilderij met de aantrekkelijke man groot in het midden en een kring portretjes van vrouwelijke bewonderaarsters eromheen gerangschikt. Professor Gouin is de persoon om wie het boek draait, en het aardige ervan is dat Maigret, en dus ook de lezer, hem pas in de laatste dertig bladzijden zelf te zien en te horen krijgt in een gesprek waarin gaandeweg eindelijk duidelijk wordt hoe de vork in de steel zat en wie de dader was. Dat is dus precies de suspense waarvan ik tot nu toe altijd heb gezegd niet te houden, maar waaraan ik vermoedelijk ooit ga toegeven.

In de context van het Parijs van de jaren vijftig wordt het nog extra aantrekkelijk. Die bistrots! De glazen marc die Maigret naar binnenslaat! Het telefoneren vanuit openbare aangelegenheden! Nee, echt, nog zo'n twintig jaar, en ik ga voor de bijl.