12.11.16

Jolande Withuis. Juliana. Vorstin in een mannenwereld. Amsterdam: De Bezige Bij, 2016.

Het is dat het deze week zo genadeloos uit de hand gelopen is met een presidentsverkiezing elders in de wereld. En het is dat ik al een republikein was. Maar anders was ik het deze week geworden, want ik heb de biografie van Koningin Juliana gelezen die Jolande Withuis onlangs publiceerde.

Het is een heel knap boek, omdat iemand die, puur door de omstandigheden, zo'n bizar leven heeft geleid, en die in bijna alle opzichten heel andere normen en waarden had dan ik, toch zo invoelbaar wordt gemaakt.  Je snapt wat ze zag in de schurk en schuinsmarcheerder Bernhard. Je snapt waarom ze bij hem bleef terwijl hij haar vrijwel doorlopend vernederde. Je snapt waarom ze haar toevlucht nam tot de meest onbegrijpelijke I . En je kunt in zekere zin ook nog mededogen met haar hebben.

Withuis maakt van Juliana een mens, juist door nadrukkelijk te laten zien dat ze verschillende kanten had, die helemaal niet altijd met elkaar in overeenstemming waren.

Terwijl je tegelijkertijd ziet dat zo'n verhaal aantoont dat het idee van de monarchie echt grote problemen heeft. Nog niet eens omdat het mensen opscheept met zo'n raar leven – Withuis maakt vrij duidelijk dat Juliana uiteindelijk toch ook echt koningin wilde zijn. Het is vooral omdat het privé-leven van een familie zo nadrukkelijk verweven raakt met de staat: dat de regering zich regelmatig moet buigen over allerlei kwesties, dat het staatshoofd allerlei meningen heeft over politieke kwesties, en dat ook de familie van dat staatshoofd zich ermee bemoeit.

Het boek geeft tegelijkertijd ook een aardige inkijk in de geschiedenis van de twintigste eeuw: de zeer langzame acceptatie van de werkende vrouw, de manier waarop Nederland met de Tweede Wereldoorlog omging, en met de Koude Oorlog, en het verdwijnen van de adel van het toneel.

Interessant vond ik de methode die Withuis hanteert. Ze had geen toegang tot de archieven van het Koninklijk Huis en heeft bijvoorbeeld ook niet met leden van de koninklijke familie gesproken. Ze had vooral voor de eerste jaren vooral beschikking over de correspondentie die Juliana met vriendinnen heeft gehad. Die bestudeert ze stilistisch en komt dan bijvoorbeeld tot de conclusie dat de toekomstige vorstin een fascinatie had voor de jolige meisjessfeer van Joop ter Heul: de onderlinge vrouwenvriendschap, de neiging tot lichte opstandigheid, het idee dat Juliana had over 'het gewone leven'; dat alles weet Withuis sterk op die manier te analyseren en eigenlijk alleen op basis van enkele stijlkenmerken.

Historici met onvoldoende bronnen worden al snel tot filologen.

6.11.16

Régis Jauffret. Cannibales. Paris: Seuil, 2016.

Hoe het geheugen werkt: toen ik las dat Régis Jauffret genomineerd was voor de Prix Goncourt van dit jaar, dacht ik dat ik toch maar eens een boek van hem moest lezen. Ik kon me vaag herinneren dat ik ooit een boek van hem gelezen had (voordat ik met dit dagboekje begon, dus heel lang geleden) dat me niet zo goed bevallen was. Maar het genomineerde boek, Cannibales, klonk wel aantrekkelijk.

Een vrouw begint een correspondentie met de moeder van haar ex. Ze kende die moeder eerder nauwelijks, en die vrouw is om begrijpelijke redenen ook wat afhoudend, maar na een aantal brieven nodigt ze de jonge vrouw uit. In dat weekeinde ontstaat een heel hechte relatie, die uitmondt in een gezamelijk plan om de man te doden. En de titel van het boek zegt genoeg over de verdere ontwikkeling.

Ja, als kort verhaaltje klinkt het aantrekkelijk, maar het is net of Jauffret het schrijven verder maar als een invuloefening heeft beschouwd. De brieven blinken wat mij betreft niet uit in stijl, in psychologie of in pogingen om het verhaal anderszins enigszins aannemelijk te maken. Het is wat mij vooral een wild verhaal, een waarbij je als lezer kennelijk moet denken: Oeioeioeioei!

Ik las onlangs de campusroman Dear Committee Members, over een docent creatief schrijven. Een van de dingen die me uit dat boek bij zullen blijven zijn de beschrijvingen die de docent geeft van het werk van zijn studenten, vooral de meer talentlozen. Die vullen hun werk voor het effect met moordpartijen, wonderlijke transformaties (een pratende panther) enzovoort. Ik heb het idee dat Régis Jauffret voor Cannibales van die docent ook niet meer dan een B+ zou krijgen.

Het gekke is, toen ik probeerde te ontdekken wat het eerdere boek van Jauffret was dat ik gelezen had, ontdekte ik dat dit Clémence Picot moet zijn geweest, een boek waarin de totale verlatenheid van een vrouw wordt opgeroepen die midden in de stad woont. Van het verhaal weet ik niet veel meer, misschien eindigt het ook wel in blood en gore, maar de uitzichtloosheid van het leven van die Clémence is me bijgebleven, maar heb ik dus niet aan Jauffrets naam geassocieerd. Zodat het mij volkomen onduidelijk is wat ik eigenlijk van het oeuvre van die man vindt.

5.11.16

Remco Campert. Compact. Amsterdam: Van Oorschot, 2016.

Nu Simon Carmiggelt, Annie M.G. Schmidt en Margo Minco aan de beurt waren geweest, mocht Remco Campert niet ontbreken in de serie Gedundrukt van Van Oorschot, waarin ieder jaar kennelijk een 'meester van de korte baan' wordt geëerd.

Helaas is de selectie, op verzoek van Campert gemaakt door zijn biograaf Mirjam van Hengel, nogal braaf uitgevallen. In de drie afdelingen, met gedichten, verhalen en columns, overheerst een licht melancholische toon en wordt vooral veel autobiografisch of quasi-autobiografisch teruggekeken op des schrijvers jonge jaren. (Althans, er gaat nogal veel over die jonge jaren. In technische zin wordt er natuurlijk niet altijd teruggekeken, omdat sommig werk in die jonge jaren geschreven is.) Er zijn verhaaltjes en gedichtjes over de kindertijd, over de jonge jaren, als jonge student.

Misschien is het omdat Van Hengel met haar onderzoek voor haar eigen boek vooral die periode heeft afgedekt en dus dat deel van het oeuvre goed kent, maar mij ging het op zeker moment een beetje vervelen. Ik had liever wat van de wat raardere, wat dwarsere, en vooral de wat grappigigere kanten van Campert gezien.

Meer dan bij eerdere deeltjes had ik bij Campert Compact het idee dat hier wel iemand heel erg gecanoniseerd werd; en dat het werk de geur van heiligheid niet kon dragen. De terloopse melancholie wordt te sterk als hij te geconcentreerd wordt opgediend.

Wat trouwens niet wil zeggen dat ik toch niet blij ben, vooral met het poëziegedeelte. Het is altijd fijn om de dichter Campert te lezen, met zijn onovertroffen achteloze parlandotoon. Hopelijk komen er snel ook nog andere verzamelingen.