22.11.10

Homeros. Ilias. Wrok in Troje. Amsterdam: Athenaeum-Polak&Van Gennep, 2010.

Homeros. Ilias. Wrok in Troje.

Vertaling: Patrick Lateur

Ooit, in de begindagen van dit blog, schreef ik hier ook weleens over een film die ik had gezien. Daar ben ik mee opgehouden, onder andere omdat ik eigenlijk nooit een film zie. Maar in die tijd zag ik Troy, een film gebaseerd op de Ilias, die ik als volgt samenvatte: "Kling-klong ding-dong reng-deng BOEM! Shwoesh! Doing!"

Als je niet goed oplet, zou dat ook makkelijk de samenvatting kunnen zijn van de eerste pakweg achttien boeken van de Ilias zelf – er wordt menige speer door menige keel geragd, darmen worden uit buiken gescheurd en af en toe vliegen de bloedspatten in het rond.

Ik kan me voorstellen dat die scenes een deel van de aantrekkingskracht vormden voor lezers door de eeuwen heen – de Ilias als een bijzonder 'grafische' actiefilm. Tegelijkertijd vraag je je af waarom al dat bloederige gedoe de beschaafden onder hen niet afschrikte. Was Goethe geen enthousiaste lezer van Homeros? Wat vond hij dan van al die rondvliegende lichaamsdelen van dode doch aardige mensen?

Tegelijkertijd is de Ilias ook echt veel meer dan Troy. Op een bepaald moment, ik was me al maanden met horten en stoten door het boek heen aan het worstelen, ontdekte ik de truc: ik heb de afgelopen dagen alle resterende boeken aan mezelf voorgelezen. Dat gaat bijzonder prettig met deze mooie vertaling (in vijfvoetige jambe, het standaardritme voor het Nederlands) en ik raakte zo veel meer betrokken bij het boek. Het was maar goed dat er niemand bij was, want ik probeerde de verschillende rollen ook echt te spelen, dus het zal allemaal wel belachelijk geklonken hebben.

Maar ineens hoorde ik hoeveel ruimte er geschapen wordt door die Homerische vergelijkingen en verwijzingen naar de perikelen van de goden die de wereld ineens zoveel groter maken, en van de psychologie van de held Achilles die zich zo ongegeneerd laat gaan, eerst in zijn bittere wrok tegenover Agamemnon die een slavin van hem heeft afgepakt en dan tegenover Hektor die zijn beste vriend vermoord. Wat is het toch fijn dat ik in de tijd ná Homeros geboren ben, anders had ik de Ilias nooit kunnen lezen.

20.11.10

William Shakespeare. Troilus and Cressida. London: BBC, 1981 (1602).

William Shakespeare. Troilus and Cressida. Lang geleden heb ik Troilus and Cressida op de tv gezien - het moet ergens in de jaren tachtig geweest zijn, toen de Nederlandse tv de serie van alle integrale Shakespeare-stukken uitzond. Wat nu blijkt: ik kon me alleen het einde herinneren, vooral de scene waarin Troilus erachter komt dat zijn Cressida, de vrouw die hem in Troje nog eeuwige trouw beloofde, nu als krijgsgevangene bij de Grieken al in bed ligt bij de Griekse held Diomedes. Dat is ook weliswaar het dramatisch hoogtepunt, maar dat betekent niet dat de overige drie uur niet de moeite waard zijn.

Je hoeft maar even over het internet te speuren, om te zien dat Troilus and Cressida niet populair is. Het wordt beschouwd als een 'problem play' omdat de boodschap zo inktzwart is - niemand deugt, de Griekse helden zijn domme en ijdele kwasten, de liefde is een stinkend wonder van onthoofde wulpsigheden - en omdat de verschillende verhaallijnen niet goed vervlochten zouden zijn.

Aan het eerste valt weinig te doen. Inderdaad is Shakespeare volkomen genadeloos. Het thema dat de mensen niet zijn wie ze lijken, voert hij in dit stuk wel heel erg ver door. Zelfs het toneelstuk is niet wat het lijkt: Achilles verslaat zijn tegenstander Hector (de enige echte held in het stuk) niet op een grootse manier, zoals bij Homeros, maar achteloos, als hij hem ongewapend tegenkomt op het slagveld. Troilus vermoedt dat Cressida niet zo trouw is als ze lijkt, maar ook dat is misschien alleen maar schijn. Zelfs tijdens de grootste, de meest mythologische tijden die de Westerse beschaving kent - de slag om Troje - was iedereen vooral bezig met onzin en smerigheid.

Daarom is dat van die twee lijnen ook niet zo'n groot bezwaar, vind ik. Terwijl de Grieken eindeloos ouwehoeren en slimmigheidjes uitwisselen, geven de Trojanen zich over aan het liefdesspel. Als dat allemaal bij elkaar komt, loopt het ellendig af voor Troilus. Hij wordt, tegen alle conventies van het genre in, nog niet eens gedood. De loser.

17.11.10

Ahmed Marcouch. Mijn Hollandse droom. Amsterdam: Contact, 2010.

Ahmed Marcouch. Mijn Hollandse droom. "Mijn vader", schrijft Ahmed Marcouch, sinds juni Tweede Kamerlid voor de PvdA, "verliet als dertiger te voet zijn huis in het dorpje aan de Marokkaanse kust en liet zijn vrouw en kinderen achter." En hij vervolgt:

Op mij is niet van toepassing: 's avonds nog krantenjongen en de volgende ochtend miljonair. Die Amerikaanse droom is niet op mij van toepassing. Ik heb een betere droom: een echt gebeurde, mijn Hollandse droom: van krantenjongen tot maatschappelijk actieve politicus, na jaren stapje voor stapje vooruitkomen. Kansen zien en pakken, onderwijs stapelen, hard werken, geen genoegen nemen met middelmatigheid.

Dat citaat, daar zit alles in wat je over Mijn Hollandse droom kunt zeggen. In de eerste plaats is er de, al dan niet bewuste parallel met Barack Obama: dit boek lijkt (waarschijnlijk) op Dreams of My Father en (zeker) op The Audacity of Hope, het vormt daar als het ware de Nederlandse pendant van: een zoon van een 'kansloze' immigrant die door hard ploeteren opklimt tot een hoog politiek ambt.

Marcouch zet zich in deze passage ook expliciet af tegen de Amerikaanse droom, maar volgens mij begrijpt hij die droom niet helemaal. Althans, ik denk niet dat het een onderdeel van de Amerikaanse droom is dat je zomaar van de ene dag op de andere miljonair wordt. Ook daar hoort hard werken en stapje voor stapje vooruitkomen erbij. Wel is het inderdaad de bedoeling dat je steenrijk wordt en niet zozeer dat je de politiek ingaat, en dat lijkt me dan ook het belangrijkste verschil tussen Marcouch' droom en de Amerikaanse - een sympathiek verschil.

Marcouch komt uit dit boek toch al naar voren als een sympathieke persoon - iemand die vindt dat je problemen oplost door hard te werken. Hij vertelt hoe hij op de politieschool de leraren tot wanhoop dreef door veel te veel tijd aan zijn huiswerk te besteden: meer dan drie uur per dag.

Dat soort mensen stelen mijn hart, die mentaliteit zouden veel meer mensen moeten hebben, en niet alleen immigranten trouwens. Onze samenleving heeft behoefte aan respect voor kennis en werken, vooral voor werk dat je doet voor de publieke zaak en niet per se voor persoonlijk gewin.

Of Marcouch een even groot politicus zal zijn als Obama, moet nog blijken. Naar mijn smaak gaat het in dit boek vooralsnog wel heel exclusief om de problemen van de Marokkaanse gemeenschap. Die problemen zijn vast heel groot, en Marcouch weet er inzichtelijk over te schrijven, maar ik vind het jammer dat niet duidelijker wordt dat Nederland wel iets groter is dan Slotervaart.

Toch heb ik veel geleerd. Zo weet ik nu eindelijk waarom Marokkanen zulke vreselijk zoete thee serveren aan de visite. Suiker is een teken van rijkdom, thee zonder suiker is voor de armen, en voor je gasten wil je alleen het allerbeste: mierzoete thee.

4.11.10

Arnon Grunberg. Huid en haar. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar, 2010

Arnon Grunberg. Huid en haar Ronald Opperstein, de hoofdpersoon van Huid en haar, leeft in de eerste plaats voor zijn werk, het schrijven van een boek over de geschiedenis van de economische bubbel, en daarnaast onderzoek naar de 'economie van de genocide'. Ieder menselijk contact dat hij heeft, beschouwt hij eigenlijk als een onderbreking van dat werk. Als er een vrouw bij hem langskomt om met hem naar bed te gaan, waarschuwt hij alvast dat hij daarna nog wel even moet werken.

Dit is nu al het zoveelste boek dat ik uit de zee van romans van het afgelopen jaar heb gevist dat over werk gaat (andere voorbeelden: Nemesis van Philip Roth, La carte et le territoire van Michel Houellebecq en Mede namens mijn vrouw van Aliefka Bijlsma). Ik weet niet zeker of het een obsessie is van de huidige tijd, of van mij, of dat het toeval is. In ieder geval heeft Oberstein zijn mateloze liefde voor werk met zijn schepper, of in ieder geval de manier waarop Arnon Grunberg zichzelf presenteert in Omdat ik u begeer: "Eerst komt mijn werk, dan komt een hele tijd niets, dan komt weer mijn werk. Daarna komt weer een hele tijd niets, dan weer mijn werk." In diezelfde onherbergzame wereld leeft Oberstein. Hij heeft op zeker moment relaties met een ex-vrouw, een officiële vriendin, een Amerikaanse minnares én een Nederlandse studente, terwijl hij ook nog naar bed gaat met de beste vriendin van de laatste, maar toch maakt hij nooit een macho-indruk. Hij doet het allemaal meer uit beleefdheid, en om van het gezeur af te zijn. Als hij op het eind alles verliest, al die vrouwen en ook zijn twee banen, in Leiden en in Amerika, weet je dus niet eens of hij wel zo treurig moet zijn. Hij heeft nog steeds die economische bubbel.

Onlangs las ik dat Grunberg (of zijn moeder, daar wil ik vanaf wezen) bijzonder gesteld was op Madame Bovary en Don Quichot, omdat het allebei boeken zijn waarin het slecht met de held afloopt omdat zij of hij teveel boeken leest. De hoofdpersoon van Huid en haar houdt niet van fictie en heeft er zelfs een uitgesproken hekel aan, in plaats daarvan loopt hij de hele dag te leuren met een boek over de economie van de genocide waarin hij een aantal artikelen geschreven heeft.

Vrijwel alle andere personages in het boek zijn wel dol op lezen en er worden onwaarschijnlijk veel andere schrijvers genoemd: Zweig, Murakami, Benjamin, Borowski, Levi, Celan en vele anderen. De studente die een verhouding met Oberstein begint heeft wel iets van Emma Bovary: ze heeft een romantisch beeld van de liefde opgepikt, in haar geval uit het werk van Stefan Zweig, en gaat daaraan vrijwel geheel te gronde. Bovendien heeft haar vriendje meegedaan in een amateur-musicaluitvoering van Don Quichot.

Grunberg wordt steeds beter. De vorige roman die ik van hem heb gelezen was Tirza, dat veel strakker in elkaar zat, maar waar ik de grappen miste. De zwarte humor is weer terug, maar nu in een beklemmend verhaal: wat is dit voor wereld waarin we alleen nog ons werk hebben, ons werk aan de economische bubbel?