22.7.10

Alberto Manguel. Een geschiedenis van het lezen. Amsterdam: Ambo/Anthos: 2006 (1996).

Alberto Manguel. Een geschiedenis van het lezen

Vertaling: Tinke Davids

Een loflied op het lezen schrijven, is dat niet wat al te gemakkelijk? Zo'n dik en mooi uitgegeven boek, dat gaat natuurlijk alleen gelezen worden door lezers.

En inderdaad. Op dit boek valt wel het een en ander aan te merken. De vertaling heeft bijvoorbeeld wat rare tics, zoals van letterlijk iedere boektitel de vertaling geven, zodat we lezen over Peyton Place (Peyton Place), terwijl er elders stukjes Engels, Frans en Duits onvertaald blijven. De schrijver, Alberto Manguel, is een beetje een vreemde snuiter die vooral in het begin wel heel erg veel over zichzelf praat. En hoewel het boek in 2006 is uitgegeven, wordt er niet of nauwelijks gepraat over e-books of over audioboeken. En goed, die e-books zijn misschien een beetje een moderne vinding (hoewel het Project Gutenberg al tientallen jaren lang gratis edities van boeken digitaliseert), maar die audioboeken, daar had toch heel goed iets over kunnen worden gezegd in het hoofdstuk over voorlezen. En toch, en toch heb ik gesmuld.

Het boek is prachtig uitgegeven, zit in een heel prettige band en bevat een verbluffende verzameling van afbeeldingen van lezende mensen uit alle eeuwen. Degenen die deze verzameling afbeeldingen heeft verzameld, spreidt daarmee een grote kennis tentoon. Ik neem aan dat het Manguel zelf was. Ondanks dat hoofdstuk over voorlezen is lezen voor hem toch vooral kijken.

Het mooist vind ik de verhalen over lezers, en dan vooral over mensen die lezen tegen de klippen op. De Cubaanse sigarenmakers die in de negentiende eeuw iemand inhuurde die tijdens het werken kon voorlezen. De Japanse hofdames die stiekem en in een eigen schriftvorm teksten voor onderling genoegen schreven. Helaas mist Manuel wel veel van dat soort verhalen: toevallig las ik deze week ergens een theorie van iemand die aantoonde dat Alexander de Grote zijn levensloop op allerlei punten had laten inspireren door Achilles, van wie hij meende af te stammen. Alexander, die een groot lezer was, probeerde zo te leven dat ooit een Homeros over hem zou schrijven. Manuel zegt over hem alleen dat het niet toevallig was dat hij altijd een Ilias en een Odyssee bij zich had.

Iedere lezer vraagt zich natuurlijk soms weleens af waarom hij eigenlijk leest. Je kunt jezelf voorhouden dat je er slimmer en wijzer van wordt, maar volgens mij word je er alleen maar gelukkiger van. Als ik rijk was, als ik overvloedig rijk was, zou ik me terugtrekken onder een olijfboom en lezen. Nou ja, na verloop van tijd ging dat misschien vervelen en zou ik iets willen doen. Maar dat zou dan schrijven zijn, schrijven voor andere lezers.

Zie Boeklog voor een andere lezing van dit boek.

19.7.10

Jan Weiler. Maria, ihm schmeckt's nicht. De Hörverlag, 2009 (2003).

Jan Weiler. Maria, ihm schmeckt's nicht De hoofdpersoon van Jan Weilers succesvolle roman Maria, ihm schmeckt's nicht is getrouwd met een vrouw van wie de vader uit Molise komt. Ik heb persoonlijke redenen waarom ik zo'n boek graag lees — in het afgelopen half jaar ben ik regelmatig te gast ben geweest in Abruzzo, de regio die in het noorden aan Molise grenst.

Ik lees niet vaak om mezelf te herkennen in een boek, maar soms is het prettig om verhalen te horen die lijken op je eigen belevenissen. Verhalen over het kerstfeest dat gevuld wordt met kaartspelletjes waarbij alleen centen worden ingezet en niet te vergeten tombola! Verhalen over hoe om te gaan met de eindeloze borden voedsel die maar worden opgeschept (en als je echt niet meer weet waar je het laten moet wordt er geroepen: Maria, hij lust het niet!. Verhalen over hoe je als je iets verkeerd zegt, je altijd net een obsceen woord blijkt te zeggen.

Er moeten nog andere redenen zijn om dit boek te lezen, want het was in Duitsland een paar jaar geleden een ware bestseller en is bovendien vorig jaar verfilmd. Het heeft denk ik voor een deel de charme van het amusante exotische — de noordeling die met ironie kijkt naar de opera die de Italianen in zijn ogen van het leven maken. Weiler schrijft bovendien buitengewoon onderhoudend en snel — en leest bovendien op de luisterversie heel prettig voor, waarbij hij zijn schoonvader de Italiaanse gastarbeider heel goed nadoet.

Want over die schoonvader, Antonio Marcipani ('Andó') gaat het in dit boek. Zijn levensverhaal wordt verteld en zijn filosofieën worden breed uitgemeten. Hij is het waard, want Marcipani is zonder twijfel een kleurrijke figuur, met zijn eigen levenswijsheid, en tegelijkertijd werkt het een beetje vreemd. Waarom Jan ooit met Antonio's dochter heeft willen trouwen kom je eigenlijk niet te weten, over die dochter weet je niets. Ook over Jan leer je eigenlijk niets, hij is een wat onhandige en tegelijkertijd wat ironische figuur, maar wat hem verder beweegt, weet je niet. Antonio's vrouw en Sara's moeder Ursula komt al helemaal niet aan het woord — terwijl het toch interessant zou kunnen zijn om te weten wat een Duitse vrouw die al heel lang met een Italiaan getrouwd is nu nog denkt over al die ontdekkingen die Jan doet.

Ik heb nu twee boeken van Weiler achter elkaar gelezen (het andere was Drachensaat) Ze waren heel verschillend maar ook allebei zeer onderhoudend, al zijn er ook wat manco's (vrouwen zijn er eigenlijk niet in Weilers wereld, en hoewel hij de verhalen van eenlingen boeiend weet te vertellen kan hij niet geloofwaardige echte interactie tussen mensen tot stand brengen). Hij is een echte zomerauteur om onder een olijfboom ergens in Zuid-Italië te lezen.

14.7.10

Jan Weiler. Drachensaat. Reinbek: Rowohlt, 2010 (2008)

Jan Weiler. Drachensaat Vijf mensen die allemaal aan de rand van de samenleving hebben verkeerd en daar een daad hebben gepleegd die hen op de voorpagina van Bild heeft gebracht — een alcoholist die zich in Bayreuth voor zijn hoofd heeft proberen schieten, een postbode die jarenlang de post die hij niet durfde bezorgen in zijn huis heeft opgespaard, een man die negen jaar met het gemummuiceerde lijk van zijn moeder heeft samengewoond, enz. — worden door een psychiater bijeengebracht in een privé-kliniek. Hij heeft een syndroom ontdekt, dat hij naar zichzelf genoemd, heeft, het Syndroom van Zens. Mensen die niet tegen het grote maatschappelijke onrecht kunnen, dat het ware geluk alleen is voorbehouden aan een kleine groep geprivilegieerde industriëlen leiden aan dat syndroom. Uiteindelijk loopt het uit de hand: de vijf sluiten hun psychiater op en nemen wraak op de onrechtvaardige samenleving.

Drachensaat is een keiharde satire, over een samenleving waarin het leven van het individu wordt vermalen tot tv-amusement. Alle leed heeft een doel: reclametijd verkopen voor heel veel euro's. Het is een grappig boek, en tegelijkertijd een schokkend boek. Over de vernietigende macht van de tv heb ik dit jaar al twee andere romans gelezen — Via Cappello 23 van Christiaan Weijts en Ruhm van Daniel Kehlmann. Wat mij betreft snijdt Drachensaat dieper dan die andere twee. Het boek leest als een trein en bevat prachtige, speelse, passages, maar voelt veel minder aan als een spel. Weiler is echt kwaad.

Een van de dingen die het boek zo hard maakt, is ook de totale eenzaamheid van alle hoofdpersonen. Iedereen staat op zichzelf en interacteert eigenlijk nauwelijks met de anderen. Zelfs al trekken de vijf samen op om hun noodkreet te slaken, dan blijven ze nog moederziel alleen.

Dit boek was een onverwachte ontdekking. R. belde van het vliegveld van Berlijn omdat ze een cadeautje voor me wilde kopen in het boekwinkeltje. Ze noemde een paar titels en auteursnamen, die ik snel googelde, en dit kwam eruit. Ik had eerder nog nooit van Jan Weiler gehoord, maar dat komt omdat ik niet genoeg op de hoogte ben van de moderne Duitse literatuur. Zijn debuut, Maria, ihm schmeckt es nicht! was het grootste verkoopsucces onder de Duitse debuten van de afgelopen twintig jaar. Dat moet ik ook ooit gaan lezen, al is het maar omdat het over een Duitse generatiegenoot van mij gaat die met een Italiaanse vrouw trouwt.

Twee miljoen Duitsers gingen me al voor, maar ik heb een schrijver ontdekt!

8.7.10

Willem Frederik Hermans. Richard Simmillion. Amsterdam: De Bezige Bij, 2009 (2005)

Willem Frederik Hermans. Richard Simmillion Waarom heeft mijn vader meer dan vijftien jaar na zijn onderwijzersdiploma in de avonduren niets uitgevoerd? Waarom begon hij pas daarna te studeren om diploma's te halen waarmee hij een betere betrekking kon krijgen, terwijl hij eigenlijk al te oud was om nog makkelijk Frans en Duits te kunnen leren? Dat zijn de vragen die Richard Simmillion zich stelt, de held van zes min of meer autobiografische verhalen die Willem Frederik Hermans schreef.

Willem Frederik Hermans is de Freudiaan onder de Nederlandse schrijvers, de man die zijn boeken zo wilde schrijven dat ze geheel psychologisch geïnterpreteerd konden worden, voor wie het dus geen toeval was als de hoofdpersoon machteloze liefde én machteloze woede voelt jegens zijn vader. Nooit, nee, nooit, zal ik de jammerklachten vergeten over de erfenis van dertigduizend gulden in staatsobligaties — die twaalf dagen te laat kwamen omdat hij net een huis had gekocht vlak voor zijn vader stierf, en die bovendien niks waard waren, lang niet zoveel als de vader erin had geïnvesteerd. Die vader wilde indruk maken met een gigantisch geschenk, dat vervolgens volkomen waardeloos bleek — een Hermansiaans thema bij uitstek.

In het nawoord gaat Arjan Peters in op de vraag waarom het nooit tot een autobiografie gekomen is, en daarbij noemt hij keurig dat de schrijver een beetje op het genre neerkeek: een schrijver moest echt werken, en dingen verzinnen, niet maar zo'n beetje opschrijven wat hem overkwam. Verder oppert Peters dat deze rauwe fragmenten nooit zo hadden kunnen schitteren als ze in een boek ingebed waren geweest.

Ik geloof er maar weinig van. Of nou ja, laat ik het bescheidener zeggen, ik kreeg tijdens het lezen van deze verhalen een andere theorie. Die is dat Hermans veel te verlegen was om over zichzelf te beginnen. Slechts een paar keer lukte het hem om die verlegenheid te overwinnen, en zich niet helemaal achter zijn personages te verschuilen. Dat was in die Simmillion-verhalen die af en toe dan ook meteen behoorlijk op de plaatsvervangende schaamte inwerken. Ik kan me bijvoorbeeld niet herinneren ooit van iemand zo schaamteloos zijn fantasieën over een onbekommerd en egocentrisch leven (al het geld komt naar hem toegevloeid, zonder dat hij erover hoeft na te denken hoe, zijn vriendin heeft een groot huis voor hem beschikbaar en elke dag goed eten, zijn vrienden begrijpen hem volkomen en zijn bovendien enorm interessant, enz.) Maar een heel boek over zichzelf schrijven, en vooral over zijn werkelijke succes, dat had hij waarschijnlijk niet aangedurfd. Hij bleef een kleine, eenzame jongen die ervan droomde dat zijn vader hem eens zou meenemen op een uitstapje.