21.9.07

Marguerite Yourcenar. Mémoires d'Hadrien. Paris: Gallimard, 2005 (1951).

De oude keizer Hadrianus is de zestig gepasseerd en voelt de dood naderen. Hij schrijft een lange brief aan zijn geadopteerde zoon Marcus Aurelius waarin hij zijn leven beschrijft. Die brief is dit boek, het meesterwerk van de Belgisch-Franse schrijfster Yourcenar.

Yourcenar zag een overeenkomst tussen Hadrianus' tijd en de hare: de mensen geloofden in de tweede eeuw niet meer echt in de klassieke goden, maar ook nog niet echt in het christendom. De mens was op zichzelf aangewezen, net als de mens na de Eerste (en Tweede) Wereldoorlog.

De lezer aan het begin van de eenentwintigste eeuw valt nog een overeenkomst op: de discussie over de multiculturele samenleving. Dat was voor Hadrianus duidelijk een ideaal. Hij wilde dat alle geloven en culturen een eigen plaats konden krijgen in zijn grote Romeinse rijk, en maakt er in Yourcenars boek ook af en toe trots gewag van dat dit is gelukt. Hij is dan ook een man die de mens liefheeft, die trots is op de menselijke maat die de klassieke culturen aan alle dingen geven, die kan genieten van alle kunstwerken die de mens in zijn ware gedaante afbeelden.

Maar met al zijn mensenliefde maakt Hadrianus in dit boek vooral een eenzame indruk. Dat komt onder andere doordat er in het hele boek nooit iemand iets tegen iemand anders zegt, althans de directe rede wordt nooit gebruikt, en ook de indirecte rede eigenlijk niet. Hooguit krijg je een heel abstracte samenvatting van een bijeenkomst die wel een gesprek moet zijn geweest. En zelfs met die gesprekken is vaak iets vreemds aan de hand. Over de eerste keer dat Hadrianus de liefde van zijn leven, de jonge Griek Antinous ontmoet, meldt hij alleen dat hij diens Griekse accent zo opvallend vond. Het menselijke contact is vooral vorm en geen inhoud; daarmee lijkt Hadrianus me nogal een contactarme man, iemand die liever las dan praatte, iemand die niet veel echt van mens tot mens sprak, al was het maar omdat hij gaandeweg steeds meer als een god behandeld werd.

Is het niet te gemakkelijk om gecharmeerd te zijn van al die verschillende culturen als je er zelf alleen van een afstandje naar kijk? En is die verliefdheid op de menselijke maat niet verwrongen als je lyrischer over prachtige beeldhouwwerken bent dan over mensen van vlees en bloed?

Er is wel een uitzondering: als zijn geliefde Antinous net dood is, laat Hadrianus zich een bladzijde of drie even helemaal gaan. De emoties die van die drie bladzijden litanie afspatten zorgen dat die drie bladzijden behoren tot de ontroerendste die ik ooit gelezen heb.

17.9.07

Michael Chabon. The Yiddish Policemen's Union. London: Fourth Estate, 2007.

"Nine months Landman's been flopping at the Hotel Zamenhof without any of his fellow residents managing to get murdered." Een boek dat zo begint, dat moet ik lezen. Niet alleen vanwege die naam Zamenhof, maar ook vanwege de toon van die zin, en de lichtelijk absurde wending dat de bewoners van dat hotel 'in staat' zouden moeten of willen zijn om vermoord te worden.

Dat viel tegen. Tot mijn verbijstering blijkt het vooral te gaan om een ouderwets soort detective. Nee, echt, ik overdrijf niet met dat woord verbijstering. U had me moeten zien zitten met dat boek in mijn hand en mijn mond open. Je verwacht dat niet, je denkt in het begin dat je je vergist, dat het heel ingewikkelde verhaal op de achtergrond toch nog wel iets meer moet zijn dan een heel ingewikkeld verhaal op de achtergrond: in Alaska is 1948 tijdelijk een veilige haven voor Europese Joden ingericht, waar men Jiddisch spreekt en in Hotel Zamenhof woont, maar die veilige haven zal in 2008 worden opgeheven en het is nu 2007. Dat leek me een interessant verhaal, maar het zicht erop werd me nu ontnomen door de prototypische detective, die gescheiden is en aan de drank.

Er zijn veel kunstzinnige films die ironisch citeren uit oude filmgenres. The Yiddish Policemen's Union leek me daar een literaire tegenhanger van, maar een die bovendien nog een aantal dingen wil zeggen over thema's als 'identiteit'. Voor mij hoeven die stijlcitaten al niet, en zo'n identiteitsverhaal is te zwaar om alleen maar als saus te dienen over zo'n lichte maaltijd.

14.9.07

Knut Hamsun. Hunger. Baden-Baden: Suhrkamp, 1978 (Sult, 1890).

Vertaling: J. Sandmeier en S. Angermann

Er is geen betere manier om in te zien hoe slecht je geheugen werkt, dan door een boek te herlezen. De ervaring is totaal anders, maar dat kan niet aan het boek liggen, dat is immers niet veranderd. Hoe kan het dan dat er essentiële dingen zijn die je je echt niet herinnert?

Neem Honger van Knut Hamsun. Een man loopt aan het eind van de negentiende eeuw door de straten van Oslo en heeft honger. Alles, alles, alles in zijn leven staat in het teken van die honger. Een heel enkele keer verdient hij wat geld door een stuk te slijten aan een krant, maar naarmate de honger zijn geest aantast wordt dat ook steeds lastiger.

Dat alles kon ik me nog herinneren van de laatste keer dat ik Honger las. Wanneer was dat? Zelfs dat weet ik niet eens meer. Minstens vijftien jaar geleden, misschien twintig, misschien nog (iets) langer. Maar er gebeurt ook van alles in het boek dat ik me helemaal niet kon herinneren, als je me een week geleden had verteld dat die dingen in dit boek staan, had ik je niet geloofd. Dat de hoofdpersoon korte tijd (nou ja, op de keper, een uurtje) een affaire heeft met een jongedame bijvoorbeeld. Of dat hij aan het eind aanmonstert om een heuse carrière te beginnen, als zeeman. Dat past eigenlijk helemaal niet in het beeld dat ik van het boek had.

Wat ik me nu geloof ik ook meer heb afgevraagd dan de vorige keer: hoe is die man eigenlijk in deze miserabele omstandigheden terechtgekomen? Daar wordt niet echt een antwoord op geformuleerd, je merkt alleen af en toe dat er tijden moeten zijn geweest dat hij het niet zo slecht had, dat hij het zich zelf kon permitteren om bladmuziek te kopen bijvoorbeeld. Ik vermoed dat deze man echter altijd twee problemen heeft gehad: hij leeft zo in het heden dat hij er niet aan toekomt om zijn leven echt op te bouwen, en hij wil met alle macht de schijn ophouden voor zijn medemens zodat hij geen hulp van anderen kan accepteren. Door de honger worden allebei die neigingen alleen nog maar versterkt. Het levert een huiveringwekkend beklemmend boek op.

De episode met dat meisje en het aanmonsteren aan boord van dat schip kloppen nog steeds niet met dat beeld dat ik van dit boek heb: ze verwijzen wel degelijk naar de toekomst, en er lijkt bijna contact met een mens te ontstaan. Misschien dat ik ze daardoor zo gemakkelijk vergeten ben. Ik ben benieuwd hoe dat is als ik dit boek over twintig jaar weer lees.

9.9.07

Irvin D. Yalom. When Nietzsche Wept, New York: Perennial, 2005 (1993).

We zijn in Wenen en het eind van de negentiende eeuw is nabij. Friedrich Nietzsche komt op consult bij Jozef Breuer, een van de leermeesters van Sigmund Freud. Nietzsche heeft last van heftige en veelvuldige migraine-aanvallen, maar volgens zijn ex-vriendin Lou Salomé is de grote denker ook depressief en suïcidaal. Hij wil daar zelf echter niets van weten. Daarom moet Breuer hem behalve voor die migraine ook in het geniep behandelen voor zijn geestesproblemen. Hij doet dit door de rollen om te draaien en Nietzsche te vragen hém te behandelen voor 'wanhoop'. Die wanhoop blijkt echter minder gespeeld te zijn, en zo komen de filosoof en de pre-psychoanalyticus in een schaakspel terecht van angst, onuitgesproken gevoelens, eenzaamheid, opgeslotenheid, en ander heftig gevoel.

Bij het einde, als de twee mannen elkaar nog eens diep in de ogen kijken en opbiechten wat ze tot nu toe voor elkaar verzwegen hebben, zwellen de dramatische vioolpartijen wel wat sterk aan. Maar in de bladzijden daarvoor verbeeldt Irvin Yalom de grote crisis rond het midden van het leven — als je je keuzes gemaakt hebt en eigenlijk niet weet waarom — op een meeslepende manier, en zoeken zijn hoofdpersonen hartstochtelijk naar antwoorden op hun vragen. Zoals dat in een goede roman gaat, worden daarbij een aantal onverenigbare opvattingen naast en tegenover elkaar gezet, zonder dat de schrijver kiest. En krijgen die opvattingen ook nog eens vlees en bloed.

8.9.07

Miguel de Cervantes. Don Quixote. London: Vintage, 2005 (1605/1615)

Vertaling: Edith Grossman

Uit een enquête die de Noorse boekenclub een paar jaar geleden hield onder honderd schrijvers uit vijftig landen, bleek dat Don Quichot door velen wordt beschouwd als het belangrijkste boek van de wereldliteratuur. Ik weet bijvoorbeeld dat ook de Nederlandse dichter Lucebert meer exemplaren van dit boek in huis had dan van welk ander boek ook. En toen ik onlangs met iemand over Don Quichot sprak, verklaarde hij dat er geen belangrijker boek op de wereld is, dan dit. "Hier staat alles in."

En inderdaad, er zijn in de wereldliteratuur weinig aangrijpender momenten dan die van de dood van Don Quichot, die ineens tot het besef komt dat hij eigenlijk Alonso Quichano is, een man van de lagere adel in La Mancha: het spel is uit, zijn leven is verdaan met onzin. En er zijn momenten in het boek die heel grappig zijn, en dat op verschillende manieren, van slapstick — Sancho Panza die een nacht lang het paard van Don Quichot probeert tegen te houden om te voorkomen dat zijn baas een nieuw avontuur tegemoet rijdt, maar ondertussen stiekem zijn behoefte doet — tot heel ingewikkelde ironie — Don Quichot besluit niet naar Zaragoza te gaan omdat een vervalser een boek heeft geschreven over een andere Don Quichot die naar Zaragoza gaat, en de echte Don Quichot die vervalser geen gelijk wil geven. Er is geen gevoel dat je niet krijgt bij het lezen van dit boek. Hier staat alles in.

Het is een rijk boek, en wie zichzelf niet de tijd gunt om zich twee weken in deze opmerkelijke wereld in te leven, zo iemand doet zichzelf tekort.

Toch zijn er ook wel momenten dat de lezer volkomen wanhopig wordt, bijvoorbeeld als de schrijver hem er voor de vijfhonderste keer (ik overdrijf niet, of in ieder geval niet erg) op wijst dat wat de held van het verhaal zegt tegelijkertijd waanzinnig is en heel wijs. Maar wanhoop is natuurlijk ook een gevoel, en er is geen gevoel dat je niet krijgt, ik zei het al. Wat een wonderlijk, wat een krachtig boek. Hier staat alles in; en toch ga ik weer verder met het volgende boek.

7.9.07

A.F.Th. van der Heijden. Mim of De doorstoken globe. Amsterdam: De Bezige Bij, 2007

Bij A.F.Th. van der Heijden zijn alle mensen dichters. Of ze nu ruwe voetbalsupporters zijn, Rotterdamse café-eigenaressen, lieden die zichzelf zojuist met kokende olie hebben overgoten — ze blijven zich bloemrijk uitdrukken. De schrijver doet wel zijn best om een accentje te verlenen aan een enkele uitspraak ('enkelt'), maar wie niet taalvaardig is, komt zijn verhalen niet in.

Zo lijken de mensen in A.F.Th's boeken altijd bezig elkaar nogal vergezochte namen en bijnamen toe te bedelen. Zo noemt de aanhang van een Rotterdamse voetbalclub hun uit Gouda afkomstige, blonde topscorer Elsinga Goud-Elsje. Movo en Zora krijgen in dit boek samen een drieling; die drieling noemen ze Mim, de Romeinse manier van hun geboortejaar schrijven. Het is al opvallend dat iemand op het idee komt een drieling als geheel een naam te geven ('We doen Mim in bad' — dan gaan ze dus alle drie), maar om die naam dan ook nog aan het jaar te doen refereren, hoe kom je derbij. Overigens speelt die drieling in het boek slechts zijdelings een rol, dus als ik eerlijk ben zie ik niet goed waarom de hele roman naar hen genoemd is.

Nog iets met namen: de overige delen Homo Duplex verschenen tot nu toe onder de naam A.F.Th. Bij dit boek heeft de schrijver ineens weer een achternaam. Waarom?

In het jaar MIM gebruikte ik zelf een andere naam om op internet te schrijven over boeken die ik gelezen had: Martin Opdop. En ik blijk, als ik dat teruglees, toen hetzelfde te hebben geschreven over Van der Heijdens roman De Sandwich. Het ging toen zelfs over dezelfde extra t aan het einde van het woord enkel. Een paragogische t, noemen wij taalgeleerden dat, en kennelijk betekent die t veel voor Van der Heijden. Inmiddels ben ik dat poëtische van alle personages wel iets beter gaan begrijpen. Van der Heijdens wereld is nu eenmaal niet de onze, maar een wereld waarin de dingen meer met elkaar samenhangen, en de mensen die samenhang beter onder woorden kunnen brengen.