17.1.16

Niña Weijers. De consequenties. Amsterdam: Atlas Contact, 2015.

Er is vermoedelijk iets mis met de relatie tussen boek en lezer, als de laatste tijdens het lezen ineens geobsedeerd raakt met de vraag waarom de schrijver voor een bepaalde werkwoordstijd gekozen heeft. Wanneer Niña Weijers bijvoorbeeld schrijft:

Minnie wist dat er iets aan de hand was. Ze wist al een paar weken dat er iets aan de hand was, ze wist het om precies te zijn sinds zij en de fotograaf op 3 januari die akte hadden getekend, maar dit weten grensde zozeer aan niet-weten dat het haar uitstekend was gelukt de informatie voor zichzelf verborgen te houden. Dat wil zeggen: tot de brief.

waarom schrijft ze dan niet:

Minnie weet dat er iets aan de hand is. Ze weet al een paar weken dat er iets aan de hand is, ze weet het om precies te zijn sinds zij en de fotograaf op 3 januari die akte hebben getekend, maar dit weten grenst zozeer aan niet-weten dat het haar uitstekend is gelukt de informatie voor zichzelf verborgen te houden. Dat wil zeggen: tot de brief.

Die tegenwoordige tijd maakt het allemaal wat directer, en dat heeft vast voor- en nadelen, maar ik zie geen redenen om het allemaal in de verleden tijd te zetten. Ik vind die tegenwoordige tijd nu ik het nalees, geloof ik frisser.

En nu we daar toch over bezig zijn: waarom wordt er in deze korte passage minstens twee keer iets wordt gepreciseerd ('om precies te zijn', 'dat wil zeggen')? Waarom wordt het dan niet meteen precies gezegd? Is dit een soort indirecte rede? Dat kan eigenlijk niet, omdat er iets wordt beschreven waarvan Minnie zich nauwelijks bewust is. 

Ik geloof niet dat ik me door dit soort overwegingen zou laten meeslepen wanneer ik de inhoud van Weijers' roman ongemeen boeiend vond, maar dat is niet zo. Dat ligt geloof ik niet aan het boek zelf – de kwesties die aangesneden worden, daarvan kan ik best begrijpen dat ze mensen interesseren. Alleen hoor ik daar geloof ik niet zo bij; een ernstig gebrek in mijn beschaving is bijvoorbeeld dat mijn belangstelling voor moderne beeldende kunst maar gering is. Iets minder ernstig, maar wel reëel is het dat ik het leven van een twintiger of dertiger niet per se meteen interessanter vind dan dat van iemand die ouder of jonger is. 

Het is voor niemand erg, maar het boek De consequenties is niet voor mij geschreven.

Het was voor niemand erg, maar het boek De consequenties was niet voor mij geschreven.

12.1.16

Jenny Erpenbeck. Gehen, ging, gegangen. München: Knaus, 2015.

Ik heb weinig tegen politieke correctheid: het is wel sympathiek om alles goed te willen doen. Maar ik geloof dat het geen goede basis is voor een roman.

Gehen, ging, gegangen gaat over een weduwnaar in Berlijn, Richard, die op de Oranienplatz in aanraking komt met enkele Afrikaanse vluchtelingen. Zij kamperen daar als protest tegen hun slechte situatie – omdat ze op hun bootje in Italië aangekomen zijn, mogen ze alleen daar werken en niet in Duitsland waar het werk is. Wanneer ze enige tijd later ergens opgevangen worden, spreekt Richard, steeds vaker met ze en hoort hun hartverscheurende verhalen.

Nu ga ik iets cynisch zeggen. Het boek is bij vlagen lezenswaard, en die vlagen zijn overwegend de verhalen van de vluchtelingen. Erpenbeck heeft duidelijk onderzoek gedaan, vermoedelijk zelf met vluchtelingen gesproken, en die verhalen in haar boek verwerkt.

Maar het raam eromheen is op zijn best vernuftig. Richard komt oorspronkelijk uit de DDR en is dus 25 jaar geleden zonder te verhuizen zelf in een ander land komen wonen. Hij is classicus en vooral in het begin van het boek zitten wat aardige bespiegelingen over de mediterrane basis van onze cultuur.

Maar wat is dat verder voor een man? Wat zijn z'n motieven om zich met die vluchtelingen bezig te houden? Behalve een beetje eenzaamheid zijn het voor zover ik kan zien vooral nobele motieven: hij wil die mensen helpen. Hij ziet ze namelijk als echte mensen. Sommige van zijn vrienden doen dat in het begin misschien niet, maar als ze met die mannen praten, draaien ze wel weer bij.

En kijk, daar werd ik een beetje wee van. Had die Richard maar minder nobele motieven gehad, was er maar wat uit dit boek geknerst over de niet altijd zo aardige motieven om die vluchtelingen te willen helpen. Of was er maar een vluchteling geweest die misdadig was of knettergek (er wordt uit Richards huis 1 ring gestolen, maar het wordt niet helemaal duidelijk door wie.

Duitsland is niet zo'n prettig land, de vluchtelingen hebben vreselijke dingen meegemaakt, maar in gesprek komt er vooral warme menselijkheid naar boven. Dat wil je niet, in een roman. Het is jammer dat de menselijke geest, of in ieder geval de mijne, al die pluizigheid niet langdurig kan verdragen, maar zo is het wel.

10.1.16

Ta-Nehisi Coates. Between the World and Me. Spiegel and Grau, 2015.

Het boek Between the World and Me van Ta-Nehisi Coates moet iedereen lezen die Amerikaan is, of die verzot is op het woord body. Ik behoor tot geen van tweeën.

Op een bepaalde manier kan ik zien dat het een eloquent, goedgeschreven betoog is. Maar het is wel goed geschreven in een stijl die niet de mijne is: retorisch tot ver over de top, doodernstig en abstract. Je kunt niet ontkennen dat de problemen die hij beschrijft – de problemen van black bodies – in Amerika reëel zijn en dat het helaas nog steeds de moeite waard is die problemen aan de orde te stellen. Zoals je ook niet kunt ontkennen dat er in Europa soortgelijke problemen zijn, dat ook hier het racisme zeer diep geworteld is; ware het niet dat voor Coates Europa eigenlijk niet bestaat, zoals ook Afrika eigenlijk niet echt bestaat al verwijst hij af en toe naar een mythisch continent dat zo heet. Er bestaat alleen Amerika.

Dus dan blijven alleen die bodies over die hij de hele tijd noemt, die black bodies, want zo verwijst hij naar de mensen, misschien om te benadrukken dat de geschiedenis van de slavernij en het racisme een geschiedenis is van lichamen. Ik zie de retoriek ervan, ik zie op een abstracte manier de schoonheid ervan, hoe het mensen zou moeten raken, maar mij raakt het niet. Het

Ad Zuiderent. Een dartele geest Aspecten van De chauffeur verveelt zich en ander werk van Gerrit Krol. DBNL, 2014 (1989)

Je kunt altijd proberen beter te lezen, meer uit een boek te halen. Van alles en nog wat kan daarbij helpen: kijken wat andere mensen over het boek gezegd hebben, tellen hoe lang de hoofdstukken zijn, de boeken erbij halen waarnaar jouw boek direct of indirect verwijst, in het manuscript van de schrijver kijken, en zelf heel, heel nauwkeurig en langdurig lezen.

Al die methodes past Ad Zuiderent toe op De chauffeur verveelt zich, een boek dat ik net herlezen heb. Het boek van Zuiderent is gratis via internet te verkrijgen. Het zou aardig zijn als Querido, de uitgever van Krol, voortaan in alle edities de lezer op dit feit opmerkzaam maakt, want wat mij betreft hoort Zuiderents boek bij dat van Krol als een lijst bij een schilderij. Het is een voorbeeldig voorbeeld van lezen.

Niet iedere toegepaste techniek levert wat mij betreft evenveel op: het tellen van de verschillende onderdelen is een nogal intensieve activiteit waar uiteindelijk niet zoveel uitkomt. Maar er komt altijd wel íéts uit. Ieder hoofdstuk leverde voor mij wel wat punten op die ik nooit had gezien in Krols boek. (Het meest gold dat uiteindelijk wel voor de hoofdstukken waarin vooral gelezen wordt: dat over de vraag in hoeverre De chauffeur verveelt zich een autobiografie is, en dat waarin Zuiderent probeert de titel te verklaren.)

8.1.16

Gerrit Krol. De chauffeur verveelt zich. Amsterdam: Querido, 2013 (1973).

Het gevoel dat ik krijg als ik Gerrit Krol lees, is moeilijk onder de woorden te brengen. Er zit een toon in die zinnen die me ergens raakt waar andere schrijvers me niet raken. Het is net alsof er meer resoneert bij die zinnen dan bij die van veel andere schrijvers.

Misschien komt het doordat Krol een van de eerste schrijvers was van wie ik heel veel las. Maar er zit ook meer in. Sympathiek is de hoofdpersoon van dit boek – die Gerrit Krol heet – niet. Hij is nogal seksistisch, zoals geloof ik alle mannen in al Krols boeken, en nogal egocentrisch, nors en in zichzelf gekeerd. Een paar keer beweert hij dat hij zo goed is in het beschrijven van gevoelens, maar tegelijkertijd maakt hij duidelijk dat hij die gevoelens verder nauwelijks toont (hij kan niet huilen) of heeft. En toch voel je je (ik me) al snel helemaal binnen in die schrijver zitten.

De boeken die hij schrijft zijn de boeken van over vijftig jaar, zegt hij een paar keer. Inmiddels zijn we 43 jaar verder, maar ik geloof dat de tijd nu wel wat vaart moet gaan maken, want ik heb niet de indruk dat Krol nog enorm veel gelezen wordt.

Dat is wel heel onterecht. Het verhaal is best te volgen en tegelijkertijd wordt er in dit boek (net als bijvoorbeeld in Het gemillimeterde hoofd) diep nagedacht over de vraag wat een afbeelding precies is, wat een beschrijving. Wanneer kun je zeggen dat je iets precies beschreven hebt? Krol probeert niet alleen een roman te schrijven, hij verdient tegelijkertijd zijn geld als computerprogrammeur – iemand wiens teksten de wereld niet alleen heel nauwkeurig beschrijven maar ook veranderen.

Tegelijkertijd loopt zijn leven, ondanks al dat gebeschrijf af en toe behoorlijk uit de hand. Die gevoelens die hij zo goed kan beschrijven vormen eigenlijk een onderstroom die hij nauwelijks begrijpt; zijn gevoelens voor vrouwen heeft hij in ieder geval niet onder controle. Tegelijkertijd merk je dat van die gevoelens natuurlijk indirect toch weer alleen uit de geschriften.

En verder is Krol natuurlijk de ongekroonde koning van de beschrijving van een onderwerp dat je verder in de literatuur nauwelijks tegenkomt: dat van de kantoorbaan. Alleen in de eerste roman van Houellebecq ontdek je een soortgelijke sfeer, af en toe. Wat een schrijver!

3.1.16

Eli Maor. "e". The Story of a Number. Princeton and Oxford: Princeton University Press, 2015 (1994)

Leonhard Euler, een van de grootste wiskundigen aller tijden, was een speelse man die er niet voor terugdeinsde om in gedachten absurde paden in te slaan – zaken met elkaar te verbinden die op het oog geen enkele relatie met elkaar hebben. Met zijn kleinkind op schoot kon hij nog gaan rekenen aan de banen van Uranus of de relatie tussen de omtrek van de cirkel en rente op rente.

Hij heeft het getal e zijn naam gegeven. Dat het ook zijn initiaal was, was waarschijnlijk toeval, zegt Eli Maor in zijn geschiedenisboek over e. Euler was te bescheiden om zichzelf zo op de voorgrond te plaatsen.

Maor's boek is voorbeeldig vind ik. Het mengt op een aardige en aantrekkelijke manier 'externe' geschiedenis – de biografietjes van vooral 17e en 18-eeuwse wiskundigen met heel duidelijke en tegelijkertijd niet triviale uitleg van de fascinerende wereld die er verborgen zit achter het getal e: de vele op het oog totaal verschillende definities die je kunt geven en die allemaal tot hetzelfde leiden, de verbazingwekkende relatie met π, de prachtige logaritmische spiraal, en wie weet wat niet al.

Een van de fijne aspecten van het boek – en iets wat je zelden tegenkomt – is dat dat Maor ook zijn best doet een deel van de interne geschiedenis van de wiskunde te beschrijven: wat waren de wiskundige ideeën van Bernoulli en Euler? De inhoud ervan was natuurlijk op een bepaalde manier hetzelfde – de wiskunde is eeuwig waar, niet waar – maar Maor laat goed zien wat een verschil notatiewijzen kunnen maken, of hoe Euler zich nog een gewaagde 'slordige' omgang met het oneindige durfde verloorloven die een een moderne wiskundige niet meer zou toepassen.

Gaandeweg krijg je zo natuurlijk ook de geschiedenis van de calculus uitgelegd. Die was voor mij her en der een beetje weggezakt, maar Maors uitleg is in ieder geval voor mij precies op het juiste niveau. Over details in bewijzen wordt heengesprongen, maar zonder dat je het idee hebt dat je iets heel belangrijks mist. Wat is de wiskunde toch mooi!

Precies door die techniek word je deel van de ontdekking van de vele wonderen rondom dat vreemde getal, je voelt als het ware in ieder geval een deel van de opwinding: wat is er zo bijzonder aan 2.718281828...? Waarom lijkt er zoveel waarheid en schoonheid gegroepeerd te zijn rondom uitgerekend dat ingewikkelde getal? En over Euler zou ik ook weleens een heel boek willen lezen.

1.1.16

Adam Nicolson. The Mighty Dead. Why Homer Matters. Henry Holt & Co, 2014.

Wanneer ik ooit een cursus geef over populariseren, dan wordt The Mighty Dead verplichte stof voor de studenten – om te leren hoe het niet moet. Alles wat je kan verzinnen dat fout kan gaan, gaat fout.

Het boek begint met een soort hysterische liefdesverklaring aan Homerus. Ja, mensen, een goede popularisering laat altijd de betrokkenheid van de auteur bij zijn onderwerp zien. En Nicolson gaat zo ver om te beweren dat de Ilias en de Odyssee voor hem een soort heilige geschriften zijn. Uit die boeken, daar kun je pas het ware leven uit leren! 

Ik kan me best voorstellen dat iemand zoiets beweert, maar dan hoor je eigenlijk wel je hele boek op te hangen aan wat voor indrukwekkende zaken je allemaal zou kunnen leren uit Homerus, wat voor soort dingen het allemaal zegt, hoe prachtig mooi het allemaal is. Het boek zou eigenlijk alleen maar over de Ilias en de Odyssee gaan, in plaats van over allerlei ditjes en datjes uit de geschiedenis van het Homerus-onderzoek, en het leven van de auteur en Zeus weet wat niet al nog meer. 

De fascinatie van Nicolson lijkt bovendien vooral uit te gaan naar zijn geliefkoosde theorie dat de verhalen veel ouder zijn dan van 800 v.Chr. Meestal noemt hij 1800 v.Chr., maar op een bepaald moment laat hij zich helemaal meeslepen en suggereert hij dat je zelfs sporen van de oude Indo-Europeanen die naar Griekenland trokken kunt terugvinden – dan zitten we geloof ik nog duizenden jaren eerder. 

Ook hier laat Nicolson zich weer niet leiden door een wens te bewijzen. Mij lijkt het wetenschappelijk allemaal nogal gewaagd, om het zacht te zeggen, maar met wetenschappers gaat de auteur niet echt in gesprek. Daar komt dan nog eens bij dat je je afvraagt waarom uitgerekend zoiets zo'n boek nu zo vreselijk relevant zou maken.

En dan nog iets: het vaak heel oude onderzoek dat Nicolson wel noemt komt als ik het goed zie allemaal uit de Angelsaksische wereld. Van recentere dingen (minder dan 70 jaar oud) of van schrijvers uit andere landen heeft hij sowieso geen kennis gemaakt. Nicolsons bijbel is de Odyssee vertaald in het Engels. De traditie is die van John Keats en Chapman.

En dan is er nog de stijl. Het boek is vooral iets té leesbaar, met al die kostelijke persoonlijke anekdotes en beschrijvingen van van alles en nog wat, en dat hysterische geschreeuw. Nee jongens en meisjes, lees dit maar goed: het is een soort bijbel van hoe het niet moet.