29.4.04

Minimalistisch universum

{P}Brian Greene, The Elegant Universe. Superstrings, Hidden Dimensions, and the Quest for the Ultimate Theory. Vintage, 2000 (1999).

Dit is misschien wel het beste populair-wetenschappelijke boek dat ik ooit las. Nog nooit begreep ik de relativiteitstheorie zo goed als nu ik de eerste hoofdstukken gelezen heb; en de volgende hoofdstukken maakten ook de quantummechanica en zelfs die snarentheorie een stuk begrijpelijker. De laatste hoofdstukken gaan over de laatste ontwikkelingen, en maken enthousiast voor het fundamentele wetenschappelijke onderzoek, op de rand van wiskunde en empirie.

Wat maakt het boek zo goed? In de eerste plaats werkt de schrijver heel veel met metaforen. Die hebben weinig te maken met het dagelijks leven -- een belangrijk beeld is bijvoorbeeld dat van een mier dat over een bijna eindeloos lange waslijn wandelt. Toch werken die metaforen in ieder geval bij mij heel inzichtelijk, vreemd is dat: door iets onbekends te vergelijken met iets anders onbekends, krijg je toch meer inzicht.

Bovendien is de stijl van het boek zo goed dat ik de eerste helft van het boek ervan overtuigd was dat dit een ervaren wetenschapsjournalist te zijn. Maar in de tweede helft blijkt Greene een vooraanstaand onderzoeker. Dat blijkt doordat hij vertelt over hoe hijzelf het opwindende gevoel heeft gehad kleine doorbraken te bewerkstelligen, niet doordat de tweede helft veel duisterder wordt. Overigens wordt een en ander naar het eind toe wel wat moeilijker te volgen, maar in grote lijnen heb ik nu toch een idee gekregen waar die natuurkundejongens mee bezig zijn.

Als ik zelf zo'n jongen was, zou ik misschien ook wel supersnaartheorie willen doen. Mij spreekt die grote abstractie wel aan, en ik zou denk ik niet aan de kant staan van de mensen die alleen aan zo'n theorie willen werken als er onmiddellijk empirische voorspellingen zijn. Het geheel heeft ook wel wat van het minimalistisch programma in de syntaxis: het is gebaseerd op de gedachte dat onze wereld bij de uiteindelijke analyse wel eenvoudig en elegant móét zijn.

12.4.04

O, hoed u voor jaloezie

{p} William Shakespeare. Othello. Vertaald en van commentaar voorzien door Hafid Bouazza. Amsterdam, Prometheus, 2003.

Dit is heel duidelijk de Othello van één persoon, van H. Bouazza. Hij heeft de tekst vertaald en gelardeerd met extra verwijzingen naar de Arabische cultuur van Othello, en her en der wat klassieke Arabische gedichten ingevoegd. Nou goed, daarvan zou je nog kunnen zeggen dat het een bepaald aspect van dit stuk wat meer belicht, en het stuk wat meer laat gaan over de multiculturele maatschappij. Maar tegelijkertijd is de vertaling een essay over de opera Otello van Verdi; regelmatig wordt naar dit stuk verwezen in voetnoten, maar ik zie niet dat dit iets te maken heeft met de Arabische cultuur. Ook staat ergens, op niets af, ineens een verwijzing naar een stripverhaal (Lucky Luke). Als dit allemaal ingebed zou zijn in nog veel meer verwijzingen naar van alles en nog wat, zou het een encyclopedie zijn. Maar bij het bovenstaande blijft het zo'n beetje.

Ik vind dat overigens helemaal niet erg, het heeft wel iets aardigs om zo'n stuk door de ogen van een persoon te zien. De combinatie van vertaling en essay werkt heel goed, en bovendien leest de vertaling op zich prettig.

Vreemd is wel dat op de flap staat dat Iago wraak neemt op Othello omdat hij ervoor verantwoordelijk is dat Iago een benoeming tot luitenant misloopt. Bouazza's verklaring is veel genuanceerder, en komt er onder andere op neer dat Iago zelf ook een vreemdeling (een Spanjaard) is, die het niet kan verdragen dat Othello zo succesvol is. Dat maakt hij ook wel aannemelijk, vind ik.

9.4.04

Tiep... tiep... tiep...

{r} Ja, Het Bureau. Als hoorspel. Misschien heeft het verhaal op deze manier zowaar zijn perfecte vorm gevonden: hoewel Maarten de hoofdpersoon is en blijft, wordt er op deze manier wel iets meer afstand tot dit mannetje gecreëerd en dat maakt de zaak er wat dragelijker op, je voelt niet zo dat je de hele tijd geacht wordt uitgerekend met hem te sympathiseren. Bovendien proberen ze het 'tijdsbeeld' in geluiden te vangen, en dat is aardig. Meneer Beerta vinden sommige bezoekers van de website overdreven geaffecteerd, maar ik vind hem wel fraai.

Af en toe is het wel een echt hoorspel, dat is jammer. Op een bepaald moment in de eerste vijf afleveringen moet Maarten een Brief tiepen. Je hoort hem die brief voorlezen en ondertussen hoor je een tikmachine, maar die gaat heel langzaam: tiep... tiep... tiep. Als de hele brief is voorgelezen, kan de machine alleen nog maar de aanhef getikt hebben. Hoe zit dat? vraagt deze luisteraar zich dan af.

De moderne moord

{p} Connie Palmen. Iets wat niet bloeden kan. Over moord en roem, echt en onecht. Stichting Maand van de Filosofie, 2004.

Bijna alle Nederlandse schrijvers schrijven romans. Dat is ook op de een of andere manier het genre met het meeste aanzien. Maar volgens mij zouden sommige schrijvers zich veel beter aan andere genres kunnen wijden. Het genre van Connie Palmen is bijvoorbeeld het autobiografische essay, wat mij betreft: van haar romans houd ik niet zo, maar dit boekje vind ik prachtig.

Palmen probeert te komen tot een 'filosofie van de moderne moord': wat bewoog de moordenaars op P. Fortuyn, J. Lennon en Versace, en haar eigen Duitse fan die haar bekende dat hij haar eigenlijk ook zou willen vermoorden? Volgens haar konden ze werkelijkheid en imago niet goed door elkaar halen: het beroemde object van de onverdeelde aandacht van de moordenaar was alleen een symbool, geen mens van vlees en bloed. Een fan moet normaal gesproken accepteren dat de relatie met het idool eenrichtingsverkeer is; een moordenaar kan dit niet accepteren.

Er zitten wel allerlei losse draadjes in het betoog en de stijl is ook niet verbluffend, maar toch is het een goed boekje, vol aardige gedachten. Het zet ook wel aan het denken. Ik bedacht zelf bijvoorbeeld dat de focus van Palmen wel erg bij de roem ligt (maar dat is dan ook geloof ik een obsessie van haar) en bij het feit dat nu juist 'beroemde' mensen worden gezien als 'iets wat niet bloeden kwam'. Maar volgens mij ziet iedereen bijna al zijn medeburgers als 'decor' van het leven, niet als echte mensen. In ieder geval in de stad: als je iedere mens die je ontmoet zou zien als een mens die je ontmoet, werd je gek. Toch gaan veel mensen hierin wel heel ver: je laat ze passeren, houdt de deur voor ze open, en ze kijken je niet eens aan. Maar misschien is dat dan wel weer mijn obsessie, vooral na vannacht (om vier uur werd ik wakker omdat iemand aan de deur stond te morrelen, toen ik naar hem riep dat hij op moest donderen, wees hij me erop dat ik dat ook 'netjes kon vragen' -- en ik ben niet eens beroemd!)