30.9.11

Leo Vroman. Nee, nog niet dood. Amsterdam: Querido, 2008.

Nee, Leo Vroman is al wel oud – hij is geboren in 1915 – maar hij is gelukkig nog lang niet dood, maar leeft, en tekent en schrijft, en stuurt af en toe levensberichten uit, zoals Nee, nog niet dood, deze bundel gedichten, van 2008 alweer (toen Vroman nog veel jonger was). Daar knapt een mens van op, zeker zo'n jonkie als ik, meer dan vijftig jaar jonger dan ik. Alleen al van dat feit, dat ik dat kan zeggen, dat er iemand is die ruim vijftig jaar ouder is, word ik vrolijker.
Het is helemaal niet altijd optimistische poëzie, in tegendeel, er zijn wel veel gedichten waarin een oude dichter aan het woord is, die af en toe moe is en weemoedig:
Ik zie in mij de dood van mijn eigen poëzie min of meer als die van mij zelf in het groot. Al dat rijm, al die coupletten, wat hinderen ze mij zolang ik ze niet opzij of op sterk water kan zetten. En toch, en toch en toch ontwaar ik het wee van de wetten die mijn lichaam zich zelf heeft gesteld als waren zij altijd nog die van mijn manke sonnetten waar mijn buik zich mee ontknelt.
Het gaat hier natuurlijk om de woorden en toch, drie keer herhaald. De mededeling die erop volgt, begrijp ik niet eens zo goed, maar er zit zelfspot in (de manke sonnetten waar een buik zich mee ontknelt, zo'n sonnet hebben we toch niet net gelezen? gedverderrie), en de woorden en toch vatten sowieso het werk van Vroman goed samen. Hij heeft veel moeilijke jaren gehad, er is hem van alles overkomen, en toch is hij nog altijd bij zijn Tineke, en toch leven ze beide nog, en praten ze nog.
Er is veel in de bundel dat niet echt te begrijpen is. Het dichten is voor Vroman af en toe zoiets als dagboekschrijven, het gaat over waarschijnlijk alledaagse gebeurtenissen (er worden allerlei personen bij name in genoemd alsof je die zou moeten kennen terwijl je er nog nooit van gehoord hebt) uit het leven van de dichter, maar die zeggen de lezer natuurlijk niets. Of ze zeggen alles: ze geven een sfeer van ongehoorde intimiteit. Die bijvoorbeeld ook veroorzaakt wordt doordat het werk zo nadrukkelijk buitenliterair is, er wordt behalve naar eerder eigen werk van Vroman (het beroemde gedicht over Jeldican) voor zover ik kan zien niet verwezen naar andere schrijvers of dichters, niet positief of niet negatief. Je hebt het idee dat Vroman ook echt niets weet over de Nederlandse in Amerika. Hij leeft gelukkig nog.
(Nadat ik dit stukje schreef, las ik op internet dat Hella Haasse toevallig vandaag wel overleed. Saluut.)

19.9.11

Bas Heijne. Moeten we van elkaar houden? Het populisme ontleed. Amsterdam: De Bezige Bij, 2011.

Bas Heijne. Moeten we van elkaar houden? Het populisme ontleed Toen Bas Heijne een kleine jongen was, keek hij weleens naar de filmpjes die zijn vader tijdens de vakantie gemaakt heeft. Zijn herinneringen aan die vakantie zijn vermengd geraakt met zijn herinneringen aan die filmavondjes, de twee dingen zijn niet of nauwelijks nog uit elkaar te houden.

Dat is voor generatiegenoten van Heijne — en ik ben maar een paar jaar jonger — een herkenbaar verhaal, ik herinner me mijn meeste jeugdvakanties ook nog doordat ik ze op een projectiescherm in de huiskamer voorbij heb zien flakkeren. Maar wat heeft die herinnering precies met het populisme me te maken, het eigenlijke onderwerp van dit essay? Dat is maar moeilijk te achterhalen.

De kern van het heftige politieke debat dat we de afgelopen jaren in Nederland, en elders in Europa hebben tussen de 'gevestigde' politiek en het 'populisme' is volgens Heijne terug te voeren op iets veel ouders en diepers: een al eeuwenlange strijd tussen twee dochterstromingen van de Franse revolutie, de Verlichting en de Contraverlichting. De Verlichting is op zoek naar algemene menselijke waarheden, naar universele mensenrechten, naar solidariteit, naar vrijheid, gelijkheid en broederschap voor allen. De moderne Contraverlichting vindt dat er achter die grote idealen teveel leugenachtigheid en hypocrisie steekt, en dat de menselijke maat daarin ontbreekt. Zij stelt daar het belang van de eigen groep, het recht op identiteit, enzovoort, tegenover.

Er zit vast iets in die analyse, al valt er wel het een en ander tegen in te brengen. Zo verklaart Heijne helemaal niet hoe het kan dat die contraverlichtingsgedachte de afgelopen tien jaar ineens zo prominent geworden is en dat over heel Europa. Hoezo schikte al die mensen die zo ongelukkig werden van solidariteit of die meenden dat iedereen die vrijheid en gelijkheid predikte een verachterlijke hypocriet was zich in die tijd wel in het lot?

Een ander bezwaar lijkt mij dat de Verlichting in dezen zo overduidelijk gelijk heeft. Hoewel Heijne terecht beweert dat het altijd meer loont om je tegenstander serieus te nemen dan om hem ongeduldig terzijde te schuiven, uiteindelijk lijkt hijzelf toch ook weinig positiefs te kunnen ontdekken aan de mensen die zich zo tegen de Verlichting verzetten. Ja, ze hebben misschien gelijk dat menige propagandist van die idealen zelf niet volgens die idealen leeft. Maar hun conclusie, dat die idealen daarom niet deugen, gaat ook Heijne uiteindelijk te ver. Een echte oplossing heeft hij daarom ook niet. Bovendien geeft hij toe dat bijvoorbeeld de PVV op allerlei gedachten hinkt: van een consistent, positief wereldbeeld is geen sprake, ook niet van een consistent contraverlichtingsdenken.

En hoe zit het nou met Basje met zijn natte haartjes bij de filmprojector? Het is een mooi verhaal, maar het verband met de grote lijn is maar heel dun. In het algemeen bestaat Moeten we van elkaar houden? uit nogal veel lijnen en lijntjes; bovendien komt de NRC-lezer af en toe ineens een stukje tegen dat hij al kent uit de krant. Het boek is nogal onrustig, het heeft geen duidelijke lijn, je zou bijna zeggen, het is een boek dat weinig opheeft met de grote lijnen. Misschien is het die onrust wel, die je bijvoorbeeld kunt verbinden met de opkomst van het internet, die verklaart waarom die verhalen over grote idealen de laatste jaren ineens zo ruw terzijde geschoven worden.

14.9.11

Gary Hayden and Michael Picard. Ce livre n'existe pas. Paradoxes, énigmes mathématiques et énigmes philosophiques. Paris: Marabout, 2009.

Gary Hayden and Michael Picard. Ce livre n'existe pas Hier is een voorstel. Ik gooi een muntje op. Als kop de eerste keer bovenkomt, krijgt u een euro en is het spel afgelopen. Bij munt gaan we nog een keer door. Als kop de tweede keer bovenkomt, krijgt u twee euro en is het spel opgehouden; bij munt blijven we doorgaan. Als kop de derde keer bovenkomt krijgt u vier euro; bij kop de vierde keer krijgt u acht euro, enzovoort. Hoeveel zou u willen inzetten? Honderd euro?

Volgens een bepaalde berekening zou het verstandig zijn om een willekeurig hoog bedrag in te zetten. Er is immers geen limiet aan hoeveel er te winnen is met dit spel. Toch voelt het op de een of andere manier niet juist; weinig mensen zullen bereid zijn om inderdaad, zeg, honderd euro in te zetten voor een spel waar ze vijftig procent kans hebben om slechts één euro te winnen (en als ik het goed zie niet meer dan een procent om het hele bedrag terug te winnen) -- ook al zijn er dan ook heel kleine kansen om duizelingwekkende bedragen te winnen die wiskundig gezien de kans op verlies in de schaduw te stellen.

Deze puzzel (de 'paradox van Heidelberg') is een van de tientallen 'paradoxen en raadsels' die aan de orde komt in Ce livre n'existe pas. Al die paradoxen bij elkaar hebben voor mij iets rustgevends. Dat komt geloof ik door mijn wereldbeeld. Ik heb het idee dat de meeste mensen tamelijk precies weten hoe de werkelijkheid in elkaar zit, dat bijvoorbeeld voor de wetenschappers het uitvoeren van onderzoek niet veel meer is dan het invullen van wat ontbrekende details. Terwijl ikzelf volkomen in het duister tast, zelfs over het grotere kader waar die details in zouden moeten passen. Het is dan prettig om te lezen dat er bepaalde fundamentele kwesties zijn die niemand echt begrijpt. Dat er bijvoorbeeld weinig in de bekende natuurwetten is dat verbiedt dat we ooit terugreizen in de tijd, terwijl niemand weet hoe dat dan moet als iemand besluit zijn eigen opa te gaan vermoorden, of zelfs waarom er dan nog nooit ergens tijdtoeristen uit de toekomst zijn aangetroffen. Alle oplossingen op dat probleem zijn, in ieder geval zoals Hayden en Picard ze uitleggen, lapmiddelen: er is tóch iets dat tijdreizen verbiedt, of je mag wel reizen maar dan mag je niks doen, enz.

Ik weet eigenlijk niet hoe die andere mensen over dat soort paradoxen denken, de mensen die op mij de indruk wekken dat ze precies weten hoe een en ander in elkaar zit. Misschien halen ze er hun schouders over op; misschien ook vergis ik me wel en tast feitelijk iedereen zo in het duister, en maak ik zelf juist ook de indruk het allemaal precies te weten. Wie zal het zeggen.

Die lapmiddelen begonnen me in dit boek wel af en toe tegen te staan. Over de paradox van Petersburg zeggen Hayden en Picard bijvoorbeeld alleen dat de hoeveelheid geld in de praktijk niet oneindig is en dat 20 miljoen winnen niet per se prettiger is dan 10 miljoen euo winnen, of dat winnende loten zeldzaam zijn. Maar dat laatste - waar volgens mij de crux in zit - wordt nauwelijks uitgewerkt. Zo blijft Ce livre n'existe pas vooral een parade van allerlei grappige paradoxen en puzzels — een uurtje amusement voor de blinden die wandelen door het duister van de werkelijkheid.

13.9.11

Matthew Battles. Library. An unquiet history. New York: Vintage, 2004 (2003).

Matthew Battles. Library. An unquiet history Dat het boek aan zijn einde is, las ik onlangs in een essay van Gerrit Komrij, kun je aflezen aan het feit dat er zoveel boeken verschijnen over boeken: romans van De naam van de roos tot De schaduw van de wind, de boeken van Alberto Manguel, enzovoort. Hoewel het een beetje paradoxaal is - boeken die de winkel uitvliegen omdat het boek verdwijnt - zit er toch wel iets in de analyse: de status van het boek is heel snel aan het veranderen en als iets verandert beginnen mensen erover na te denken.

Neem mij nu. Ik schrijf dit weblog over 'boeken' die ik gelezen heb. Een los essay als dat van Komrij, een tijdschriftartikel of een serie artikelen in de krant, bespreek ik niet. Het moet gaan om een 'zelfstandige publicatie' zoals de bibliografen dat noemen. Tegelijkertijd lees ik steeds meer van die boeken van mijn e-reader en daar zitten soms ook tamelijk dunne boekjes bij. Het idee van een zelfstandige publicatie wordt door het internet natuurlijk belachelijk gemaakt, en als lengte ook geen criterium is, hoe bepaal ik dan wel wat ik hier wel of niet bespreek? Dit weblog drijft - net als de meeste andere weblogs over lezen die ik ken - op een snel hopeloos verouderend idee.

Ondertussen lees ik vrolijk door over boeken, zoals nu deze informatieve geschiedenis van Battles over de geschiedenis van de bibliotheek, die overigens vooral een geschiedenis is van de vernietiging. Geen enkele bibliotheek is ooit voor altijd blijven staan (nou ja, er staan er natuurlijk nog, en misschien blijft de British Library er wel voor altijd) en juist de vernietiging, het verbranden en kapotmaken heeft er soms voor gezorgd dat de geredde snippers extra zorgvuldig bewaard bleven.

Interessant is ook hoe het idee over de ideale bibliotheek zich ontwikkeld heeft in de loop van de tijd: van de Romeinse bibliotheek die twee fraaie leeszalen moest hebben (één voor Griekse boeken, één voor boeken in het Latijn) tot Dewey die de bibliotheek maakte tot een zo efficiënt mogelijke machine om zoveel mogelijk kennis in de burgers te stoppen.

Wat mij verbaasde aan dit boek: hoe weinig aandacht er besteed werd aan het Internet. Ik had Library maar een paar maanden geleden cadeau gekregen, als een papieren boek. Hoe kan een auteur nu aan zo'n onderwerp voorbij gaan. Pas toen ik daarnet het jaar van verschijnen van dit boek opzocht, ontdekte ik dat het van voor de elektronischeboekenrevolutie stamt. Een boek, ook een papieren boek, van acht jaar geleden geldt inmiddels als verouderd. Het is een wonder dat de vriendin van wie ik dit kreeg het nog in een winkel heeft gevonden.

9.9.11

Woody Allen. Without Feathers. Audible.com, 2010 (1975).

Woody Allen. Without Feathers Het is dat ik Woody Allens films zo graag bekijk - dit weekeinde heb ik nog in een nauwelijks bezet heel klein Parijs' filmzaaltje Midnight in Paris gezien. Het is dat ik dit boek nu eenmaal als luisterboek gekocht heb en er toch al naar het luisteren was, en er bovendien bij dit luisterboek nog vier andere boeken van Allen werden meegeleverd, zodat ik dus nog wat te gaan heb. Misschien speelde ook nog een rol dat Wikipedia meldt dat dit een van Allens beroemdste boeken is. Maar anders had ik Without Feathers nooit helemaal afgeluisterd.

Waar ligt het aan? Ik houd normaal gesproken wel van het soort absurdisme dat Allen hier bedrijft. Ik ben er ook niet per se op tegen dat in verhalen hogere en lagere cultuur door elkaar worden gehaald. (Een van de verhalen gaat over een privé-detective die een bijzonder soort hoertjes op het spoor komt: jonge vrouwen die voor geld een intellectueel gesprek met je aangaan. Zijn droom: "Twee meisjes die Noam Chomsky uitleggen.") Daar kan het dus allemaal níét aan liggen.

Misschien ligt het aan Allens stem, bedacht ik. Hij klinkt nogal oud op de opnamen, een beetje vermoeid, terwijl de grappen elkaar in enorm hoog tempo opvolgen. Hij is duidelijk vijfendertig jaar ouder dan de energieke komiek die zulke absurde parodieën schreef. Maar misschien ligt het ook wel aan de grappen zélf, misschien is dit materiaal echt verouderd. Aan de andere kant veroudert niet alle humor zo snel, de films van Allen of de tv-programma's van Monty Python blijven nog steeds grappig.

Nou ja, misschien is Woody Allen ook in zijn films wel niet altijd even grappig. Ik heb Love and Death en Everything you always wanted to know about sex, die allebei uit ongeveer de periode van dit boek stammen gezien, en ik vond ze geloof ik geen van beiden erg geslaagd, en heb ze alleen gezien omdat ik de andere films zo graag bekeek, enz.

Wat me in het werk uit die tijd geloof ik, alles bij elkaar opgeteld, dan het duidelijkst tegenstaat, is de grapdichtheid. Die is te hoog, niet speciaal voor de oude stem van Allen, maar voor mij. Ik kan dat niet aan, iedere zin een grap. Het wordt me dan te duidelijk dat ik geacht wordt te lachen; dat gaan mijn lachspieren dan weigeren. Zodat ik niet lach - en er is weinig dodelijker voor een grap dan dat er, om welke reden dan ook, niet om gelachen wordt.

Ik vind Woody Allen het leukst als hij af en toe een grapje maakt.

6.9.11

P.F. Thomèse. De weldoener. Amsterdam: Contact, 2010.

P.F. Thomèse. De weldoener Een van de prettigste dingen die je kunnen overkomen in een lezend leven is dit: je begint een boek vol scepsis, omdat die schrijver natuurlijk niks kan zijn, waarom zou je dat nou lezen, wat moet je ermee; en dan ineens ontdek je dat het een goed boek is dat je leest, een boek waar je nog lang over na kan denken, en dat je kijk op de wereld toch weer een beetje veranderd heeft.

Zoiets overkomt je natuurlijk niet vaak, zeker niet als je volwassen bent. Want waarom zou je boeken gaan lezen waar je sceptisch over bent? Alsof er op de wereld niet genoeg te lezen is dat je graag eens zou willen lezen of herlezen. Alleen om die ervaring van verrast te worden hoef je het ook niet te doen — want meestal word je nu eenmaal niet verrast.

Nou, het overkwam me weer eens. Ik had de twee recentste boeken van P.F. Thomèse gekocht als e-boeken. Eerder had ik nooit iets van hem gelezen, mijn voordeel was dat hij hopeloos saai zou zijn; maar Thomèse is de komende periode gastschrijver van de Leidse letterenfaculteit waar ik werk, en ik schrijf een column over boeken voor de lokale nieuwsbriefn. Dus ik voelde het als mijn plicht om nu eens kennis te nemen van het werk van deze schrijver.

Het eerste boek dat ik las, Grillroom Jeruzalem, een non-fictieboek, was me bovendien niet meegevallen. En dan nu een hele roman van die man lezen? Zou dat wel wat worden?

Het werd wat. Ik wil nu niet meteen zeggen dat dit een groot meesterwerk was. Ik vond de stijl af en toe wat onbeholpen:

Verrukt door haar verleider en ontrukt aan haar familie. Door haar redder en ridder die haar schaakte op zijn witte paard. Eén recht, één averecht... en weg, de blanco toekomst in.

De schrijver heeft hier wel zijn best gedaan met dat tegenover elkaar plaatsen van verrukken en ontrukken en die redder en ridder, maar dan begint hij ineens, op niets af, te breien ('één recht, één averecht') en het beeld van de blanco toekomst komt ineens weer uit een heel andere hoek zonder dat het nu erg interessant is. Je zou kunnen zeggen dat hier nu eenmaal de cliché-matige gedachtewereld van een personage wordt weergegeven, maar ik vind het toch prettiger als iedereen in een boek zich een beetje behoorlijk uitdrukt. (Tenzij er bijvoorbeeld een komisch effect wordt beoogd met iemands kreupele taalgebruik.)

Alleen, na een pagina of honderdvijftig, vielen dit soort dingen me niet meer op. Wat ik slecht vond aan Grillroom Jeruzalem wordt in dit fictiewerk ineens een voordeel. Zoals de schrijver zelf in zijn non-fictie werk zit in deze roman ineens ieder personage gruwelijk opgesloten in zichzelf. Men bekijkt elkaar, men gebruikt elkaar, maar op geen enkel moment komt het tot werkelijk contact. Bovendien wil in ieder geval de hoofdpersoon, een componist die Theo Kiers heet maar zichzelf om interessanter te zijn Sierk Wolffensperger noemt, wanhopig tot in de hemelen stijgen maar wordt door de omstandigheden telkens tot de lulligheden gedwongen: zelfs als hij met zijn grote liefde naar een romantische boshut in Zwitserland ontsnapt, blijkt hij op een terreintje met aangeharkte vakantiehuisjes terecht te komen.

Ik weet niet zeker of ik de volgende roman van Thomèse meteen ga laden als hij verschijnt. Maar te zijner tijd ga ik zeker nog iets van hem lezen; en ik heb nu toch maar mooi een van de prettigste dingen meegemaakt die je als lezer kunnen overkomen.

George Steiner. Death of tragedy. London: Faber and Faber, 2010 (1960)

George Steiner. Death of tragedy Zou de tragedie dood zijn? George Steiner dacht vijftig jaar geleden van wel. In een essay van boeklengte legde hij uit wat de oorzaken volgens hem waren. Het publiek was er niet meer: sinds de productie van boeken goedkoop geworden was, las men liever thuis een roman. De poëzie had haar kracht verloren, en in proza kun je geen tragedies schrijven omdat deze een lichte kunstmatigheid, een verhevenheid, nodig hebben. Het moderne publiek mist een common ground, een verzameling gedeelde verhalen, zoals de Griekse mythen. Maar bovenal: de moderne mens gelooft niet echt meer in een verkeerde afloop. Het christendom, de romantiek, het marxisme, allemaal propageren ze dat het nog weleens goed af zal lopen. In zo'n hopeloos optimistisch klimaat gedijt geen romanschrijver.

Zou het? Hoe het vijftig jaar geleden was, weet ik niet, maar inmiddels is de techniek alweer zo ver dat er meer tv gekeken wordt dan in romans gelezen. Toch zijn er geloof ik weinig tragedies op de tv te zien, stukken waarin het woedende noodlot rondtolt en alles verscheurt wat het voor de voeten komt. We hebben toch nog steeds alles onder controle, op de tv. Terwijl die tv ook wel degelijk zorgt voor een wereldwijde common ground, die misschien niet even diep gaat als de mythologie, maar minstens even gevarieerd is. En Shakespeare maakte per slot van rekening soms ook zijn eigen mythen.

Ook dat je inderdaad niet echt met goed fatsoen personages in blanke verzen kunt laten spreken, kan nauwelijks een reële verklaring zijn. Steiner wijst er zelf op dat Shakespeare zelf het tragisch proza ontwikkelde, bijvoorbeeld in King Lear. Bovendien worden er in films allerlei quasi-verheven registers gebruikt (denk aan Lord of the Rings) zonder dat iemand daar over lijkt te vallen.

En de romantiek en het marxisme hebben hun langste tijd gehad. Het christendom zit misschien nog wel wat dieper in onze cultuur, maar volgens mij zijn we toch ook nog wel een beetje Grieken. Kijk om je heen: de wereld stort in elkaar door hebzucht en egoïsme, mensen ontketenen krachten die ze niet beheersen en het wordt almaar duidelijker dat niemand kan garanderen dat het ooit nog goedkomt. Wat hebben we verder nodig voor een tragedie?

Misschien is het ook wel allemaal toeval, dat ook de afgelopen vijftig jaar ons geen tragedies van formaat gebracht hebben (maar wel nog steeds meer romans). Steiner wijst erop dat ook in het verleden de tragedieschrijvers vaak in plukjes kwamen, van mannen die in tijd en ruimte bij elkaar in de buurt waren: Aeschylos, Euripides, Sophocles; Shakespeare, Marlowe, Johnson; Corneille en Racine; Ibsen, Tsjechow, Strindberg. Misschien komt er wel weer zo'n clubje. Dat worden duistere tijden, maar wel plezierige.