16.1.05

Moses Isegawa. Voorbedachte daden.

Moses Isegawa. Voorbedachte daden. Amsterdam: De Bezige Bij, 2004.

Als dit boek niet op een tekstverwerker geschreven is, eet ik het op. Het is veel te lang. Het begint enorm intrigerend, over een vijftigjarige Oegandese asielzoeker, Dismas Moesigoela, die uit woede over het bestaan van AIDS -- waarvan hij op gezag van een nonfictieboek aanneemt dat het een westerse uitvinding is -- allerlei westerse onderzoeksinstellingen in de brand steekt, met een autochtone kompaan. Maar na verloop van tijd besluit die kompaan dat hij iets anders gaat doen, en dan zakt het boek in elkaar. Om de een of andere reden houdt Moesigoela het dan namelijk ook voor gezien, niet alleen met dingen in de brand steken, maar ook met zich boos maken over AIDS -- of beter over de ziekte die in het boek 'de Regelaar' genoemd wordt. Tot hij op het eind ineens weer heel heftig in actie komt. Ondertussen heeft hij zich wel druk gemaakt over een hele reeks ongesorteerde andere problemen: het treinverkeer, het asielbeleid, het gedrag van de politie tegenover zwarten, de files. Een andere eigenschap van Voorbedachte daden: dat het bestaat uit een mengeling van verzonnen en reële namen. AIDS heet de Regelaar, Nederland heet Pingeland, Beverwijk heet Bevert, maar om de een of andere reden heet Haarlem dan weer Haarlem, Amsterdam Amsterdam, Rotterdam Rotterdam, Den Haag Den Haag. Moesigoela spreekt ook niet over asielzoekers, maar over proteïnezoekers, maar ik heb geen idee waarom dat zo is. Proteïne?

Qua toon doet het boek me wel denken aan veel recente Franse literatuur, over eenzame figuren in de grote stad die gaandeweg voor zichzelf de meest eigenaardige theorieën opzetten, en daar ook naar gaan handelen. Dat is een interessante verrijking van wat je zoal in het Nederlands leest, en ik heb het boek ook helemaal uitgelezen. Het geeft hoe dan ook een kijkje op de Nederlandse samenleving vanuit een standpunt dat zelden aan de orde komt: dat van de Afrikaanse asielzoeker die zijn ogen niet in zijn ogen heeft zitten en slim is en kritisch. Maar er hadden honderd bladzijden uitgekund.

15.1.05

H.M. van Randwijk. Burgers in nood.

H.M. van Randwijk. Burgers in nood. Nijkerk: Callenbach, 1936.

70 jaar geleden moet dit boek een enorm succes geweest zijn: twintigduizend exemplaren zijn er toen van verkocht, als ik het goed heb opgezocht. Dit jaar ben ik misschien wel de enige (of de eerste) die het gelezen heeft. En dat dan nog niet eens helemaal, want uiteindelijk boeide me het toch niet genoeg: na ongeveer driekwart heb ik het een paar weken geleden opgegeven, en inmiddels ziet het ernaaruit dat ik er niet verder in zal komen.

Als historisch en literatuurhistorisch document is het nog best aardig. De depressie van de tijdgeest die in dit boek wordt uitgedrukt, stelt de depressie van onze huidige tijd duidelijk in de schaduw. In Burgers in nood voelt niemand zich goed: de werkelozen natuurlijk niet, maar de werkenden ook niet, omdat ze altijd bang zijn dat ze nog eens ontslagen worden, en de bazen evenmin, omdat ze mensen moeten ontslaan en hun bedrijven te gronde zien gaan. Hoewel de hoofdpersonen christelijk zijn, vinden ze ook bij God nauwelijks trots (tenzij dat op het eind van het boek zou komen, maar dat lijkt me ongeloofwaardig.) Literatuurhistorisch is het interessant, stel ik me voor, omdat de stijl en de personages zo duidelijk van de vroege jaren dertig zijn: goudeerlijke, knoestige mannen die af en toe een heus weleens iets zeggen of doen dat niet helemaal goed is, maar die het allemaal toch heus best menen. Zoals je ze bij Heijermans vond, maar eerder ook al in sommige verhalen van Couperus. Die mannen zijn helemaal uit de literatuur verdwenen. Waarom? Zoals ook de bijbehorende stijl ('De volgende dat ontbreekt Peters op het kantoor. De stempelaars missen hem. Je raakt langzamerhand aan je eigen menschen gewend. Wat er toch aan zou schelen, meneer Masborg? Maar die snauwt, dat ze zooiets maar aan hun kameraden vragen moeten.') Waarom was dit vroeger de stijl van massaliteratuur, en nu niet meer?

3.1.05

Tore Janson. Latijn. Cultuur, geschiedenis en taal

Tore Janson. Latijn. Cultuur, geschiedenis en taal. Amsterdam: AUP/Salomé, 2004.
Tore Janson vond de Romeinen, en trouwens de meeste mensen, vreselijk, maar het Latijn vindt hij prachtig. Hij schrijft zo enthousiast over de geschiedenis van die verschrikkelijke lui van het heden tot ergens in de zeventiende eeuw, dat je zin krijgt om weer wat gedichten van ze te lezen. Wat dan weer jammer is: dat hij de hele tijd tussendoor je allerlei Latijn wil aanleren, dat hij bij elk woord dat hij tegenkomt, even stilstaat om uit te leggen wat het betekent (femina betekent 'vrouw', dames en heren) en welke woorden in Europese talen er allemaal mee verwant zijn (femme, femininistisch, feminien). De zin van het derde hoofdstuk, waarin enkele grammaticale regels van het Latijn op een rijtje worden gezet, ontgaat me zelfs volledig: dat is een taai, heel schools stuk, waarin nauwelijks moeite wordt gedaan om een en ander aantrekkelijk te maken. Janson schrijft beter over de mensen die hij verafschuwt dan van de taal waarvan hij zoveel houdt.

1.1.05

Christian Gailly. Dernier amour.

Christian Gailly. Dernier amour. Paris: Les éditions de minuit, 2004.

Een componist weet dat hij binnen een paar dagen gaat sterven. Hij woont de wereldpremière van zijn laatste strijkkwartet bij, maar het publiek wordt boos over zoveel gevoelloosheid, en begint om Beethoven te roepen. De volgende dag trekt hij zich terug in de villa van hemzelf en zijn vrouw. Hij heeft zijn vrouw zijn dood willen besparen, maar nu komt hij nog een andere vrouw tegen, een getrouwde vrouw, een jazz-zangeres. Zij wordt zijn laatste liefde.

Wat een verschrikkelijk boek. Het is pretentieus in zijn nietpretentieusheid, in het contact met de echte gevoelens die het maakt (jazz tegenover dorre modern-klassieke muziek), met een soort idee over de liefde dat je ook in Franse films uit de jaren zestig zoveel ziet: het bestaat uit het eindeloos praten, in allerlei halfbakken metaforen die de diepzinnigheid van je gevoelens moeten suggereren. En dit alles geschreven in een stijl die helemaal bij zo'n boekje past: met zinnen die al kort zijn en bovendien in stukken worden gehakt door eindeloos veel punten. ('La mer c'est l'océan qu'on entend maintenant. En pleine puissance sonore. La violence de la lumnière ne fait que rendre ce vacarme encore plus assourdissant.') Je wordt er kortademig van, nee, je krijgt de neiging om te roepen: 'Beethoven! Beethoven!'