28.11.11

Giovanni Filocamo. Il matematico curioso. Milano: Kowalski, 2010

Wiskundeboeken zijn zo te zien populair in Italië, de laatste jaren. Wat voor sociologische verklaring je daarvoor zou kunnen geven, ik weet het niet, althans ik kan van alles verzinnen dat perfect van toepassing zou zijn (in tijden waarin mensen politieke en maatschappelijke corruptie beginnen te voelen, krijgen ze een hang naar de zuiverheid van de wiskunde), maar zodra je zoiets empirisch gaat bekijken, zakken dat soort analyses meteen door hun hoeven: gaat publieke belangstelling voor wiskunde samen met maatschappelijke onrust? Nee. Zijn onrustige samenlevingen bijzonder gevoelig voor wiskunde? Ook niet.

Ik heb zelf in ieder geval het afgelopen jaar enkele populair-wetenschappelijke boeken over wiskunde gelezen. Il matematico curioso, een boek van de jonge Italiaanse natuurkundige Giovanni Filocamo. Ik deed dat voor een deel ook om oneigenlijke redenen: ik wil mijn Italiaanse woordenschat wat vergroten en daarom wat meer Italiaanse boeken lezen over allerlei onderwerpen.

Il matematico curioso leek daarvoor een geschikt boek: de wiskunde is zeer eenvoudig, ik heb geloof ik niets gelezen dat ik niet al eens gelezen had. Tegelijkertijd is dat geloof ik ook het nadeel: dit boek is van vorig jaar en stamt dus van midden in de vloed aan Italiaanse of in het Italiaans vertaalde boeken en het biedt weinig nieuws. Het recept: de auteur neemt zaken uit het dagelijks leven en legt uit hoe daar toch ook een wiskundig kantje aan zit. Dat dagelijks leven is in dit geval dan weliswaar Italiaans — er staat bijvoorbeeld een beschouwing in over de vraag hoe je zo sterk mogelijke koffie maakt. Maar het blijft oppervlakkige wiskunde over niet erg opwindende gebeurtenissen en opgeschreven in een stijl die leesbaar is en helder, maar ook niet meer dan dat. Il matematico curioso wil zelf geen leerboek zijn, maar is wel volgens de boekjes geschreven. Gelukkig dat ik dan ook een heel ander doel had: zoveel mogelijk nieuwe woorden leren. Typisch een schools doel, en daar is Filocamo de juiste auteur voor.

24.11.11

Karl Popper. Unended Quest An Intellectual Autobiography. London: Routledge, 2009 (1992).

Karl Popper was naar eigen zeggen op zeker moment 'de gelukkigste filosoof in Engeland die ik ken'. Dat geloof je als lezer van deze autobiografie graag, want het geluk van de filosofie spat van de pagina's af — bijvoorbeeld doordat Unended Quest als autobiografie totaal mislukt. Over Poppers vrouw komen we bijvoorbeeld weinig meer te weten dan dat ze zijn boeken overtypte; of ze kinderen hadden, weet je niet. Had hij vrienden, huisbazen, collega's? Je komt het niet te weten? Gaf hij weleens college, trad hij weleens in het openbaar op, ging hij weleens bij zijn moeder op visite? Wie dat soort dingen wil weten, kan in Unended Quest niet terecht.

Hij probeert het wel, in de eerste bladzijden van het boek vertelt hij nog wel wat over zijn ouders, al is het niet veel. Maar al heel snel geeft hij het allemaal op en wijdt zich alleen nog maar aan zijn werk en zijn ideeën. Zelfs die behandelt hij trouwens niet autobiografisch; over de manier waarop ze tot stand kwamen of zich ontwikkelden, komt de lezer maar weinig te weten. Het is alsof ook die ontwikkeling er voor de bejaarde Popper niet toe deed. Hij keek namelijk niet terug, hij probeerde alleen maar nog steeds dieper te kijken.

Wat een genot moet het zijn geweest om zo van denken te houden. En dan zo goed en zo helder te kunnen denken. Poppers ideeën over wetenschap en over de samenleving zijn vanuit een bepaald oogpunt weinig spectaculair en tegelijkertijd zo precies juist als weinig gedachten van anderen.

Mensen vinden Popper daarom weleens saai. Ik kan me herinneren dat W.F. Hermans zoiets weleens gezegd zou hebben (die daarom de voorkeur gaf aan Wittgenstein) en in ieder geval zei een Facebook-vriend het onlangs tegen mij toen ik opmerkte dat Popper de redelijkste mens ooit was: zou je dat willen zijn, de redelijkste mens ooit?

Ik geloof dat ik dat inderdaad best zou willen zijn. Het lijkt me ook helemaal niet saai, zo zeer samenvallen met zulk goed werk.

16.11.11

Allard Schröder. Het meisje met de afstandsbediening. Amsterdam: De Bezige Bij, 2011

Er wordt een spelletje met ons gespeeld. Op het omslag van Het meisje met de afstandsbediening staat een tekst waarin onder andere staat: "Allard Schröder heeft een veelzijdig oeuvre op zijn naam staan, dat bestaat uit romans, novellen, verhalen, vertalingen en essays. [...] Schröders poëzie is tegelijk ernstig en vrolijk, maar altijd lyrisch geschreven in een breed scala van stijlen en thema's, die onder de soepele pen van de ervaren auteur tot een eenheid zijn gesmeed."

Dat moet een parodie zijn, met die soepele pen van de ervaren auteur en dat tegelijk ernstig en vrolijk, maar altijd lyrisch. Dat kan een mens toch niet allemaal serieus menen, zoveel oubolligheid bij mekar, en dan tegelijk ook nog bij een gerenomeerde (om niet te zeggen: ervaren) literaire uitgever als De Bezige Bij werken?

En dan het nawoord, waarin de dichter dingen zegt als 'In al die jaren dat ik proza en essays schreef, heb ik ook wel eens een gedicht gemaakt, meestal op momenten dat ik niets dringends om handen had of gewoon omdat het andere werk even niet wilde vlotten.' Wie schrijft er zoiets? En dan de toespraak die Kees 't Hart hield bij het verschijnen van deze bundel en waarin hij doet alsof dit een soort ironie is en Schr&oul;der feitelijk de belangrijkste dichter die er rondloopt.

Ik kan het allemaal niet plaatsen. De gedichten lezen helemaal niet als het werk van een zeer belangrijk dichter en belangrijker nog: ook niet als werk van iemand die dat pretendeert te zijn. De gedichten zijn allemaal leesbaar, zeker, en soms ook fraai. Mijn favoriet is het 'Supermarktgedicht':

Supermarktgedicht

Eindeloze rijen bomen in blik daar blinkend staan,
waar traag het karretje langs de schappen rijdt
waar cornflakes, bruine suiker, sudderlappen
tot aan wollig witbrood en de doodvermoeide moeder:
haar handen bij de fijne vleeswaren op de tast,[...]

De vorm is heel klassiek, het zou een satire van Horatius kunnen zijn, en de inhoud modern, zonder ironisch te worden. Ironisch wordt Schröder sowieso niet in deze gedichten, voor zover ik kan nagaan, en klassiek is hij vaak. In het nawoord legt hij uit dat sommige gedichten ontstonden als vingeroefeningen bij het vertalen van Latijnse dichters en dat geloof ik graag (al vind ik de gedichten die hij dan aanwijst niet de sterkste in de bundel.) Al met al is het een prettige bundel met mooie gedichten. Hoe moeten we dan de vreemde toon van het omslag en het nawoord verklaren? Ik neem aan dat 't Hart zelf ironisch was toen hij dat nawoord zo begon te interpreteren, dat hem zelf die vreemde, ouderwetse toon zelf ook was opgevallen. Zou Schröder zich een beetje schamen voor deze gedichten en daardoor zo vreemd gaan doen? Ik zou ook eens kennis moeten nemen van zijn proza, maar in ieder geval kan hij met deze gedichten heus voor de dag komen.

13.11.11

Pieter A.M. Seuren. Chomsky's Minimalism. Oxford: OUP, 2004.

Noam Chomsky, dat weet iedereen, is al decennialang een centrale figuur in de taalwetenschap. In het bijzonder de leer van de zinsbouw, de syntaxis, heeft hij heel belangrijk gemaakt en nog steeds is het binnen die syntaxis zo dat iedereen naar Chomsky kijkt: sommigen vol bewondering en anderen vol afschuw, maar iedereen kijkt.

Iemand die zo vol afschuw kijkt is Pieter Seuren, inmiddels alweer geruimte tijd emeritus hoogleraar in Nijmegen. In 2004 schreef hij een soort pamflet tegen Chomsky en de laatste versie van diens theorie, het zogenoemde minimalisme.

Seuren laat geen spaan heel van dat minimalisme van Chomsky: de theorie zit volkomen onlogisch in elkaar, vanuit wetenschapsfilosofisch oogpunt bekeken is het een warboel, er bestaan geen feiten die deze theorie wel kan verklaren maar andere niet, terwijl omgekeerd andere theorieën wel allerlei feiten kunnen verklaren waar het minimalisme niets mee kan, enz. Maar bovenal is het boek een persoonlijke aanval op Chomsky: de man is oneerlijk, megalomaan, en onwetenschappelijk, een warhoofd en een bedrieger. Het wordt allemaal in net iets keuriger bewoordingen gezegd, maar het komt er wel op neer.

Ik ben wel taalkundige, maar op het gebied van de syntaxis niet veel meer dan een geïnteresseerde leek. Het lijkt mij dat Seuren her en der best een punt kan hebben, maar dat hij zichzelf overschreeuwt. Je ziet hem achter zijn schrijfmachine zitten met een rood hoofd dingen aankruisend in het boek van Chomsky waar hij zich verschrikkelijk aan ergert en dat hij nu eens goed recht wil zetten. Vandaar dat dezelfde passages een paar keer terugkomen, zelfs met hetzelfde commentaar erbij. Vandaar dat Seuren ook allerlei voorbeelden uit de eigen taalkundige keuken geeft over hoe het beter kan.

Het is een merkwaardig boek, maar er bestaan er meer van in dit genre: woedende anti-Chomsky-boeken (ze bestaan ook over Chomsky's politieke werk, waarin hij een zeer links standpunt pleegt aan te nemen, maar daar heb ik het nu niet over). Veel ervan komen van mensen die in de jaren zestig jong waren en bij Chomsky studeerden. Zij ontwikkelden op zeker moment een eigen loot in de Chomskiaanse theorie, maar Chomsky drukte deze met hardhandig retorisch geweld de kop in. Het lijkt net alsof deze mensen hem dat nooit vergeven hebben, alsof ze de rest van hun leven hebben laten bederven door een enorme afkeer van die man en zijn ideeën en zijn manier van doen.

Het is vooral jammer, omdat sommige van de bezwaren helemaal niet zo gek zijn. Zo is Chomsky vaak wel heel achteloos met gegevens die lijken te weerspreken wat hij te beweren heeft en maakt hij soms wel heel grandioze claims op basis van observaties die niet helemaal duidelijk zijn. Toch is hij, ben ik bang, uiteindelijk toch een heel wat meeslepender denker dan zo iemand als Pieter A.M. Seuren.

9.11.11

Lucebert. op mijn rug rust de wind. drie voordrachten uit 1949. Rimburg: Huis Clos, 2011

Met mijn vriend W. heb ik het de afgelopen maanden veel over waanzin gehad. Een gek - een psychoot om precies te zijn? - ziet de wereld anders, maar wat betekent dat? Om te beginnen weet niemand wat de werkelijkheid is. Hoe langer en dieper je nadenkt over de eenvoudigste dingen – de tijd, de ruimte, de taal – hoe duidelijker het wordt dat we eigenlijk niets begrijpen en niets weten. Normaal zijn betekent volgens W.: je daarom vasthouden aan conventies. Je observeert de klok en de kalender en je pretendeert daarmee, ook voor jezelf, dat je daarmee weet wat tijd is, ja, deze zelfs onder controle hebt.

Waanzin betekent dat je die conventies om wat voor reden dan ook verliest. Je spiegelt je gedachten niet meer aan die van anderen, je komt ineens los te staan, en komt in het moeras van de onzekerheid. Meteen beginnen gekken hun eigen zekerheden te creëren, die los staan van de conventionele: dat is de waanzin. De mystiek lijkt in deze visie veel op de waanzin: ook daar raak je los van al die conventies en kom je terecht in de absolute vrijheid.

In eerste instantie spraken we vooral over dit onderwerp omdat W. er een boek over aan het schrijven is. Inmiddels is het mij beginnen te fascineren. En zoals dat gaat: ineens zie ik overal bevestiging voor die stelling van W.

Ik kocht zondag op een boekenbeurs bijvoorbeeld op mijn rug rust de wind, een fraai uitgegeven boekje met drie nog niet eerder uitgegeven lezingen van Lucebert aan het eind van de jaren veertig. Vooral in de laatste lezing, die hij gaf voor studenten van de Rietveld Academie (die toen nog niet zo heette) geeft Lucebert een fascinerend inkijkje in zijn denken over zijn eigen poëzie. Er zijn hemelse dichters, zegt hij, en aardse dichters. Maar er zijn ook helse dichters, dichters van het riool:

"Wij hebben uiterst geraffineerd hygiënisch ingerichte wc's, maar we hangen er het liefst verjaarskalenders in op om toch vooral de tijd en de economie niet te vergeten. De riolen, in godsnaam natuurlijk, blijven buiten ons gezichtsveld, we zijn als de dood zo bang voor de riolen, ik zeg, als de dood zo bang. Want in de onderwereld, in de hel alleen heeft eenieder de kans de duivel of zijn dood z'n nek om te draaien. Daarboven, boven de riolen, in de geordende samenleving, hoor je alleen maar de centen rammelen.

In een begeleidend essay wijst de Lucebert-kenner Jan Oegema erop hoe dicht Lucebert hiermee in d buurt van Kierkegaard en de mystiek komt, maar voor hetzelfde geld kun je zeggen: in de buurt van de waanzin en mijn vriend W. Zelfs de kalenders waar we ons aan vastgrijpen (en de centen, ook zo'n conventie waarvan we met zijn allen doen alsof het echt iets is dat in de plaats kan staan van het ongrijpare begrip waarde) ontbreken niet. En daarmee wordt inderdaad ineens ook veel duidelijk over de poëzie van Lucebert, die almaar, almaar los wil breken van alle orde, terug de mystiek in, terug de waanzin in.

8.11.11

Quintus Horatius Flaccus. Verzamelde gedichten. Historische Uitgeverij, Groningen, 2003 (1e eeuw v. Chr.)

Vertaling: Piet Schrijvers

Wanneer kun je zeggen dat je het verzameld werk van een klassieke dichter uit hebt? Voor de meeste mensen is zoiets natuurlijk geen probleem - het wordt het ineens als je een weblog hebt waarin je iets opschrijft over boeken die je zojuist hebt uitgelezen.

Het moment komt wat mij betreft in het geval van Horatius misschien wel nooit. Ooit heb ik hem geadopteerd als favoriete dichter, zonder eigenlijk veel van hem te weten. En jarenlang heb ik me beperkt tot wat waarschijnlijk allerwegen wel als de kern van zijn werk beschouwd wordt: de oden, waarvan ik heel veel flarden en sommige hele gedichten uit mijn hoofd ken.

Maanden geleden besloot ik dat ik de rest van zijn werk nu ook eens systematisch door moest nemen en dus begon ik op bladzijde 1 van Piet Schrijvers' vertaling van de Verzamelde gedichten die ik al jaren in huis heb — de vertaling is van 2003, het zou me niet verbazen als bleek dat ik ze toen ook gekocht heb.

Dat systematische heb ik niet heel lang volgehouden. Op een bepaald moment begin je toch heen en weer te springen, waarbij de verleiding voor mij groot was om steeds ergens in het midden uit te komen, bij de oden. In die gedichten legde Horatius zich erop toe om de Griekse lyrische dichtkunst van onder andere Sappho te evenaren. Hij deed dat door thema's uit die dichtkunst te nemen – de liefde, het verkieslijke van het simpele leven op het land – en die in allerlei tamelijk ingewikkelde versvormen te gieten die Latijnse equivalenten moesten zijn van de ingewikkelde vormen die zijn voorgangers in het Grieks hadden gebruikt: ingewikkelde patronen van lange en korte lettergrepen, met soms voor iedere versregel weer een andere maat.

Veel van Horatius' andere werk zit eenvoudiger in elkaar: lange en korte lettergrepen wisselen elkaar af, en iedere regel heeft hetzelfde patroon als de vorige en de volgende. De onderwerpen zijn ook vaak wat alledaagser: scheldkannonades op aftandse wijven, praatjes met de buurman, een verhaal over iemand die hem tegenkomt en die begint te slijmen.

Toch vind ik dat andere werk vaak wat moeilijker te plaatsen. Je hebt het geval dat er de hele tijd naar allerlei zaken verwezen wordt - actuele toestanden, politiek, dingen die misschien in Horatius' vriendenkring speelden, weet ik veel - waar ik te weinig van weet om alles goed te kunnen appreciëren. Veel van de iamben en brieven maken op mij ook de indruk van vergaarbakken met van alles en nog wat - ongetwijfeld heel spitsvondig gezegd, maar ook dat vind ik weer moeilijk te beoordelen nu ik de omgangstaal niet ken.

De vertaling van Piet Schrijvers is, denk ik, heel goed, maar het is bijzonder jammer dat er geen echte toelichtingen gegeven worden. De tekst die er staat wordt vertaald, maar het is een illusie dat hij daarmee voor de moderne Nederlandse lezer meteen toegankelijk zou zijn, dat blijkt. Vandaar misschien dat ik steeds naar de oden terugga; daar heb ik in de loop van de jaren zoveel commentaar over gelezen in allerlei edities, dat ik die tenminste ken en hopelijk een beetje begrijp.

Maar er is ook een andere reden: die gedichten zijn bij tijd en wijlen zo weergaloos mooi. "Quid sit futurum cras fuge quaerere, et / quem fors dierum cumque dabit lucro / adpone, nec dulcis amores / sperne puer neque tu choreas" Het is onvoorstelbaar dat iemand zulke regels ooit daadwerkelijk bedacht heeft, en heeft opgeschreven.

4.11.11

Arnon Grunberg. De mensendokter. Amsterdam: Nijgh en Van Ditmar, 2011.

Ik meen een aantal dingen te begrijpen over Arnon Grunberg. Dat hij niet van cabaret houdt, bijvoorbeeld, daar kan ik me wel in verplaatsen. In zijn nieuwe boek De mensendokter, een verzameling stukjes uit Vrij Nederland waarin Grunberg (levens-)vragen beantwoordt van lezers.

Ik houd ook niet zo van cabaret, en des te meer van Lieve Lita-achtige rubrieken. Hoewel het allebei vormen van moralisme zijn, staan ze haaks tegen elkaar. In het cabaret wordt een boodschap van een kant van de zaal de andere ingeslingerd, worden mensen belachelijk gemaakt en weten we met zijn allen in de zaal het gelukkig beter. In zo'n vragenrubriek worden mensen serieus tegemoet getreden, en wordt ieder zijn eigen probleem gegund. Een fijne Amerikaanse rubriek op internet is Since you asked in het tijdschrift Salon. In Nederland bestaat wel veel cabaret, maar zijn er maar weinig van dit soort rubrieken.

Als Grunberg een brief krijgt waarin staat "Mensendokter, ik voel me goed met mijn vrouw en drie kinderen. Maar als ik artiesten, schrijvers en cabaretiers hoor, krijg ik steeds de indruk dat ik een incompleet en dom mens ben" en daarop antwoordt: "Wat cabaretiers beweren moet u met een korreltje zout nemen: het cabaret verhoudt zich tot literatuur als de operette tot Bach", dan kan ik alleen maar instemmend knikken.

Helaas staat De mensendokter zelf dichter bij het cabaret dan bij de echte vragenrubriek. Grunberg gaat niet echt serieus in op ingewikkelde levensvragen - bij bespot de vragenstellers soms, of hij orakelt een beetje over hoe het leven in elkaar zit, of hij trekt de zaken in het absurde, maar een analyse van iemands problemen pleegt hij niet. Daar zijn de vragen ook te kort voor - hij schrijft een paar keer dat hij ze heeft ingekort - en uiteindelijk te weinig serieus. Maar dat laatste is natuurlijk een wisselwerking: wie gaat nu zijn ziel en zaligheid voorleggen aan een cabaretier?

Grunberg is een zeer goede schrijver, maar een mens is hij geloof ik niet. Zijn levenshouding is bewonderenswaardig eigenzinnig, maar ook heel merkwaardig. Uit De mensendokter meen ik op te maken dat het wat rustiger geworden is - er is steeds sprake van een vriendin, en dat lijkt me steeds dezelfde vriendin - maar het feit blijft dat hij idioot hard werkt, eigenaardige ideeën over de opvoeding van kinderen rondstrooit, enz.

Ik was me ook nooit zo bewust van de sterrenstatus die Grunberg inmiddels bereikt heeft. Ik weet natuurlijk wel dat hij heel beroemd is, en in abstracte zin ook wel dat er mensen met hem dwepen. Maar in De mensendokter staan enorm veel brieven van mensen die ook schrijver willen worden, van mensen die reageren op een boek of een column, van mensen die hun kans willen grijpen om Grunberg een keer te ontmoeten, enz. Ik kan niet zeggen dat hij er slecht mee omgaat, maar de schrijver van een echte levensvragenrubriek staat toch niet mijlen boven zijn publiek — dat is dan toch weer de cabaretier op zijn podium.

Lees ik het boek met de verkeerde houding? Dat zou best kunnen. Een mens zou ook kunnen accepteren dat een boek dat lijkt op een vragenrubriek, dat toch niet is. Maar uiteindelijk komt er ook weinig voor in de plaats: Grunberg is vind ik hier maar zelden echt grappig en grote, diepe inzichten biedt hij niet. En het grootste probleem: hij blijft een beetje hangen in wat lauwe ironie. Zo komen we niet verder!