31.5.12

Alessandro Baricco. I barbari. Saggio sulla mutazione. Milano: Feltrinelli, 2011 (2006).

Wij zijn de barbaren en we staan voor de poorten van onze beschaving. We zijn nomaden, misschien niet in fysieke zin, maar wel in intellectuele: in plaats van ons ergens te vestigen (ons in een onderwerp te specialiseren), surfen we rond. We geloven niet meer in de diepe ervaring die moeite kost, het boek dat veroverd moet worden, maar alleen nog maar in het hoppen van de ene ervaring naar de andere. We willen spektakel, we willen nieuws, we willen toegankelijkheid. En daarmee maken we een oude traditie kapot.

Dat is ongeveer het betoog van Alessandro Baricc, voor u handig samengevat in een paar regeltjes zodat u ook snel weer verder kunt met uw leven.

Baricco laat zien dat er aan het binnenvallen van de barbaren niet te ontkomen valt. Dat het een trend is die al diep in de negentiende-eeuw werd ingeze, toen een muziekcriticus over de negende van Beethoven schreef dat het zo op effectbejag uit was, alleen geschikt voor de lezers van romannetjes — terwijl de negende en het lezen van romans nu zo ongeveer het hoogtepunt zijn van onze beschaving. Dat het onder andere een bijeffect is van democratisering en een grotere toegankelijkheid van cultuurproducten voor iedereen. En dat de omgekeerde cultuur, van streven naar het hoogste en het goede, de grote verschrikkingen van de twintigste eeuw mogelijk gemaakt heeft.

Het interessante is dat Baricco's eigen essay zelf ook duidelijk een product is van een barbaar: geschreven voor een krant in korte, hapklare afleveringen, met een cultuuroverzicht dat erudiet is maar vooral ook vol grootse gebaren zit. Dat elegant geschreven is, maar in de 'toegankelijke stijl' die volgens Baricco het kenmerk is van de barbaren.

En dat uiteindelijk ook niet heel erg de diepte ingaat. Regelmatig raakt hij iets aan om dan te zeggen "Dit is geen boek over X". En zelfs waarom het nu precies erg zou zijn als die oude cultuur verdwijnt (als niemand Thomas Mann meer leest), weet Baricco niet duidelijk te maken.

Mijn idee is: de mens is van oorsprong een nomade, een barbaar die altijd op zoek is naar prikkels, heel veel prikkels, en die bovendien in groepen leeft. Er zijn tijden geweest dat het kennelijk relatief moeilijk was om al die prikkels te vergaren. Daarom moest men het doen met die grote meesterwerken, die door individuen geschapen werden, genieën.

De mensheid gaat nu weer terug naar een natuurlijker manier van leven: als collectief, op zoek naar prikkels. Dat lijkt gevaarlijk omdat we uit een andere manier van leven vandaan komen en dat roept, zoals Baricco beschrijft, gevoelens van nostalgie op: ook ik houd van Mann, ook ik kan me een wereld zonder hem niet goed voorstellen. Maar ik kan ook geen goede argumenten bedenken waarom zo'n wereld slechter af zou zijn.

27.5.12

Ray Monk. Ludwig Wittgenstein. The Duty of Genius. London: Vintage, 2011 (1991).

Bertrand Russell vond dat zijn voormalige protégé Ludwig Wittgenstein zich het na het schrijven van zijn Tractatus logico-filosoficus maar gemakkelijk maakte. Wittgenstein begon gaandeweg steeds meer filosofische vraagstukken op te lossen door ze onzinnig te verklare. 'Wat is tijd?', bijvoorbeeld, is een vraag die gebaseerd is op een grammaticafout: je kunt zulke dingen helemaal niet vragen, je moet accepteren dat de tijd er is.

Lekker makkelijk, dacht Russell, want die 'onmogelijke' vraag blijft toch maar lekker hangen.

Dat Wittgenstein het zich bepaald niet gemakkelijk maakte, blijkt wel uit deze biografie. Wat een gekweld en getourmenteerd leven had die man af en toe, wat was het denken een worsteling voor hem en het leven ook, en wat nam hij beide toch vreselijk serieus. Monk leidt de lezer in in leven en denken van de grote filosoof — en laat zien dat die twee met elkaar verbonden zijn, dat je het ene niet kunt begrijpen zonder het andere. Waarover Wittgenstein in zijn werk niet kon spreken, dat probeerde hij te tonen in zijn leven.

Overigens vond Wittgenstein dat Russell het zich omgekeerd ook te gemakkelijk maakte, met zijn populair-wetenschappelijke boeken. Tegelijkertijd bleven de twee mannen elkaar steeds trouw — ze bleven contact houden, en Russell bleef aanbevelingsbrieven voor Wittgenstein schrijven. (Je krijgt niet de indruk dat W. zelf zoiets weleens deed, maar hij raadde zijn beste studenten toch al bij voorkeur aan om geen beroepswijsgeer te worden, maar iets anders te gaan doen. Zoals hij zelf ook toen hij al dik vijftig was nog serieus overwoog om arts te worden.)

Het fijne van Wittgensteins biografie is dat de man ook zoveel interessante tijdgenoten is tegengekomen. Twee intellectuele helden, Alan Turing en Karl Popper, waren bijvoorbeeld ooit zijn tegenstander — ach, dat je zo'n discussie zou hebben mogen meemaken!

Arnon Grunberg. De man zonder ziekte. Amsterdam: Nijgh en Van Ditmar, 2012.

Een levende schrijver van nabij volgen is extra spannend. Behalve dat ieder boek op zich een avontuur biedt, heb je nog een ander avontuur: de ontwikkeling van iemand die je natuurlijk niet echt kent, maar die je zich langzaam ziet ontvouwen: wat voor boeken gaat hij nu schrijven? Wordt hij beter of kachelt hij achteruit?

Ik volg niet veel schrijvers, maar Grunberg is er een van. Toen zijn eerste boeken verschenen, begreep ik eerlijk gezegd niet goed waarom hij zoveel opzien baarde. Ik vond Blauwe maandagen en Figuranten vooral getuigen van mateloze verveling.

In de loop der jaren is Grunberg gaan strijden tegen die verveling op een succesvolle manier: door zijn wereld groter te trekken, uitstapjes te maken naar Afganisatan, Bolivia, Kenia en waar al niet. Door zich serieus bezig te houden met wat daar gebeurt.

In veel van zijn meest recente romans gaat het over een man die uit de onschuld en de verveling van het westen komt en geconfronteerd wordt met de gore corruptheid van de wereld &mdash: Tirza is daar het beroemdste voorbeeld van. Dit nieuwe boek, De man zonder ziekte, zet een extra stap: die verrotte wereld zit misschien ook wel in de saaie man zelf.

Dat is op zichzelf misschien geen verrassende gedachte, maar Grunberg werkt hem uit in een sprankelend verhaal. In een recensie in de NRC wijst Arjen Fortuin op overeenkomsten met het werk van Kafka, maar die haalde ik er eerlijk gezegd zelfs nadat ik de recensie gelezen had, nog niet uit. Althans, ik begrijp wel dat er een oppervlakkige vergelijking mogelijk is met Het proces, maar in mijn ogen kom je niet erg ver met die vergelijking: terwijl Josef K. vooral voortgedreven wordt door zijn eigen onnozelheid en braafheid, gaat Sam uiteindelijk vooral ten gronde aan zijn eigen corruptie.

Ik zou wel op een andere overeenkomst willen wijzen: die met de film Scarface, waarvan Grunberg volgens mij al eens heeft gezegd dat het zijn lievelingsfilm is. Een heel simpele overeenkomst is al dat Grunbergs man zonder ziekte een beschadigde neus overhoudt aan zijn eerste confrontatie met de Iraakse politie. Maar ook verder is het een verhaal van iemand, een reiziger, die steeds dieper zinkt in een poel van geweld en ellende.

Dit boek wordt allerwegen bejubeld, en dat lijkt me terecht. Ik kijk nu al uit naar Grunbergs volgende boek.

16.5.12

David Pefko. Het voorseizoen. Amsterdam: Prometheus, 2012 (2011)

Wanneer mag je beslissen dat er een trend is in de Nederlandse literatuur? Het voorseizoen van David Pefko is het tweede boek dat ik las dat gaat over iemand die veel te dik is: eerder deze maand las ik Lieve Céline van Hanna Bervoets, waarover ik niet op dit blog schreef maar wel elders.

De protagonisten hebben meer overeenkomsten dan het gewicht: ze verkeren allebei aan de zelfkant van de maatschappij, zijn niet bijster intelligent en gaan uiteindelijk tragisch ten onder. De trend zou dan zijn: een plotselinge aandacht van de romanschrijvende elite voor de mensen die nooit boeken lezen maar wel patat eten.

Mijn stukje over Lieve Céline ging vooral ook over de vraag wat vrouwelijke schrijvers en lezers onderscheidt van mannen. Een grondige vergelijking van dat boek met Het voorseizoen zou misschien licht op die kwestie kunnen werpen, want Het voorseizoen lijkt me een heel mannelijk boek. En dat is niet alleen omdat de hoofdpersoon naar de hoeren gaat (mannelijke schrijvers die over de zelfkant schrijven, schrijven vaak over prostitutie). De aandacht voor het lichamelijke is ook anders: het is kotsen, diarree hebben en masturberen, het gaat over dingen die het lichaam uitkomen. Vrouwelijke schrijvers schrijven vaker over wat er in het lichaam gebeurt. (Nu ik dit opschrijf, bedenk ik dat dit toch ook niet helemaal klopt want Pefko's held, Steve Mellors, heeft ook regelmatig buikpijn.)

Nou ja, daar kom ik niet uit.

Het voorseizoen roept ook een heleboel vragen op: waarom heeft de schrijver dit of dat gedaan? Hoe komt een Nederlandse schrijver er bijvoorbeeld toe om een rechercheur uit Leicester tot hoofdpersoon te kiezen? Technisch is dat behoorlijk ingewikkeld (hoeveel Engelse woorden gebruik je bijvoorbeeld in de dialogen?) Waarom moet die man met alle geweld tegen het eind van het boek naar een Grieks eiland worden weggewerkt? Dat is toch een van de minder geloofwaardige kanten van het boek, dat zijn mislukte advocaat hem zomaar naar zijn eigen vakantiehuisje laat gaan. En wat heeft die jonge Pefko (29 jaar is hij nog maar) met dikke mannetjes die op internet hun gerief zoeken — het internetverschijnsel Louis Nanet is immers ook door hem verzonnen? Waarom staat er op het omslag een afbeelding van een jongetje dat de zee in loopt? Waarom heet het boek Het voorseizoen?

Maar het gaat niet om die vragen. Alles bij elkaar is Het voorseizoen een verbazingwekkende roman, hopelijk de voorbode van nog heel veel moois. Ik heb het gevoel dat het allemaal nu soms nog wat technisch is, dat hij nog teveel een leven van buitenaf beschrijft, en eerlijk gezegd ook een beetje te lang van stof; maar dat er een moment komt dat er uit Pefko's binnenste nog iets veel verschrikkelijkers komt dan de buikpijn van een dikke man. En dat we dan te maken blijken te hebben met een van de grootste Nederlandse schrijvers van onze tijd.