30.4.05

Mark Boog. De helft van liefde. Amsterdam: Cossee, 2005.

Nadat ik zijn vorige boeken gelezen had, heb ik in Neder-L een stukje geschreven om uit te leggen waarom ik Mark Boog bewonder, maar De helft van liefde is niet zijn beste boek. Dat komt doordat er een vrouw in voorkomt. Die vrouw is volgens de flaptekst 'zo nuchter als brood' en dat bederft de pret.

Net als in zijn eerdere romans is de hoofdpersoon die in zijn eigen hoofd zit opgesloten, nee, laten we maar gerust zeggen, aan wie een steekje loszit. In dit geval gaat het om de lijstenmaker Mannes Delft, die (waarschijnlijk) een dochtertje verzonnen heeft, haar daarna heeft laten sterven in een auto-ongeluk, en nu in de rouwperiode die erop volgt zijn vrouw dreigt kwijt te raken. Mannes is een volkomen geobsedeerde figuur, die in archaïsche zinnen in zichzelf praat en met anderen voornamelijk communiceert in de vorm van lange monologen:

«'Ja!' begon hij zodra de gelegenheid zich voordeed. 'Daar zegt u wat. Nut. Niet, zelfs nooit, uit het oog verliezen, zelfs al neigt het oog —lui, gemakzuchtig, hedonistisch als het is — naar schoonheid, zelfs al wil het voortdurend afdwalen. Roep het tot de orde! Schoonheid is niets bijzonders. U zult dat misschien niet met me eens zijn, of juist wel, maar het is toch zo. Schoonheid is niets bijzonders. Nut wel. Ik heb — en ik ben hierin geen uitzondering, vermoed ik — mooie momenten gekend in mijn toch waardeloze leven, redelijk veel zelfs, maar geen nuttige. Hieruit volgt weliswaar dat mijn leven mislukt is, maar dat is geen reden om de feiten niet onder ogen te zien. Zonder de feiten zijn we nergens.»

In de vorige boeken kwam eigenlijk alleen de raaskaller aan het woord, maar De helft van liefde is een klassiekere roman, en hier komt voor de helft de vrouw van Mannes aan het woord (die ook nog Femke heet - de man heet Mannes, de vrouw Femke, voel u hem?). Omdat die vrouw zo nuchter is, zijn die passages nogal saai, en wat mij betreft ook nogal overbodig. Nou ja, helemaal nuchter is ze niet, maar dat dan toch vooral omdat ze zich door Mannes heeft laten meeslepen. Zelf zal ze zich niet aan dit soort erupties wagen. De helft van liefde is daarmee maar voor de helft een geslaagd boek.

28.4.05

Philip Roth. The dying animal. Londen: Vintage, 2002 (2001).

Boeken over relaties tussen oudere intellectuele zestigers en meisjes van in de twintig zijn een kleine wereldwijde trend — neem mij nu, ik heb al boeken over dit onderwerp gelezen van onder andere Krabbé en Coetzee. Ook in The dying animal is het weer raak: een kunstcriticus en docent van 62 krijgt een verhouding met een meisje van 24. Hoewel de man al veel verhoudingen met studentes heeft gehad, raakt hij nu toch in de problemen want hij wordt, jawel, verliefd. Tijdens de eerste 100 bladzijden — van de 160 die het boekje telt — dacht ik: ja, dat thema dat kennen we nog wel. Bovendien kan de verteller die immers ook leraar is nogal uitwijden over al zijn theorieën over de ontwikkeling van de vrouwelijke seksualiteit in de twintigste eeuw en aanverwante thema's. Het is dan ook niet echt een roman: het is een novelle, er is een man aan het woord over het leve en over zijn grote liefde, de jonge, mooie Cubaanse Consuela. Maar in de laatste bladzijden pakt die Roth je toch weer beet, als door een onverwachte ontwikkeling niet alleen de man in zo'n relatie de dying animal blijkt te zijn, maar zelfs zo'n prachtige vrouw mogelijk niet bestand blijkt tegen het altijd maar naderende einde.

Eerder las ik van Roth (o.a.) The plot against America.

Citaat: «The great biological joke on people is that you are intimate before you know anything about the other person. In the initial moment you understand everything. You are drawn to each other's surface initially, but you also intuit the fullest dimension. And the attraction doesn't have to be equivalent: she's attracted to one thing, you to the other. It's surface, it's curiosity, but then, boom, the dimension. It's nice that she is from Cuba, it's nice that her grandmother was this and her grandfather was that, it's nice that I play the piano and own a Kafka manuscript, but all this is merely a detour on the way to getting where we are going.» (p. 15-16; het mooie van dit boek is dat al deze dingen die nu zo onbeduidend lijken, later, als de hele affaire is afgelopen en de geliefden elkaar toch weer ontmoeten ineens wel belangrijk blijken.)

27.4.05

Amélie Nothomb. Stupeur et tremblements. Paris: Albin Michel, 1999.

Met angst en beven dienen Japanners zich traditioneel tot hun bovengeschikten te wenden, maar angst en beven zijn Amélie, de vertelster in dit boek, niet gegeven. Ze gaat in de vroege jaren negentig, toen wij allen jonge twintigers waren, werken bij een Japans bedrijf. Daar wordt ze stelselmatig gekleineerd. Het begint er al mee dat haar eerste baas haar de opdracht geeft om een brief te schrijven aan Adam Smith, dat de golfwedstrijd van zaterdag niet doorgaat. Wie Adam Smith is en in welke verhouding hij staat tot de opdrachtgever, vertelt hij er niet bij. Dus schrijft Amélie vol overgave de ene na de andere versie van de brief: een zakelijke, een romantisch-smachtende, enzovoort. Iedere brief wordt onmiddellijk door de baas verscheurd -- zonder dat hij erbij zegt waarom hij niet deugt. Uiteindelijk krijgt Amélie de taak om de toiletten op haar verdieping te onderhouden, voor iets anders houdt men zo'n vlerk niet geschikt. Ze heeft dan ook al een aantal vreemde, Nothomb-achtige dingen gedaan (zich midden met prullen uit de prullenbak overgoten nadat ze enkele slapeloze nachten heeft geprobeerd boekhoudkundig werk te doen) en ze schikt zich ook weer eigenzinnig in haar lot, in afwachting van het moment dat haar eenjaarlijkse contract is afgelopen en ze met opgeheven hoofd ontslag kan nemen door te beweren dat dit werk haar boven de macht gaat. Bij tijd en wijlen is dit boek enorm grappig -- al staan er soms wel wat lange passages in over de Japanse cultuur, en voel ik me in het algemeen altijd wat ongemakkelijk bij zo'n scherpe satire op een cultuur die de mijne niet is.

Eerder heb ik van dezelfde schrijfster Biographie de la faim had gelezen.

10.4.05

Piet Gerbrandy. Drievuldig, feilloos, vals. Amsterdam: Meulenhoff, 2005.

Waarom eraan begonnen: Een paar jaar geleden las ik een gedicht van Piet Gerbrandy in een bundel gedichten over taal; ik vond dat toen een van de beste gedichten in die bundel, zoals ik natuurlijk ook schreef. Dat gedicht staat nu ook in drievuldig, feilloos, vals en het paste er ook uitstekend in.

Wat: Volgens mij schrijft Piet Gerbrandy klassieke gedichten. Ik weet niet of iemand anders dat ook ooit is opgevallen, maar volgens mij lijkt hij – ondanks zijn uitgesproken voorkeur voor het grootse en het ruwe, voor Homeros en Lucebert - nog het meest op Horatius. Vrijwel alle gedichten hebben een vrij strakke vorm, zij het een ongebruikelijke of zelfbedachte: een gedicht ('Fris klateren struise struikharige nimfen') heeft bijvoorbeeld verzen van telkens vier regels waarvan de derde en de vierde iets inspringen. Bovendien heeft ook de bundel als geheel een heel strakke opbouw: drie afdelingen met ieder precies 23 gedichten, en onder elk gedicht staat een 'bodem', een eenregelig citaat van een andere dichter - waaronder Horatius (niue candidum - wit van de sneeuw). Ik moet erbij zeggen dat dit citaat van Horatius een van de weinige was die ik zonder de toelichting achterin herkende; ik ben wel een liefhebber, wil ik maar zeggen.

Er is nog een andere overeenkomst: zoals je bij Horatius (en soortgelijke klassieke dichters hoor, ik wil het niet allemaal aan deze ene hangen) het idee krijgt dat ze een geheel nieuwe, kunstmatige taal creëren die gebruik maakt van de weerbarstisge schoonheid van de moedertaal, maar deze ook helemaal verdraait, tot diep in de wouden van de ongrammaticaliteit, zo krijg je dat idee ook bij Gerbrandy. Het Nederlands is natuurlijk een heel andere taal, en daarom pakt het allemaal wat anders uit. Ik heb geloof ik zelden zoveel medeklinkergroepen en zelden zoveel eenlettergrepige woorden bij elkaar gezien als in deze bundel.

Citaat:

Deze avond nog wil ik

woelen we boeken gezever gedenk dode
lijnen maar morgen drinken we bieren.

Mijn wolvenkind nu het stormt in je
oor nu je sponning zo rinkelt o spin je
schering dan weef ik een lierzang

om vlagen te vangen de blaker te voeden
om langzame duurzame regens.

Nog jagen we samen op schaapvlees
op zwetende haardvacht op

stilling maar luister
kind morgen drinken we bieren.

2.4.05

Nick Hornby. The polysyllabic spree

Nick Hornby. The polysyllabic spree. San Francisco: Believer Books, 2004.

Waarom eraan begonnen: Nick Hornby is een schrijver van amusante romans: About a boy, High fidelity en How to be good heb ik de afgelopen jaren gelezen en allemaal met plezier. Dit is een boek over lezen, en ik houd van lezen. Het is zoiets als dit weblog, maar dan beter. Het inspireert me in ieder geval om hier voortaan beter mijn best op te doen op deze rubriek; ook omdat ik begin te merken dat ze gelezen worden. Wat gaan we nu krijgen! Om te beginnen er wat structuur in aan te brengen — al is dat dan ook niet rechtstreeks door deze stukjes geïnspireerd, want die hebben niet zo'n structuur. Wat is het toch leuk om te lezen — toch wel bijna het leukste wat er is.

Wat: The polysyllabic spree is een verzameling maandelijkse columns die Hornby in 2003 en 2004 schreef voor het Amerikaanse tijdschrift The Believer. Elke maand beschrijft Hornby welke boeken hij gekocht, en welke hij gelezen heeft.

Er zijn schrijvers die zich erop laten voorstaan nooit een boek te lezen, of nooit een roman te lezen, of nooit een roman van tijdgenoten te lezen. Dat soort schrijvers, daar houd ik niet zo van. 'Een taartenbakker eet ook nooit taart', heeft Harry Mulisch geloof ik weleens gezegd, maar dat is natuurlijk onzin: een goede taartenbakker gaat elke taartenwinkel binnen die hij tegenkomt, lijkt mij. Een goede taartenbakker eet alleen zijn eigen taarten misschien niet, maar dat is iets anders. Hornby is een taartenbakker die echt van taarten houdt.

En dit boek is zo goed, zo grappig! Ik heb het grotendeels in het vliegtuig gelezen — tijdens een vlucht van Amsterdam naar Genève heb je het allemaal gelezen. Naast me werd een man niet helemaal goed, maar ik moest hardop lachen.

Het mooiste boek dat Hornby gelezen heeft in het jaar dat hij beschrijft: David Copperfield. Dat is ook al zo'n aardig aspect van dit boek. Hij laat duidelijk merken dat hij Charles Dickens een van de beste Engelse schrijvers aller tijden vindt, maar hij schaamt zich er niet voor om op te schrijven dat hij dat boek nog nooit eerder las. Ik heb geloof ik ook nog nooit een boek van Dickens helemaal uitgelezen, laat ik dat dan ook maar opbiechten — en proberen binnenkort maar eens aan David Copperfield te beginnen. Merkwaardig is wel dat hij alleen maar boeken in het Engels lijkt te lezen. Zelfs vertalingen ben ik geloof ik niet tegengekomen. Misschien zou hij dat dan toch ook eens moeten proberen.

Citaten:

«Being a reader is sort of like being president, except reading involves fewer state dinners, usually. You have this agenda you want to get through, but you get distracted by life events, e.g. books arriving in the mail/World War III, and you are temporarily deflected from your chosen path.»

Over de redactie van The Believer (deze redactie noemt hij The polysyllabic spree en een running gag is dat hij ze als een sekte beschrijft):

«The Spree all live together in Believer Towers, high up in the hills somewhere; they spend their days reading Montaigne's essays aloud to each other (and laughing ostentatiously at the funny bits), shooting at people who own TV sets, and mourning the death of every single writer since the Gawain-Poet, in chronological order. When I first met them, they'd got up to Gerard Manley Hopkins. (...) I was impressed by their seriousness, and their progressive sexual relationships, but they really did 't seem like my kind of people.

And yet here we are, still. I'm beginning to see through the white robes to the people beneath, as it were, and they're really not so bad, once you get past the incense, the vegan food, and the communal showers.»