30.12.12

Saadi. De rozentuin. Amsterdam: Bulaaq, 2005 (13e eeuw)

De ware wijsheid is van alle tijden en geldt over de hele wereld. Hier is bijvoorbeeld het beste managementadvies ter wereld, ons gegeven door een 13e-eeuwse Iraniër: begin er niet aan. Van al dat regeren over anderen wordt je alleen maar ongelukkig, net als van het aardse slijk dat je als beloning krijgt:

Ben je geketend aan de dagelijkse zorgen,
de kans op vrijheid blijft voor je verborgen.

Nog een advies: wanneer je een scheet voelt opkomen, houd hem dan niet tegen.

De buik is voor de wind een cel.
Wees wijs en slaak zijn boeien snel.
Hij is je ingewand tot last,
Houd hem dus niet onnodig vast.
Een zure wind die je gaat tegenstaan,
Houd hem niet op als hij wil gaan.

Waarom ontroeren dergelijke teksten zo? De taal die de dichter en derwisj Saadi schreef, schijnt een heel mooi, exemplarisch Perzisch te zijn geweest, maar ik ken geen Perzisch en heb het dus met de vertaling van de Leidse emeritus J.T.P. De Bruijn moeten doen, dat helder is, maar niet eens de pretentie heeft verpletterend mooi te zijn.

Het ligt dus niet aan de taal en in veel opzichten ook niet aan de inhoud. Ik heb aan mijn eigen levenslange zoektocht naar hoe ik leven moet niet per ze meer aan de meningen van een oude derwisj dan aan die van een tijdgenoot. Toch voegt juist het feit dat het gaat om een oude tekst van ver weg veel toe aan de ontroering. Ook daar en toen leefden mensen die de werkelijkheid oprecht in de ogen durfden te zien, af durfden zien van pretenties en de onzin van de eigen cultuur. Die zichzelf durfden zijn en die daardoor algemeen-menselijk werden.

Rationeel weet je natuurlijk dat middeleeuwse Perzen mensen waren zoals jij en ik, en toch ontroert het om dat bevestigd te zien.

29.12.12

Jonathan Gottschall. The storytelling animal. Houghton Mifflin Harcourt, 2012

We leven in een wereld van verhalen, en die gaan nooit meer weg. Dat is de boodschap van Jonathan Gotschall in zijn boek The storytelling animal. Volgens Gottschall heeft de mens een aangeboren neiging tot het maken van verhalen. We lezen romans, kijken naar films, we dromen, we vertellen het verhaal van ons leven, we vertellen het verhaal van het ontstaan van de aarde. Er bestaat geen cultuur die geen verhalen vertelt, zegt Gottschall, dus moeten onze gemeenschappelijke voorouders ook al verhalen verteld hebben, dus zit het ergens in ons genetisch pakket.

Dat verhaal vind ik niet zo interessant. Ach ja, het zal wel zo zijn - maar het zal allemaal ook vast ingewikkelder zijn: die verhalen zouden weleens uit een samenspel van allerlei andere genen kunnen ontstaan, waarbij ieder van die genen andere functies hebben. Toch is Gottschalls wel een aardig boek; niet te ingewikkeld, maar met een aardig, ahem, verhaal over de mens en het verhaal.

Ik was bijvoorbeeld wel onder de indruk van de enorme catalogus van verhalen die Gottschall maakt. Ze zijn echt overal, niet alleen in de bronnen die ik hierboven al noemde, maar ook in reclame (bijna iedere tv-advertentie vertelt een verhaaltje), in onze herinneringen (die vaak al te gemakkelijk vervormd worden tot een verhaal), in de geschiedenisverhalen die we vertellen.

Ook geeft Gottschall een aardig overzicht van de verschillende functies die fictie kan hebben: het helpt ons te oefenen om problemen op te lossen (want verhalen en dromen gaan altijd over problemen), het helpt ons om de moraal van onze sociale groep op te slorpen, het helpt ons om structuur te geven aan het leven.

Sommige functies heeft fictie overigens niet: ontsnappen aan de werkelijkheid bijvoorbeeld. Wanneer dat de bedoeling zou zijn, zegt Gottschall, zouden we verwachten dat verhalen ons een prettiger wereld voorspiegelen dan die waarin we leven. Verhalen zouden gaan over mensen die op ons lijken en met wie alles de hele tijd alleen maar goed gaat. Maar zo zijn verhalen niet, integendeel: verhalen hebben problemen nodig. Net als dromen trouwens (wanneer we zeggen dat iets 'een droom' is, begrijpen we dus niet hoe naar de meeste dromen zijn.)

Ja, verhalen zijn overal om ons heen, en ze maken ons tot mens. Het lijkt me een interessant onderzoeksterrein, ik hoop dat het tot grote bloei zal komen.

A.F.Th. van der Heijden. Het schervengericht. Amsterdam: Querido, 2007

A.F.Th. van der Heijden heeft iets met gevangenissen. Al zijn grote romans spelen zich er minstens voor een deel af. In Advocaat van de Handen is een van de cruciale scenes wanneer de advocaat Quispel zich in een Huis van Bewaring bevindt. De hoofdpersoon van De tandeloze tijd, Albert Egberts, trekt zich vrijwillig in een gevangenis in Amsterdam terug om daar te schrijven. Nog een deel van die reeks, het Hof van Barmhartigheid, gaat over Annie E., van wie altijd de vraag is geweest of ze nu wel of niet terecht is opgesloten.

En ook een van de weinige verschenen delen van Van der Heijdens andere cyclus, Homo Duplex, speelt zich grotendeels in het gevang af. De belangrijkste plaats van handeling van Het schervengericht is de Californische gevangenis Choreo, waar een Roman Polanski-achtige figuur wordt opgesloten vanwege seks met een minderjarige, en er in aanraking komt met een Charlie Manson-achtige figuur, de moordenaar van onder andere Polanski's vrouw.

Er is trouwens in dit boek nog een gevangenis binnen de gevangenis: de isoleercel waar 'Polanski' terechtkomt nadat hij 'Manson' heeft aangevallen en waar vervolgens ook nog eens dagenlang het licht uitvalt. In die totale isolatie droomt de Polanski-figuur, die in het boek Woodehouse heet, dat hij het zoontje is dat omkomt in de buik van zijn stervende vrouw ('de twintig eenzaamste minuten van de mensheid'). Zo wordt dus ook de moederschoot tot een gevangenis.

Vanwaar die voorkeur voor gevangenissen? De scene van de moederschoot geeft er misschien antwoord op. Woodehouse zoontje, Paul, wordt afgeschilderd als een zeer uitzonderlijke zuigeling, die vanuit zijn cel de wereld op een volwassen manier observeert. Niet alleen hoort, ruikt en voelt hij alles wat er gebeurt, ook verstaat hij de taal van de volwassenen al perfect (taalverwerving is niet nodig in dit universum, je kent je moedertaal gewoon) en drukt zichzelf ook perfect uit.

Dat je perfect uitdrukken is een kenmerk van al Van der Heijdens personages. Iedereen in al zijn boeken spreekt altijd op dezelfde toon: een beetje poetisch, een beetje pedant, een beetje sarrend. Terwijl een van Mansons mensen Sharon Tate doodsteekt, zegt ze 'Dit is mijn manier om zelfmoord te plegen. Snap je het nou? Ik maak mezelf dood door jou dood te maken.' Wanneer een aantal medegevangenen, zware jongens, Woodehouse gedwongen een tatoeage aanbrengen, zeggen ze 'Sommige vissen geef je eerst een merkteken, voordat je ze terug het water ingooit. Alles voor de wetenschap.'

In mijn wereld spreekt niemand zo, maar in Van der Heijdens wereld doet iedereen dat. Mij heeft dat altijd verbaasd, en soms zelfs een beetje gestoord. Maar het pas bij nader inzien goed bij de manier waarop hij gevangenissen inzet: het zijn kleine, afgesloten werelden waarin van alles heftigs samenkomt, het zijn samenballingen van de werkelijkheid erbuiten. 'Achter tralies', zegt Manson tegen Polanski in dit boek, 'verandert zelfs de meest fantasieloze boer uit Kansas nog in een visionair.' En in een dichter. zou je eraan toe kunnen voegen.

Iedereen heeft dan ook iets met taal, in deze wereld. Er wordt bijvoorbeeld geklaagd over de slechte vertaling die het boek Hurly Burly (Van der Heijdens versie van Helter Skelter) in de Nederlandse uitgaven zou hebben gehad: Gooi- en smijtwerk. Met dit boek laat Van der Heijden zien wat een betere vertaling zou zijn geweest: eenschervengericht is precies wat Manson voor ogen stond. En het is precies wat Polanski uiteindelijk kreeg.

25.12.12

Joseph Ratzinger (Benedetto XVI). L'infanzia di Gesù. Milano: Rizzoli, 2012.

De huidige paus is misschien wel voor alles een geleerde, een theoloog. Tijdens zijn pausschap heeft hij een uitgebreide studie gepubliceerd over Jezus, waarvan onlangs het derde deel verscheen, over de jeugd van Jezus.

Het is een rare combinatie, die van geleerde en paus. Je treedt toch wel op een wat vreemde manier in discussie met je collega-theologen: voor zover dat katholieken zijn ben je toch min of meer hun baas. En sowieso lezen er potentieel miljoenen vrome katholieken mee. Het exemplaar dat ik onder de kerstboom las behoort bijvoorbeeld aan mijn vrome schoonmoeder, die dezer dagen op bezoek is.

Ratzinger (zowel zijn burgerlijke als zijn kerkelijke naam staan op het omslag van deze editie) bespreekt in dit boek heel precies wat we weten over de jonge jaren van Jezus, Dat is natuurlijk niet zoveel: de evangeliën zijn bijvoorbeeld niet erg uitvoerig over de eerste jaren - wat wil zeggen zo'n beetje alles voor de laatste een of twee jaar.

Hoe halen we de waarheid uit die evangeliën? Ik geloof dat de combinatie van hoedanigheden die Ratzinger uitprobeert, zich hier wreekt. Een geleerde wil achter de waarheid komen, maar de paus weet natuurlijk wat de waarheid is. Zo bespreekt Ratzinger de twijfel die sommige theologen hebben geuit over het verhaal dat (de moeder) Maria een van Lucas' bronnen was voor zijn evangelie. Het moet wel zo geweest zijn, zegt de paus. Hoe kan Lucas anders zo precies geweten hebben hoender toeging bij de geboorteaankondiging van Jezus, inclusief wat Maria daarbij dacht? Maar dat is natuurlijk alleen een argument wanneer je gelooft dat die beschrijving letterlijk waar is en geen voor het verhaal toegevoegde tussenzinnetjes bevat.

Het is toch al vreemd om de paus zo in discussie te zien gaan over historische onderwerpen. Met hoeveel autoriteit hij zijn punten ook naar voren brengt, het suggereert toch dat de lezer zelf ook kritisch kan denken over zijn argumenten en daar bijvoorbeeld ook weleens wat tegenin kan brengen. Ik ben benieuwd wat mijn schoonmoeder daarvan gaat vinden.

24.12.12

Henkjan Honing. Iedereen is muzikaal. Wat we weten over het luisteren naar muziek. Amsterdam: Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2012.

Muzikaliteit is een van de wonderlijkste menselijke eigenschappen. Het heeft geen enkel aanwijsbaar evolutionair nut, en toch hebben alle mensen het. Althans, dat laatste in de betekenis die Henkjan Honing eraan geeft in zijn boek Iedereen is muzikaal: we zijn allemaal in staat ritmische patronen en waarschijnlijk ook melodieën te herkennen, en dat op een abstracte manier. We horen ritmes die helemaal niet in het geluid zitten en melodieën die ineens op een hogere toon beginnen.

Honing is een inspirerende onderzoeker -- ik moet er hier bijzeggen dat ik de eer heb dat ik de komende jaren een beetje met hem mag samenwerken -- en hij legt zijn ideeën op een heldere en toegankelijke manier uit. Hij heeft duidelijk zelf de afgelopen tien, vijftien jaar in het centrum gestaan van vernieuwend onderzoek naar muziekperceptie en kan dan ook putten uit eigen onderzoekservaringen als hij het verhaal vertelt.

In een lange reeks experimenten hebben Honing en zijn groep inmiddels laten zien dat professionele musici het nauwelijks beter doen dan leken bij het luisteren naar muziek -- met name als de leken konden luisteren naar muziekgenres waar ze van hielden en die ze kenden. Zelfs baby's van een paar dagen oud blijken al te reageren op een verstoord ritmisch patroon.

Het is misschien niet zo gek dat professionele musici niet veel beter kunnen luisteren: het is handig als je beter kunt zingen of spelen, als je creatiever bent, maar wanneer je beter kunt luisteren, schiet je daar weinig mee op. Mensen die die specifieke vaardigheid hebben, zullen daarom niet speciaal tot een carrière in de muziek worden aangetrokken.

Af en toe had ik het gevoel dat Honing misschien iets teveel denkt uit het geluid, al toont hij zelf aan dat het bij muziek meer gaat om de cognitie (het denken) dan om dat geluid. Hij beschrijft het geval van een kaketoe die ritmisch zou kunnen dansen op muziek, maar zegt dan dat die kaketoe misschien niet echt luisterde, maar in plaats daarvan zijn baasje nadeed. Maar ook dat lijkt mij ritmisch gedrag, zij het niet op auditieve, maar op visuele signalen. En ritme is, anders dan melodie, nu juist iets dat je ook via bewegend beeld kunt overdragen. Precies dat laat hij echter buiten beschouwing.

Maar hij kan natuurlijk ook niet alles uitleggen. Zo benadrukt Iedereen is muzikaal wel erg het verschil tussen taal en muziek. Maar het project waar Honing en ik de komende jaren allebei bij betrokken zijn gaat onder andere over text setting: hoe is het mogelijk dat mensen heel makkelijk een nieuwe tekst kunnen zingen op een bekende melodie? (Wanneer bij een bruiloft de zoveelste verzameling van tien nieuwe coupletten van Daar bij die molen worden uitgereikt, zingt iedereen moeiteloos mee.) Daar raken het ritme van de tekst en dat van de muziek elkaar. Er valt nog veel te ontdekken.

 

23.12.12

Kris Verburgh. De voedselzandloper. Over afvallen en langer jong blijven. Amsterdam: Bert Bakker, 2012

In de dagen voor kerst, met een Italiaanse vrouw en schoonfamilie die op bezoek komen, lezen dat je zo min mogelijk suikers moet eten – en vooral geen pasta of brood –, is dat geen ultieme vorm van jezelf kwellen?

In De voedselzandloper zet de jonge arts en popularisator Kris Verburgh uiteen wat volgens hem het belangrijkste wetenschappelijke inzicht is van onze tijd: dat we veel meer aan preventie moeten doen van gezondheidsproblemen dan aan genezing. En dat de sleutel tot die preventie een gezonde voeding is: een met niet overdreven veel calorieën, zonder op de een of andere manier tot extremisme te vervallen. Door je te richten op wat we wetenschappelijk weten over gezondheid.

Verburgh klinkt daarbij af en toe behoorlijk eigenwijs. Hij publiceerde zo'n tien jaar geleden, op zijn zeventiende, zijn eerste populair-wetenschappelijke boek. Inmiddels heeft hij een uitgebreide wetenschappelijke training achter de rug, maar hij klinkt nog steeds een beetje waanwijs. Het dieet dat hij aan het eind toevoegde, dat had hij bijvoorbeeld echt niet moeten doen. Hij klinkt niet echt als een gourmet, en het lijkt mij tegelijkertijd een beetje particulier. Zo mogen graanproducten eigenlijk niet, behalve havermoutpap in de ochtend én als tussendoortje in de middag. Dat Verburgh van havermout houdt, is natuurlijk zijn goed recht, maar het is onduidelijk waarom anderen dat dan ook uitzonderlijkerwijs zouden moeten eten.

Ik geloof ook niet dat je zo streng enig dieet moet volgen, zelfs niet dat van Verburgh. Hij heeft een bijna grenzeloos vertrouwen in wat 'de' wetenschap – dat wil zeggen het double blind onderzoek dat in Nature of Science gepubliceerd heeft – vermag; iets dat in een ander tijdschrift verschenen is, is al minder waard. Nu denk ik natuurlijk ook dat dit soort onderzoek wel wat waard is. Tegelijkertijd is dat geloof in die grote experimenten ook een teken dat we eigenlijk niet goed begrijpen wat er aan de hand is: als ieder effect denkbaar is wanneer het maar uit een experiment met 1800 mensen komt rollen, blijkt daar onder andere ook uit dat we weinig echt weten. (Alle dieetgoeroes nog minder dan de wetenschap, dat is duidelijk.)

Verburgh ziet eten als een biochemisch proces: de scheikundige samenstelling van suikers is zus en zo, en zo moeten ze worden afgebroken. Dat is interessant, maar de biochemie van het eten lijkt me te onduidelijk om er je hele leven op in te richten. Vooral omdat eten méér is dan een biochemisch proces, en leven meer dan gezond zijn. Eten is ook: genieten, en samen zijn. Daarvoor is in Verburghs kijk op de dingen weinig plaats.

Dus lijkt het me overdreven om nu pasta en brood ineens te gaan mijden als waren het genadeloze gifstoffen. Beter kun je de overvloedige informatie die Verburgh over je uitstrooit gebruiken om je dagelijks eetpatroon kritisch te bezien. Zo vind ik havermoutpap ook best lekker, en geloof ik Verburgh als hij zegt dat muesli en yoghurt (dat is nu mijn ontbijt) niet erg goed zijn. En zo wil ik ook het broodje dat ik vaak tussen de middag eet weleens kritisch bezien – dat kan natuurlijk ook best regelmatig een salade worden. En ben ik blij te weten dat ik van de dokter noten mag eten, graag zelfs. En ik moet ook weer wat meer vis eten.

 

Zo levert De Voedselzandloper me dus wat goede voornemens op die allemaal wel te handhaven zijn.Niet omdat ik een doel wil bereiken, maar omdat ik de redenen begrijp en omdat ze me prettig lijken.

 

22.12.12

Christopher Hitchens. Arguably. Boston/New York, 2012.

Van de dit jaar overleden Christopher Hitchens had ik natuurlijk wel gehoord. Maar ik had nog nooit iets van hem gelezen. Nu heb ik dan vorige maand op een Amerikaans vliegveld zijn laatste boek gekocht, Arguably. Het is een boek waarmee je makkelijk iemand kunt doodslaan – niet alleen lichamelijk, omdat het zo'n lijvig boek is, maar ook geestelijk, vanwege de gigantische eruditie die de schrijver tentoon spreidt.

Het boek bestaat uit een zeer groot aantal essays die Hitchens in de laatste zeven of acht jaar van zijn leven schreef en ze omvat een zeer groot aantal onderwerpen: van Amerikaanse presidenten tot en met de Zweedse thrillertrilogie Millennium en van de prangende vraag waarom vrouwen eigenlijk niet grappig zijn tot en met de situatie in Noord-Korea.

Hitchens overziet al die onderwerpen superieur – je krijgt het gevoel dat hij van alles weet over van alles, ook omdat hij zo duidelijk schreef. Het klinkt allemaal moeiteloos en vanzelfsprekend, het klinkt allemaal alsof je al die dingen die hij uitlegt natuurlijk ook inderdaad hoort te weten als hedendaagse intellectueel. (Of in ieder geval als Amerikaanse intellectueel, want er worden wel heel erg veel onderwerpen aangesneden.)

Hitchens stond erom bekend dat hij de controverse niet schuwde. De titel van het boek verwijst daar natuurlijk al naar en op het omslag wordt hij erom geprezen. Maar volgens mij zijn de controversiële stukken niet in de meerderheid en vind ik ze ook niet de beste. Het sterkst was hij wanneer hij liet zien wat een plezier het is om dingen te weten, en hoe belangrijk het is om daar dan over te schrijven.