25.9.15

Naomi Klein. This Changes Everything. Capitalism vs. the Climate. London: Penguin, 2015 (2014)

Het is niet eens meer vijf voor twaalf, het is nog maar één voor twaalf. Er moet nu actie ondernomen, we kunnen echt niet meer treuzelen, we moeten ingrijpen voor het definitief helemaal misgaat met het klimaat op aarde. We hadden vorig jaar, toen dit boek verscheen, nog maar tien jaar de tijd. De minuten tikken.

Dat meent Naomi Klein, in een lang, maar onveranderlijk gloedvol betoog. Bovendien: in het huidige politiek-economische systeem gaat het niet lukken om de vereiste veranderingen snel genoeg door te voeren. Het kapitalisme kan niet eens de vereiste maatregelen nemen, al zou het 't willen. We moeten nu gezamelijk, door middel van sterke overheden of een sterke overheid het heft in handen nemen. Er is een opstand nodig, om niet te zeggen een revolutie: een totale omwenteling van het systeem.

Alleen zo kan het goed komen – en tegelijkertijd komen we dan ook nog in een mooiere wereld terecht. Een waarin we de welvaart eerlijker kunnen verdelen. Een waarin winst niet meer alles is. Een waarin veel meer mensen iets van hun leven kunnen maken.

Het klinkt allemaal goed, althans dat laatste. Je linkse hart bloeit ervan op. En tegelijkertijd zit het allemaal wel heel mooi in elkaar, en zit er ook iets verraderlijks in. Hebben revolutionairen niet altijd gevonden dat nu het moment was, dat alleen een grootschalige verandering alles nog kon redden, en dat zij precies zagen hoe dat moest?

Dat laatste is geloof ik hetgene dat me uiteindelijk een beetje ging tegenstaan: dat Klein wel heel precies weet waar het naartoe moet en waar de oplossing zit. En dat ik geen idee heb hoe mijn medeburgers van de redelijkheid van die oplossing te overtuigen.

12.9.15

Marietje d'Hane Scheltema. Alles altijd anders. Over Ovidius. Amsterdam: Athenaeum-Polak&Van Gennep, 2013.

Ovidius werd volgens d'Hane Scheltema, een van onze grootste vertalers van de klassieken en dé vertaler van de Metamorphoses, lange tijd op school beschouwd als een opstapje naar de moeilijkere en 'grotere' Horatius en Vergilius, maar daar komt langzaam maar zeker een kentering in. De vreemde ironie die hij altijd heeft, het experimentele dat zijn werk kenmerkt, de wonderlijke kijk op de wereld maken hem steeds meer een auteur van onze tijd. Hoewel er van alles en nog wat tegelijk nog niet in vertaling te krijgen is.

De titel van dit boek, Alles altijd anders, vat de inhoud goed samen omdat hij dubbelzinnig is. In het eerste deel geeft d'Hane Scheltema in enkele essays een schets van wat we momenteel weten over Ovidius: dat hij alles altijd net een beetje anders wilde doen dan anderen. Hij schreef een leerdicht (Ars amatoria) in de zogenoemde elegische maat, terwijl je dat eigenlijk in hexameters hoorde te doen, hij schreef een epos (de Metamorphoses) dat noch een heldendicht noch een leerdicht was, en hij bekocht zijn eigenzinnigheid (waarschijnlijk) uiteindelijk met een verbanning naar de zwarte zee.

Het tweede deel gaat over die Metamorphoses, en daar is dan de ándere betekenis van de titel op van toepassing: alles wordt steeds anders (terwijl niets verdwijnt) is de kortst mogelijke samenvatting van dit meesterwerk.

Ik vind vooral dat tweede deel bij vlagen heel interessant, en dat vooral als de vertaalster ingaat op details. Het begin van de Metamorphoses  luidt: 'In nova fert animus mutatas dicere formas / corpora', en d'Hane Scheltema weet daar allerlei interessante zaken aan op te merken. Dat het gedicht (min of meer) begint met nova, bijvoorbeeld, dat zowel de inhoud als de vernieuwende vorm aankondigt en samenvat. Maar vooral ook dat fert animus zoveel betekent als 'het is de bedoeling' (dat ik iets zeg over vormen die veranderen in nieuwe lichamen), een zakelijke, bijna clichématige vorm, die ver weg staat van het aanroepen van de muzen van Homerus of het nog steeds wat liturgische cano van Vergilius.

Twee dingen zijn wel een beetje jammer aan het boek. In de stukken die niet over de tekst gaan, boort d'Hane Scheltema minder diep en maakt ze ook vreemde foutjes (ze beweert dat de geboorteplaats van Ovidius, Sulmona, tegenwoordig in Umbrië ligt, 'omgeven door de Abruzzen', wat zelfs een geografische onmogelijkheid is – de stad ligt in Abruzzo, redelijk ver van Umbrië). Het andere is dat het boek voor de uitgever waarschijnlijk wat aan de lange kant was en de tekst daarom nogal klein is afgedrukt, met een wat onprettige letter.

10.9.15

Connie Palmen. Jij zegt het. Amsterdam: Bert Bakker, 2015

Tot de culturele bagage van de moderne Westerse mens horen natuurlijk allerlei feiten over Engelstalige dichters. Wie nog nooit van Ted Hughes of Sylvia Plath gehoord heeft, mag zich denk ik niet belezen wanen.

En zo bezien is de roman Wie zegt het van Connie Palmen een teleurstelling. De schrijfster neemt alle feiten die bekend zijn uit de openbare bronnen en zet ze op een rij, in de vorm van een verslag dat ze in de mond legt van Hughes: hoe de stormachtige relatie tussen de jonge Britse dichter en Amerikaanse dichteres verliep en eindigde in de zelfmoord van de tweede nadat de eerste ontrouw was geweest. Hoeveel ze van elkaar hielden, hoe ze samen op weg waren de Engelstalige poëzie te domineren. Hoe schuldig de Brit zich gevoeld moet hebben, toen hij achterbleef met twee kleine kinderen.

Maar dat wisten we allemaal al. Eigen onderzoek lijkt Palmen niet gedaan te hebben. Ik beschouw me absoluut niet als kenner van de Engelstalige dichtkunst, maar alles wat ze beschrijft wist ik al zo'n beetje.

Ja, kun je zeggen, maar Palmen presenteert het allemaal als roman. Maar ook als zodanig valt het tegen. Misschien komt het doordat de stemmen van degenen over wie ze schrijft te bekend zijn, maar de échte Plath en de échte Hughes hebben misschien niet over alles geschreven, maar de kern van wat er gebeurd is hebben ze in proza en poëzie wel degelijk gepakt. En het lukt Palmen niet daaroverheen te gaan. Het is een hele tour de force om te schrijven alsof je iemand bent die andere mensen zo goed kennen (probeer maar eens een roman te schrijven over de laatste jaren van Gerard Reve, verteld door Gerard zelve), maar begin er dan niet aan.

Dan was er trouwens nóg iets dat me hinderde. Het is duidelijk de bedoeling van Palmen geweest om nu eens écht Hughes zelf aan het woord te laten. Tot nu toe waren het altijd buitenstaanders die vooral op de hand van Plath waren en Hughes allerlei verwijten maakten, die over een en ander schreven. Laat hem nu zelf maar eens spreken. Maar hij spreekt natuurlijk helemaal niet zelf, het is Palmen die spreekt. Hoe en waarom zouden wij geloven dat zij wél een claim van authenticiteit kan leggen?

Dat zou nog interessant kunnen zijn als er over díé vraag op de een of andere manier in het boek werd nagedacht: hoe kun je pretenderen voor iemand anders te spreken? Maar die gedachtestroom ontbreekt, en dat vind ik een groot probleem.

Alles bij elkaar lijkt me Jij zegt het vooral een soort Sylvia Plath en Ted Hughes voor dummies: een inleiding op hun leven (niet op hun werk, dat geheel en al ontbreekt) waarin het belangrijkste op een leesbare manier op een rijtje wordt gezet. Ik zie dat het boek inmiddels de bestsellerlijsten bestormt; ik hoop dat het iets goeds gaat doen voor de échte stemmen van deze twee,

8.9.15

Martijn Benders. Sauseschritt. Amsterdam: Van Gennep, 2015.

Op pagina 41 van Sauseschritt, de nieuwe bundel van Martinus Benders, staat een gedicht – dat is nogal logisch, want op bijna iedere pagina in deze dikke bundel staat een gedicht. Maar let op! Dat gedicht heet De wolken en luidt als volgt: 'De hele godvergeten dag / dat afschminken van de hemel moeten aanzien. // Nooit komt een gezicht tevoorschijn / Niet eens een fatsoenlijke rimpel. // Alleen maar / dat afgrijslijke babykamertjesblauw. / Het zegt alles, het zegt genoeg.'

Dat gedicht – dat alleen al vanwege het laatste woord van de een na laatste regel zijn gewicht in goud waard is, roept kennelijk een ander gedicht op, een prozagedicht dit keer, dat wat kleiner is afgedrukt op dezelfde pagina, Kinderachtig: 'Misschien is het gewoon kinderachtig om mezelf af te vragen of ik een relatie met je zou willen aangaan. Mensen noemen me vaak de man van de blauwe pagina's. Ik heb inderdaad nog nooit iets meegemaakt wat een vermelding op papier waard was behalve dan misschien dat ik af en toe in een heel klein spiegeltje kijk. // En aan hen die vragen of ik wel eens om negen uur in de ochtend een lepeltje heb gekust dat een bepaalde dame gebruikte om yoghurt te eten ga ik enkel formeel antwoord geven, omdat zelfobsessie nu eenmaal mijn forte is.'

Dit gedicht geeft commentaar op het vorige (het spiegeltje) en weerspiegelt het in zekere zin – het babykamertjesblauw is hier het blauw van de (Facebook)pagina's –, maar het wordt zelf ook nog weer becommentarieert in een nog kleiner afgedrukt gedicht: "Je slaapt als een trein. / De vreselijke yoghurtman in het donker. / De natuur is een taal. Kun je niet lezen?'

Die ene pagina 41 geeft de ervaring van Sauseschritt in, ehm, nou, in één pagina: dat van een hoorn des overvloeds, dat van een stroom die kolkt en spat: het gaat almaar door, ieder gedicht roept het volgende op, en hoewel de dichter 'nog nooit iets heeft meegemaakt wat een vermelding op papier waard was', is het papier tegelijkertijd niet groot genoeg om alles te bevatten, zodat hij wel steeds kleiner moet gaan schrijven. Eén afdeling van de bundel bestaat zelfs helemaal uit minutieus klein afgedrukte gedichten, ongeveer evenveel als een andere dichter in een hele bundel zou geven, maar dan afgedrukt op vier pagina's.

Er komen in deze wervelwind van taal allerlei thema's voorbij, maar de grondtoon is altijd een vitale. Er wordt gedicht en vertaald (een afdeling is een bewerking van het lange gedicht Het dode huis van Yiannis Ritsos en een deel een bewerking van 'De jongen die in een hert veranderde...' van Ferenc Juhász), er wordt gedated en gescholden en vooral wordt er heel, heel veel gedicht: een groot deel van de gedichten gaat over de poëzie, over hoe het moet, over het schrijven ervan, over de hartstocht voor de poëzie en de afkeer van poëzieavondjes. Maar alles vooral over leven, leven, leven!

5.9.15

Marcel Proust. Swann's kant op. Amsterdam: Athenaeum, 2015 (1913)

Vertaling: Martin de Haan en Rokus Hofstede

Hoe zie je de wereld? Wat er om je heen gebeurt, hoe zie je dat? Er lopen, zodra je eenmaal volwassen bent, toch al snel allerlei lagen door elkaar heen. Alles wat er in het heden lijkt te gebeuren, is doordrenkt door wat je je in het leven hebt meegemaakt. Je kunt niet zomaar in bed liggen zonder dat alle andere bedden waar je ooit in gelegen hebt, op de een of andere manier aanwezig zijn in je huidige bed. Je kunt niet zomaar, jawel, een madeleine in de thee dopen zonder dat er ineens herinneringen naar boven komen aan je oudtante die ook de madeleine doopte in ook de thee.

Maar omgekeerd zie je dat verleden alleen maar door de bril van het heden en van alle verleden dat er ligt tussen toen en nu. Je kunt de liefde tussen de ouders van je geliefde, Gilberte Swann, wel proberen te reconstrueren, maar je legt er hoe dan ook iets in van je eigen verliefdheid op hun dochter.

Het is onzin om heden en verleden te scheiden, alles loopt in elkaar over.

En dan, als je schrijft, wordt het allemaal nog ingewikkelder. Ik ben geen Proust-kenner, maar over de structuur van Swann's kant op zou ik het volgende zeggen: het middenstuk, Een liefde van Swann, is een kleine, echt negentiende-eeuwse roman, met al die passages die zich afspelen op salons en dinertjes en waar allerlei personages zo kostelijk getekend worden – een soort Toergenjew op de overdrive, om te laten zien dat de schrijver dat ook in de aanbieding had, en niet alleen maar zelfreflectie. Maar het zit ook ingebed in die zelfreflectie en maakt er daardoor ook onderdeel vanuit. Het verhaal dat Marcel over Swann vertelt is natuurlijk ook een verhaal over Swann zelf.

Zoals het verhaal voor de lezer ook altijd een verhaal is over zichzelf – over de vorige keer dat hij A la recherche las, dat is voor mij inmiddels al ruim 20 jaar geleden. En over de toekomst waarin hij de andere delen ook weer eens gaat lezen. Dankzij deze mooie vertaling verheug ik me daar weer op.