16.5.16

Femke Halsema. Pluche. Dwarsligger, 2016

Het nadeel van grote eerlijkheid is dat mensen je leren kennen. En dat ze je dan mogelijk onsympathiek gaan vinden. 

Ik geloof dat ik dat nu met Femke Halsema heb, dat ik haar minder sympathiek ben gaan vinden. Althans, ik waardeer zeer dat ze eerlijk is, ik geloof ook dat ze eerlijk is in dit boek, en dat ze oprecht is geweest in haar politieke werk. En ze lijkt me slim.

Maar ze lijkt me niet sympathiek. Het valt bijvoorbeeld op dat ze over collega's weinig aardigs te melden heeft, vooral niet als ze horen bij andere politieke partijen en al helemaal niet als ze van andere linkse partijen zijn. De twee SP'ers die ze noemt, Jan Marijnissen en Agnes Kant, moest ze zozeer haten dat je iedere keer als je de letters SP leest, weet: nu gaat er iets minachtends komen. En voor de PvdA is het niet veel beter: Wouter Bos en Job Cohen neemt ze wat serieuzer, maar aardig vindt ze ze niet. De enige politicus van een andere partij die ze wel aardig vindt, met wie ze sms'jes uitwisselt men ga zo maar door, is Alexander Pechtold — eerlijk gezegd niet een keuze die me ineens van sympathie doet overvloeien.

(De meeste afkeer heeft ze overigens van CDA'ers, en dan vooral van Balkenende. Dat lijkt me dan weer volkomen terecht.)

Omdat ze ook over vrienden of zelfs haar man niet echt schrijft, en ook de meeste GroenLinksers niet echt tot mensen willen worden, heerst er grote eenzaamheid in dit boek. En ik krijg het gevoel dat dit vooral komt doordat de schrijfster wel erg oo zichzelf gericht is.

Daar komt bij dat je het idee hebt dat ook de politieke carrière haar niet gaat om mensen. Ze lijkt vooral bezig met haar eigen intellectuele ontwikkeling. Ze wil leren, ze wil om de een of andere reden een eigen carrière en eigen ideeën ontwikkelen. Ze kijkt neer op de andere linkse partijen omdat die zo star zijn; ze ziet niet dat dit als voordeel voor de kiezer heeft dat je weet wat je krijgt. Niet ineens steun voor een oorlog omdat dit zo goed in de ontwikkeling van de fractieleider last bijvoorbeeld. Niet ineens iemand die opstapt omdat ze er genoeg van heeft.

De schrijfster maakt, met andere woorden, een nogal narcistische indruk. Nu hebben andere politici daar vast nog meer last van, alleen zijn die dan niet zo eerlijk om zich daarover in een boek te laten kennen, Halsema valt dus te prijzen; maar aardig is ze daarmee nog niet.

14.5.16

Arnon Grunberg. Moedervlekken. Lebowski, 2016.

Op een bepaald moment krijgt Oscar Kadoke, de hoofdpersoon van de nieuwe roman van Arnon Grunberg, een dode kever als cadeautje van een patiente. Wanneer hij thuis komt met het curieuze cadeau, gooit zijn moeder, die niks van dieren in huis moet hebben, die kever snel de tuin in.

Moedervlekken is een roman over verandering, een soort Metamorphoses van de 21e eeuw, een boek waarin de hele tijd iedereen van gedaante veranderd. Kadokes vader wordt zijn moeder en vraagt als die moeder uiteindelijk dat Kadoke zelf van zoon jn vader verandert. De patiënten uit Kadokes psychiatrische nachtdienst blijken allemaal anders te zijn dan ze zich voordoen: de stabiele man blijkt een zelfmoordenaar, de automutilante wil uiteindelijk Kadokes geliefde zijn. 

Met al die veranderingen in de familiale sfeer kan iedere lezer natuurlijk bij het woord kever alleen maar denken aan Gregor Samsom. Maar waar in Kafka's verhaal de familie zich aanvankelijk nog wel enige zorgen maakt, kijkt in Grunbergs boek niemand ergens van op. Als je niet uitkijkt wordt je als kever in de tuin gemieterd. (Tegen het eind van het boek geeft Kadoke de patiente een cadeautje terug, namelijk enkele weggesneden goedaardige maar voortwoekerende moedervlekken van zijn rug.)

Er zitten meer ingenieuze literaire verwijzingen naar veranderingen in het boek. Zo wordt aan het begin verteld dat Kadoke door zijn ouders Otto genoemd is, naar Otto Frank, maar dat hij zijn naam veranderd heeft in Oscar. Ook hier denk je onwillekeurig aan een andere literair Oscar, namelijk het jongetje uit de Blechtrommel dat juist weigert te veranderen, dat wil zeggen weigert op te groeien. 

Want opgroeien is ook in Moedervlekken de grootste, de moeilijkste verandering. Kadoke gaat op in 42e weer bij zijn moeder leven, die hem als een klein kind behandelt, maar wordt door allerlei mensen juist als een vader gezien. Iedereen leunt op iedereen, niemand wil echt opgroeien.

Iedereen wil alleen maar overleven of andere mensen laten overleven. Een indrukwekkende deel vind ik waar Kadoke op een vechtsport wil en geconfronteerd wordt met een Israëlische leraar die hem enorm uitdaagt om keihard te vechten en daarbij de belediging en de verwijzingen naar de holocaust niet schuwt. "Everything that does not kill you, makes you stronger", staat er bij die leraar op de muur. "And what kills you, makes your mother stronger." 

Het lijkt me een van de samenvattingen van deze sterke roman waarin zoveel manieren om te veranderen – je aanpassen aan de ander, tot inzicht komen, overvallen door onverhoedse driften die je in jezelf niet kende – aan de orde worden gesteld, net als even zoveel manieren om altijd dezelfde te blijven.  Het is een rijk en wijs boek, het mooiste dat Grunberg tot nu toe schreef.