15.6.11

T.S. Eliot. The Waste Land. London: Faber and Faber, 2011 (1922).

T.S. Eliot. The Waste Land The Waste Land schrikt af. Hoe moet je zo'n gedicht ooit benaderen? Wat je erover weet is dat het een somber gedicht is en dat het vol verwijzingen zit naar allerlei klassieke literatuur die je waarschijnlijk niet gelezen hebt, of in ieder geval niet voldoende uit je hoofd geleerd om die verwijzingen te kunnen bevatten. Wat moet je ermee?
Op die vraag is nu, 89 jaar na het verschijnen van het gedicht, antwoord: je moet de iPad-versie kopen die sinds kort in de (iTunes-)winkel ligt. Daar wordt het gedicht niet alleen uitgebreid van annotaties voorzien, maar kun je hem ook beluisteren in zeer veel verschillende voordrachten (waaronder twee van de dichter zelf, en een van Alec Guiness) en is er bovendien een zeer geslaagde video waarin Fiona Shaw het hele gedicht voordraagt. Bovendien zijn er dan ook nog vijfendertig video's waarin allerlei mensen allerlei toelichting geven op het gedicht.
Jeanette Winterson legt in de video uit dat je niet bang moet zijn voor The Waste Land, maar dat je het gedicht ook eigenlijk zes keer moet lezen voor het zich voor je opent. Dat klopt precies, en daarbij helpt de App. Doordat het gedicht in zoveel interpretaties aan je wordt voorgelegd, lees je het inderdaad makkelijk een aantal keer achter elkaar. En nog wonderlijker: inderdaad begint het gedicht zich dan ook open te vouwen, met zijn grappige passages, en zijn grimmige, en de manieren waarop woorden in het ene voorkomen in het andere. En je begint te begrijpen dat grote geleerdheid geen voorwaarde is om The Waste Land te kunnen begrijpen, maar dat je er wel voor moet openstaan.
Daarbij helpen ook de aantekeningen, al zijn die een beetje slordig: de regelnummers kloppen niet altijd, er wordt af en toe verwezen naar een 'introduction' die niet in de iPad-versie is opgenomen, en wat ook vervelend is: T.S. Eliots eigen voetnoten zijn niet onmiddellijk aan de tekst gelinkt. Er moet duidelijk nog verder geëxperimenteerd worden met de iPad-applicaties voor poëzie; maar dit is een veelbelovend begin.

11.6.11

Jeroen Smit. De prooi. Blinde trots breekt ABN Amro. Amsterdam: Prometheus, 2008

Jeroen Smit. De prooi. Blinde trots breekt ABN Amro Het bankwezen is misschien wel een van de duisterste beroepsgroepen ter wereld voor mij. Wat een goede fietsenmaker, politicus, fabrikant, lobbyist, enz., doet, begrijp ik wel zo ongeveer. Maar een bankier?

Ik heb veel opgestoken van het terecht veelgeprezen en terecht veelgelezen boek De prooi van Jeroen Smit, dat gaat over de geschiedenis van ABN Amro vanaf het moment dat ABN Bank en Amrobank fuseerden, tot het moment dat ze werden overgenomen door een consortium. Je krijgt veel inzicht in hoe allerlei mechanismen in de jaren negentig en nul ertoe leidden dat incompetentie en tomeloze maar nergens op gebaseerde ambitie de macht kregen in een grote bank en hoe dit tot de ondergang moest leiden. Maar wat die bankiers nu de hele dag doen als ze geen ruzie maken?

Een ding dat me opviel: hoe burgerlijk de wereld van ABN Amro was. Ondanks alle internationale ambities, lijkt niemand ooit echt zin te hebben om in het buitenland te gaan wonen. Als iemand gaat scheiden, wordt dat als een groot probleem beschouwd. Wie de concurrent belachelijk wil maken, wijst op zijn 'foute' kleedgedrag (de 'wittesokkenbrigade'). Er doemt uit De prooi een enorm benepen wereld op, van mensen die zich tegelijkertijd zo'n beetje de gouden korenaren van de mensheid wanen. Dit zijn de figuren die mede hebben geholpen om de wereld een stuk onleefbaarder te maken. Maar waarom? En waarom bleef de politiek en bleef de Nederlandse centrale bank toezien terwijl de bank wanhopig probeerde om volkomen uit zijn krachten te groeien?

Leve de Rabobank, denk je als je dit boek leest: een coperatie van lokale banken; kijk, dat is iets waarvan je begrijpt dat het nodig is en wat een bankier doet. Mensen willen geld een tijdje stallen, andere mensen willen geld een tijdje lenen en je dekt het ene met het andere, terwijl je ondertussen een nette commissie opstrijkt. Een heel andere wereld dan het 'toptalent' dat 'marktconforme' beloningen heeft gekregen. (Ja, ik weet niks van de Rabobank, laat staan hoe afschuwelijk het er daar misschien aan toegaat.)

Het prettige aan De prooi is hoe neutraal de toon is. Soms leest het wel een beetje als patchwork van aantekeningen uit allerlei gesprekken (en mijn eigen burgerlijkheid zit erin dat ik niet zozeer witte sokken als wel het gebruik van '?!' als leesteken afwijs) maar zelfs voor een totale leek in de bankwereld als ik ben is het een genoegen om deze 470 pagina's te lezen. Zulke boeken kunnen er niet genoeg zijn in de wereld!

8.6.11

Friedrich Nietzsche. Ecco Homo. Wie man wird, was man ist. Gutenberg.org (1908)

De afgelopen maanden ben ik Nietzsche weer zo vaak tegengekomen tijdens het lezen, is mij zo duidelijk geworden wat een barbaar ik ben dat ik zijn werk nooit gelezen had, dat ik vond dat het er nu maar van moest komen. Maar bij welke titel begin je? Ik kan niet zeggen dat ik een zorgvuldige selectie gemaakt heb. Ik heb wat van zijn boeken gedownload en uiteindelijk ben ik bij Ecce homo begonnen, omdat het zijn laatste boek is, en autobiografisch, en zijn eigen visie geeft op dat oeuvre.

Nu is Ecce homo in de eerste plaats een lyrische lofzang op een ander boek van Nietzsche, Also sprach Zarathustra. Dat is werkelijk het briljantste meesterwerk ooit geschreven, het overtreft Dante en Shakespeare, het laat de Duitse taal voor het eerst werkelijk leven, het zal nog vele generaties bestudeerd worden en hopelijk nog lang net helemaal tot in de diepste diepten begrepen. Er is geen groter man dan de schrijver van Zarathustra, meent de schrijver van Ecce homo.

Nietzsche draagt een levenshouding uit die zo min mogelijk nederig is: de mens is het grootste wat er is, lééf daar dan ook naar. In Ecce homo legt hij rekenschap af van zijn levenspad tot op dat moment — hij is dan ongeveer even oud als ik nu ben, en dit is zijn laatste boek, hoewel hij nog een jaar of twaalf te leven heeft. Hij meent zelf dat hij de oplossing van de grote problemen ontdekt heeft, en dat is fijn voor hem. Bovendien kun je je er als lezer prettig in laten meeslepen. Maar inmiddels is geloof ik toch wel duidelijk dat die levenshouding geen uitkomst biedt: zo ongelooflijk vrij en machtig zijn de mensen niet. Er is misschien geen God, maar dat betekent nog niet dat wij goden zijn. We hoeven ons niet te vernederen, we kunnen ons niet verheffen.

En tegelijk besef ik dat ik met dezelfde hoeveelheid levenservaring als Nietzsche toch wel tot minder diepe inzichten gekomen ben. Ik moet binnenkort Zarathustra toch maar eens lezen.

3.6.11

Louis Couperus. De boeken der kleine zielen. DBNL, 2004 (1903).

"Het blijft alles heel bedaard en wat gij verneemt heeft het behagelijke van het spreken van een wel-opgevoed man," schreef Lodewijk van Deijssel bij verschijnen in 1903 over De boeken der kleine zielen. Hij vond het boek goed in elkaar zitten, behagelijk, misschien geen grote kunst, maar echt iets om te lezen als je even behoefte had aan iets beschaafds.

Hoe anders denken we er nu over. Als er één boek uit 1903 nog gelezen wordt, is het natuurlijk Kleine zielen — veel meer dan alle grepen naar de hoge kunst waar Van Deijssel in die jaren van genoot.

Het oordeel dat het 'behagelijk' is, is volgens mij ook moeilijk vol te houden. Er wordt in dit boek enorm geworsteld met de vraag, hoe te leven? En dan vooral: hoe te leven als men géén hemelbestormend genie is, maar slechts een kleine ziel. De ene persoon -Brauws- probeert het door socialist te worden en zich af te zetten tegen zijn milieu; de ander door een verhouding te beginnen met een vriendin van vroeger; een derde door dokter te worden en zijn hele leven te leiden in dienst van anderen, zijn patiënten, zijn familie. Er worden tientallen wegen naar het geluk beproefd in dit boek, en niemand wordt echt gelukkig.

Kleine zielen laat het menselijk getob zijn in allerlei hoedanigheden - het is zelfs honderd jaar later nog ontstellend hoeveel buitenechtelijke relaties er begonnen worden, al worden deze dan ook niet geconsumeerd - en wel het getob van de kleine ziel. Er is er slechts een die zelfmoord pleegt en dat is degene die aan de buitenkant het evenwichtigst lijkt. Een verschil tussen de moderne lezer en Lodewijk van Deijssel is misschien wel dat wij ons meer hebben neergelegd bij het feit dat wij óók kleine zielen zijn, en ook worstelen. Hoewel, wij? Waarschijnlijk hebben in die tijd veel lezers het ook wel gezien.

De mooiste romans vind ik de romans waarin je een kwestie vanuit het standpunt van allerlei personen kunt zien, en dus kunt zien dat iedereen tegelijk gelijk heeft en dus niemand. Couperus is zo'n klassieke roman, al haalt hij misschien net het niveau niet van Tolstoj of Thomas Mann - een enkele keer (slechts een heel enkele keer, maar toch) krijg je het gevoel dat je naar een marionettentheater kijkt, waarin de romanpersonages laten zien wat de schrijver denkt. Daarna is het dan trouwens wel weer snel genieten van wat je allemaal voorgeschoteld krijgt - een familie waarvan je ieder lid leert kennen, een familie die je niet snel zult vergeten.