30.4.11

David Foster Wallace. Everything and more. A compact history of infinity. New York/London: Norton, 2010 (2003).

David Foster Wallace. Everything and more. A compact history of infinity Ik wist het niet toen ik het kocht, maar het blijkt algemeen aanvaard dat Everything and more mislukt is. De postmoderne fictieschrijver David Foster Wallace waagde zich zo'n tien jaar geleden aan een non-fictieboek over de wiskunde van oneindigheid, of eigenlijk vooral over de geschiedenis ervan: het boek houdt min of meer op bij Georg Cantor, en die is al sinds 1918 dood.

Op internet zijn de negatieve recensies nog te vinden, vooral geschreven door andere populair-wetenschappelijke schrijvers over wiskunde: met kritiek op de wiskundige fouten en op de stijl van Foster Wallace. Zo groot is de kritiek dat aan deze uitgave, verschenen na de dood van de schrijver, een voorwoord is toegevoegd van de science-fictionschrijver Neal Stephenson, die probeert het uit te leggen.

Inderdaad is Everything and more lezen een avontuur. Voor een belangrijk deel lijkt het meer te gaan over de onmogelijkheid om non-fictie te schrijven. Nooit heb ik bijvoorbeeld iemand zo expliciet zien worstelen met de vraag wat je nu precies aan voorkennis bekend mag veronderstellen bij je publiek. DFW (zo wordt hij in het voorwoord genoemd, dat doe ik dan ook maar) heeft een heel systeem van codes bedacht over dingen die je kunt overslaan als je het al weet, of als het je niet genoeg interesseert, maar omdat je nooit precies weet wát je dan eigenlijk al zou moeten weten, of wat je zou interesseren, heeft de lezer natuurlijk niets aan al die codes, en moet zich toch een eigen baan door het geheel hakken.

Dat valt zeker in het midden van het boek niet mee. Everything and more begint prachtig, met een beschouwing over waanzin en over de aantrekkingskracht van de waanzinnige wiskundige voor de journalistiek, en een aantal rake herinneringen aan de leraar wiskunde en met een heleboel prettig uitgelegde wiskunde. Ergens rond pagina 100 ontspoort het, worden er teveel dingen door elkaar uitgelegd, en dat lang niet altijd even precies, maar 100 pagina's voor het einde komt het dan toch weer goed, als we de climax naderen met het werk van Cantor.

Wat moet je met zo'n boek? Als DFW niet als een van de belangrijkste schrijvers van het begin van de 21e eeuw was, zou je waarschijnlijk de moeite niet nemen - zeker niet als je het meeste dat hier beschreven wordt al weleens zo'n beetje gehoord hebt. Maar nu heb ik dat wel gedaan, en nu weet ik dat ik ooit misschien toch ook Infinite jest, DFW's beroemde roman met een in dit kader intrigerende titel, eens te lezen.

18.4.11

Alessandro Manzoni. De verloofden. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2004 (1827)

Alessandro Manzoni. De verloofden

Vertaling: Patty Krone en Yond Boeke

Waarom wordt er eigenlijk nooit meer goedmoedig gespot met de hebbelijkheden van gewone mensen, zoals dat in de negentiende eeuwse romans zo veel gebeurde? De doorlopende angst om zich in de nesten te werken van de dorpspastoor; de inspanningen van de man die bezoek krijgt van de kardinaal en dan ook eindelijk iets wil zeggen dat past bij het moment, maar niet veel verder komt dan 'dat spreekt!'; de kwebbelzucht van de huishoudster. Ze onderhouden een lezer aan het begin van de eenentwintigste eeuw nog steeds — waarom is het dan uit de romankunst verdwenen?

Dat geldt ook voor interessante historische uitweidingen. In De verloofden staat bijvoorbeeld een uitgebreide beschouwing over een zeventiende-eeuwse pestepidemie in Milaan. Die beschouwing gaat in op de sociologie van zo'n epidemie: hoe de deskundigen eerst ontkennen dat er sprake kan zijn van pest, maar allerlei andere diagnoses verzinnen, en hoe ze later weigeren om toe te geven dat ze fout zaten. Hoe ze daarmee ongewild olie gooien op een vuurtje dat onder het volk is aangestoken — een gerucht dat wil dat de epidemie veroorzaakt is door 'smeerders' die moedwillig overal gif op smeren. Hoe moeilijk het vervolgens wordt om niet in dat gerucht te geloven, zelfs niet voor de deskundigen.

Subliem! Kenmerkend voor de negentiende-eeuwse roman, waarvan I promessi sposi het beroemdste Italiaanse voorbeeld is. Maar als onderdeel van de roman bijna geheel verdwenen.

Italianen beschouwen I promessi sposi, na het werk van Dante, als het belangrijkste dat hun literatuur heeft voortgebracht. Het is inderdaad een prachtig boek, vol humor en vol liefde voor de kleine luiden in het noorden van Italië; met een duidelijk en eenvoudig verhaal (twee mensen willen trouwen, maar op bladzijde 1 komt er iets tussen dat een keten van gebeurtenissen inzet, en op de laatste bladzijde trouwen ze). Het is af en toe wel erg katholiek — er komen een paar heilige mannen in voor die dan meteen ook wel heel erg heilig zijn, en zo is er ook een wel heel dramatische bekering van inktzwart naar lelieblank - maar daar leest de moderne Hollandse lezer wel omheen. Er is geloof ik geen enkele bladzijde geweest waarop ik me verveeld heb, ook niet op die waarop een kardinaal figureerde.

Daar komt nog bij dat het boek heel mooi vertaald is, in een klassiek Nederlands dat toch geen imitatie-negentiende-eeuws is. Italianen beschouwen Manzoni ook nog eens de man die het moderne Italiaans geschapen heeft; zelfs dat kun je aan deze vertaling aflezen.

7.4.11

G.H. Hardy. A Mathematician's Apology. University of Alberta Mathematical Sciences Society, 2005 (1940)

G.H. Hardy. A Mathematician's Apology Ik wist wel wie Hardy was, maar had nog nooit van zijn Apologie van de wiskundige gehoord tot er vorige week NRC Handelsblad een juichende recensie verscheen naar aanleiding van de Nederlandse vertaling. Al snel bleek het Engelse origineel gratis als pdf beschikbaar te zijn.

Zo heb ik dan inderdaad kennis kunnen maken met een heel fraai geschreven, elegant boekje, zo'n boekje waar je vooral als je zelf ook iets doet dat de meeste mensen nutteloos vinden doorlopend bij wil roepen: 'ja, zo is het!' en 'zie je nu wel!' Want wiskunde moet je doen omdat je er goed in bent, omdat het mooi is en omdat het een aspect van de werkelijkheid beschrijft — namelijk de wiskundige werkelijkheid. Hardy kon toen hij het boekje schreef zelf naar zijn eigen oordeel geen wiskunde meer doen - daar was hij te oud voor - maar hij kon zijn vak nog wel verdedigen, vooral tegen degenen die 'nut' verlangden van de Oxford don, en dat verdedigen deed hij met verve.

Toch wringt er iets als je het gelezen hebt. Natuurlijk, "both Gauss and less mathematicians may be justified in rejoicing
that there is one science at any rate, and that their own, whose very remoteness from ordinary human activities should keep it gentle and clean" kun je goed begrijpen, zeker in het licht van het jaar waarin het geschreven is (1940). Tegelijkertijd valt op dat Hardy als het gaat over nut de wiskundige alleen vergelijkt met andere geleerden. Op het nut van iedere wetenschap valt een heleboel af te dingen, vooral op dat van de zogenaamd 'nuttige'. En dan kun je maar beter doen waar je in excelleert. Dat is waar, maar er zijn ook nog heel andere activiteiten — bejaarden wassen, naar de derde wereld afreizen om er op een schooltje rekenles te geven — waar je misschien niet zo heel goed in hoeft te zijn om toch een waardevol en nuttig leven te kunnen leiden. Is dat waardevoller dan het leven van een professor in Oxford? Ik zou het niet kunnen zeggen, en G.H. Hardy uiteindelijk kennelijk ook niet.

2.4.11

William Shakespeare. Antony and Cleopatra. London: BBC, 1980 (1603)

William Shakespeare. Antony and Cleopatra Ik weet dat er heel veel theorieën, wilde theorieën, zijn over de herkomst van Shakespeare. Ik weet niet of ooit ook weleens is voorgesteld dat hij eigenlijk een buitenlander was. Terwijl dat toch voor de hand ligt. In veel van zijn stukken speelt een buitenlander of iemand die uit het buitenland speelt een rol - Jago, Caliban, Hamlet die uit Wittemberg komt, en natuurlijk alle koningsdrama's waarin tussen Engeland en Frankrijk heen en weer wordt gereisd. Shylock is ook van exotische origine, de Montagues en de Capulets wonen weliswaar in dezelfde stad, maar zijn elkaar toch ook vreemd. En hier hebben we dan Cleopatra, de Egyptische koningin (ze wordt door anderen vaak 'Egypt' genoemd) en Antony, de man die heen en weer geslingerd wordt door de liefde die Egypte hem biedt en de koele politiek van Rome.

Ik heb onlangs een biografie van Augustus gelezen waarvan de auteur zich, net als Shakespeare, vooral op Plutarchus heeft verlaten waar het deze geschiedenis betrof. Het verhaal zat dus al in mijn hoofd. Shakespeare voegt er wat mij betreft vooral een beschouwing aan toe over de moeilijkheden van het mutlicultureel samenzijn. Antony houdt weliswaar veel van Cleopatra, en komt haar achterna als ze weg lijkt te vluchten, maar uiteindelijk vertrouwt hij haar net niet genoeg. Wanneer hij aangevallen wordt door zijn eigen landgenoten is hij te bang dat zijn nieuwe medelanders hem in de steek zullen laten en daardoor verliest hij alles.

Wat wist een Engelsman in Shakespeares tijd van multicultureel samenleven? Was die Shakespeare zelf niet eigenlijk stiekem een Turk, die zijn stukken door een blank acteur liet uitgeven? Ik opper het maar!

1.4.11

Ingeborg Bachmann. Paul Celan. Herzzeit. Frankfurt am Main: Suhrkamp, 2009.

Ingeborg Bachmann. Paul Celan. Herzzeit Een van de treffendste brieven in deze bundel niet van een van de auteurs op de omslag, maar van Max Frisch. Frisch was de man van de dichteres Ingeborg Bachmann en Bachmann had ooit een relatie met de dichter Paul Celan — een relatie die, zo leer je uit dit boek, misschien wel nooit helemaal ophield. Bachmann en Celan waren allebei gekwelde zielen, en vooral Celan was door de oorlog, waarin zijn familie was uitgeroeid, diep gekwetst.

Op een zeker moment kreeg Celan een negatieve recensie, waarin hem steriliteit werd verweten en dat zijn gedichten net niet mooi genoeg zouden zijn, maar ook dat zijn taalgebruik misschien "verklaarbaar was door zijn afkomst". Celan reageerde als door een slang gebeten, omdat hij in dat bijzinnetje antisemitisme zag. Hij schreef daarover een brief aan allerlei mensen, waaronder aan Max Frisch, hoewel hij die nauwelijks kende.

Max Frisch vond het moeilijk om op die brief te antwoorden -- twee versies zijn opgenomen in het boek. Wat wilde Celan van hem? Vriendschap? Begrip? Frisch gaf toe dat Celans werk hem niet helemaal toegankelijk was, dat hij die vermoedens van antisemitisme wel kon delen, maar dat het tegelijkertijd toch misschien ook wel ging om kritiek op Celans werk, los van de oorlog. Celan werd hier woedend om en verbrak bijna het contact met Bachmann en Frisch.

Dat verbreken van contact was niet de eerste keer. In de 25 jaar (ongeveer) dat de correspondentie duurde, werd regelmatig het contact verbroken -- meestal door Celan, maar toch ook wel door Bachmann. Hoewel er in deze briefwisseling een heleboel te raden blijft (de meeste brieven zijn onbenullige kattebelletjes, in bepaalde perioden ging het echte contact waarschijnlijk telefonisch) krijg je de indruk dat Celan van de twee wel de moeilijkste persoonlijkheid was, onbenaderbaar. Dat het contact zo moeizaam ging had waarschijnlijk daar mee te maken, en met het feit dat ze meestal op afstand waren, telefoneren duur was, en brieven -- zoals die van Max Frisch -- snel verkeerd begrepen werden.

In 1961 eindigt het contact. In 1970 gooit Celan zich in Parijs in de Seine. Er volgen dan nog een paar briefjes tussen Bachmann en de weduwe van Celan, die toegeeft dat ze het op het laatst ook niet altijd meer wist. Paul Celan zat te vast in zijn pijn om echt te kunnen communiceren.

Je kunt je als moderne lezer wel afvragen hoe het zou zijn gegaan als e-mail en chat en goedkoop mobiel bellen eerder zouden zijn uitgevonden. (Paul Celan zou misschien nooit aan de e-mail zijn gegaan, maar dat laten we nu maar even buiten beschouwing.) Er zou in ieder geval meer contact mogelijk zijn geweest, je hoefde niet dagenlang te wachten om te constateren dat de ander niet gereageerd had. Ik weet eigenlijk niet of er daardoor beter contact geweest was. Uiteindelijk zaten de problemen toch vooral in de correspondenten zelf.