26.11.06

Amos Oz.De derde toestand. Amsterdam: De Bezige Bij, 2006 (Hamatsav hasjlisji, 1991).

Fima is een man van middelbare leeftijd die ook niet weet wat hij met zijn leven moet. Hij heeft een baantje in een abortuskliniek, maar dat is eigenlijk ver onder zijn niveau. Hij schrijft stukjes voor de krant, maar dat is ook ver onder zijn niveau. Hij rommelt wat met vrouwen, met de vrouw van zijn beste vriend bijvoorbeeld, maar, ach, hij zou zoveel beter kunnen. Ooit was hij veelbelovend, een dichter, een vrouwenverslinder, en moet je hem nu eens zien, zijn vrienden en zijn ex-vrouw en zijn vader vooral tot last, nooit in staat contant te betalen, wonend in een huis waar vooral de chaos lijkt te heersen. Aan het eind van het boek gaat de vader dood, en is Fima ineens in goede doen, maar je weet: dit komt toch nooit meer goed.

Waarom zou je zo'n boek lezen? Dat vraag je je de eerste honderd bladzijden af. Maar gaandeweg word je door die persoon, door die Fima, gegrepen, en vooral door de enorme suggestie van werkelijkheid en echtheid die van het boek uitgaat: bijna niet te geloven dat zo'n complete en complexe persoon voortkomt uit het hoofd van weer een andere complete en ongetwijfeld ook complexe persoon. De laatste vijftig bladzijden begin je je treurig te voelen dat je afscheid moet nemen van die rare, ongemakkelijke Fima.

23.11.06

Gerrit Krol. Beitelen aan de eeuwigheid. Essays. Amsterdam: Em. Querido, 2006.

Gelukkig publiceert Gerrit Krol nog af en toe boeken, al heeft hij een tijdje aangekondigd dat hij niet meer schrijven kan vanwege Parkinson. Beitelen aan de eeuwigheid bevat essays die grotendeels eerder in de krant zijn verschenen, over Krols lievelingsonderwerpen: de relatie tussen alfa- en betakennis, de doodstraf, de wiskunde. Krol is al heel lang een van mijn favoriete hedendaagse Nederlandse schrijvers — hier schreef ik eerder over Rondo Veneziano en De schrijver, zijn schaamte en zijn spiegels en elders over Het gemillimeterde hoofd (en in datzelfde stukje over 60.000 uur. De stijl is in deze essays dezelfde, de manier van redeneren ook. De wiskunde is af en toe nog steeds even onzinnig als in eerder werk, maar het gaat natuurlijk ook helemaal niet om de wiskunde, het gaat om de stijl, om die krakend-witte stijl. Als ik met pen schrijf op papier, schrijf ik graag op ruitjespapier, met kleine vierkante ruitjes. Het werk van Krol is op zulk papier geschreven, beter kan ik het niet uitdrukken:

Het strikken van veters. Zo'n nederige, laag-bij-de-grondse activiteit — geen mens die er geen ervaring mee heeft. De meesten zullen zich de eerste keer niet herinneren. Ik wel. Op het schoolplein. Dat was toen een van mijn veters loszat en ik hem niet kon strikken omdat, zo bekende ik, mijn moeder dat altijd voor me deed. Zodat ik flink werd uitgelachen.

Gezeten op de stoeprand, naast elkaar, zodat wij er hetzelfde oog op hadden, deed een vriendje het mij voor. Ik keek toe, en hij keek toe toen ik het zelf probeerde. Als ik mij nu realiseer hoe ingewikkeld die reeks van handelingen is, met al die vingers, begrijp ik niet hoe ik het kunstje toen toch na een paar keer onder de knie had. Zonder handleiding. Handigheid zit vaak in je vingers, meer dan in je hoofd en daarom is het kennis-die-in-je-vingers-zit; het zijn je vingers die het weten.

20.11.06

Frank Furedi. Waar zijn de intellectuelen? Amsterdam: Meulenhoff, 2006.

Vroeger, ja, vroeger toen had je nog echte intellectuelen. Concrete voorbeelden geeft Frank Furedi er niet van in zijn boek Waar zijn de intellectuelen?, maar in ieder geval zijn ze er volgens hem geweest. Tegenwoordig heb je eigenlijk alleen nog maar professionals, die tussen negen en vijf hoofdarbeid verrichten. Zoals de hele maatschappij trouwens er almaar dommer op is geworden: de universiteiten en de politiek bijvoorbeeld, waar men het inmiddels tot het hoogste doel is gaan rekenen dat de studenten, respectievelijk de kiezers, maar een beetje tevreden zijn.

Tja. Ik houd niet zo van dit soort verhalen waarin maar wordt beweerd dat vroeger, ja vroeger alles zo prachtig was en dat we nu tenonder gaan in verloedering. Vooral als de auteur op geen enkele manier bijvoorbeeld met cijfers of anderssoortige argumenten anders dan de eigen retorica probeert aan te tonen dat er inderdaad iets aan de hand is. Toch heb ik dit boekje uiteindelijk uitgelezen: de bureaucratisering van de universiteit, de stupiditeit van de televisie, het onvermogen van de politiek om belangrijk te zijn, dat zijn uiteindelijk toch thema's die me interesseren.

16.11.06

Bill Buford. Heat. An Amateur's Adventures as Kitchen Slave, Line Cook, Pasta-Maker, [...]. New York: Alfred A. Knopf, 2006.

Bill Buford was een succesvolle schrijver en journalist, maar hij wilde leren koken. Daarom meldde hij zich eerst aan bij de keuken van de gevierde chefkok Mario Batali in New York en later bij de al even gevierde Toscaanse slager Dario Cecchini. Aan het eind van het boek zegt Batali tegen hem dat hij wel een eigen restaurant zou kunnen beginnen — maar toch is Buford kennelijk weer gaan schrijven.

Hoe gaat het eraan toe in een professionele keuken? Hoe leven mensen die leven voor het lekkere eten? Dat zijn mooie onderwerpen om over te schrijven, en Buford, die voor de New Yorker werkt, weet ook heus wel hoe hij een boek moet vullen.

Toch viel Heat me alles bij elkaar een beetje tegen. Er zit wat weinig structuur in: de ervaringen in de keuken en de slagerij en de biografieën van de chefkok en de slager worden op elkaar gestapeld. En je voelt wat weinig van de passie die al die keukenslaven drijft. Het komt allemaal misschien doordat Buford zichzelf wel erg buiten beeld houdt: hij vertelt wel wat over zijn ervaringen in de pastakeuken, hij verhaalt wel over hoe hij zelf een varken helemaal uit elkaar sleutelt, en af en toe krijg je ook wel even zijn vrouw te zien; maar waarom iemand nu precies van schrijver tot kok wil worden en wat er nu precies zo aantrekkelijk is aan een goedgemaakte maaltijd, daar had hij wel wat meer over mogen vertellen.

6.11.06

Amélie Nothomb. Journal d'Hirondelle. Paris: Albin Michel, 2006.

Een huurmoordenaar verandert in een lustmoordenaar: waar hij eerder niet in staat was om iets te voelen, krijgt hij zijn erotische gevoelens terug door zijn werk, en als hij niet kan werken, door dan maar willekeurige mensen neer te schieten. Nooit wordt je zo intiem met iemand als in het uur van haar dood. Hij heeft ook een geheime fantasie: dat er ook vrouwelijke huurmoordenaars zijn. Op een dag krijgt hij de opdracht een familie uit te roeien, maar op het moment dat hij de vader bereikt, die in bad zit, is hij er getuige van dat de man door zijn dochter wordt bedreigd en uiteindelijk gedood omdat hij haar dagboek gestolen heeft. De huurmoordenaar schiet de dochter neer, maar wordt vervolgens door haar (die hij Zwaluw noemt) en haar dagboek (dat hij aantreft in de aktentas die hij moest stelen) volkomen geobsedeerd. Zijn opdrachtgevers zitten ook achter dat dagboek aan, en daarom besluit hij het uiteindelijk op te eten; hij zal eraan doodgaan.

Ieder jaar publiceert Amélie Nothomb een boek en bijna ieder jaar lees ik het — eerder schreef ik hier over Stupeurs en tremblements en Biographie de la faim. Het zijn korte, maar volkomen geobsedeerde boekjes waarin de dood en de liefde een belangrijke rol spelen. Het zijn eigenlijk meer korte verhalen, maar ze zitten goed in elkaar en ik lees ze met plezier. Dat geldt ook weer voor Journal d'Hirondelle: mooi boekje, met een paar fraaie formuleringen en bizarre gedachten. Je leest het in een zondagmiddag uit: een mooie zondagmiddag.