22.8.13

Ian McEwan. Sweet Tooth. London: Random House, 2013 (2012).

Serena Frome is door een speling van het lot terecht gekomen bij de Britse geheime dienst, MI5. Het is weliswaar een kantoorbaantje, maar op een bepaald moment krijgt ze een missie: een jonge, wat conservatieve, schrijver voorzien van een beurs zodat hij het conservatieve geluid wat beter kan laten horen in de Britse samenleving. Die schrijver mag daar zelf niets van weten.

Om nu te zeggen dat dit een opwindende missie is, gelijk aan die van James Bond – er wordt in Sweet tooth een paar keer naar Ian Flemming verwezen, en de titel zelf zou natuurlijk zo aan een film over 007 kunnen worden gegeven – zou overdreven zijn. De spanning komt erin doordat Serena een verhouding begint met haar schrijver en gaandeweg steeds meer verliefd op hem wordt, zonder dat ze hem kan vertellen wat er aan de hand is.

En dan biedt het laatste hoofdstuk een onverwachte ontknoping.

Sweet tooth is waar de moderne Britse literatuur goed in is: amusement op hoog niveau. Je verveelt je geen moment, je kunt je door allerlei literaire spelletjes (er worden in het boek een aantal romans en verhalen van de schrijver samengevat die niet alleen verwijzen naar het werk van McEwan, maar ook een rol spelen in de ontknoping) en grapjes een hele slimme Piet voelen, er wordt een aardig beeld geschetst van Engeland in de vroege jaren zeventig. Heel diep gaan de gevoelens of de gedachten niet, het komt allemaal in ieder geval in technisch opzicht op zijn pootjes terecht in die zin dat er onafgehechte draden zijn. Keurig vermaak waarmee je ook nog eens bij je vrienden voor de dag kunt komen.

Het aardigste moment voor mij was nog dit. Serena is haar hele leven een verwoed lezer, maar ze bekent dat ze daarbij niet per se de hoogste literaire criteria hanteert. Als een boek over Londen gaat, is ze bijvoorbeeld zonder scrupules op zoek naar de cafés die ze kent. Het enige andere boek van Ian McEwan dat ik tot nu toe las, was Saturday. En dat was vooral omdat ik daarin op zoek was naar een pub waar ik een jaar of tien geleden zelf weleens kwam.

18.8.13

Carel ter Linden. Wat doe ik hier in godsnaam? Een zoektocht. Amsterdam: Arbeiderspers, 2013.

Carel ter Linden, een van de beroemdste dominees van Nederland – dit weekeinde was hij weer even te zien omdat hij de begrafenis van Prins Friso leidde. In zijn nieuwe boek Wat doe ik hier in godsnaam? legt hij uit waarom hij niet meer in (een persoonlijke) God gelooft, en niet meer in een leven na de dood. Maar waarom hij zichzelf toch als een christelijke dominee blijft beschouwen.

Het komt vooral door de wetenschap, en met name door de biologie. De wrede, blinde evolutie, en alle pijn en ziekte die ermee gepaard gaat, zijn onverenigbaar met een liefhebbende en almachtige God. Ter Linden laat soms (heel curieus, vind ik) in zijn boek een aantal natuurwetenschappers aan het woord – hij interviewt ze niet, ze nemen tijdelijk even de pen over –, die populair-wetenschappelijk uitleggen wat DNA is, en dergelijke.

Mij lijkt dat Ter Lindens probleem is dat hij een monotheïst blijft: er is maar één werkelijkheid, zegt hij verschillende keren in dit boek. En als de wetenschap gelijk heeft, kan God dus niet bestaan.

Vervolgens komt hij met oplossingen, met plaatsjes die er toch nog gegeven kunnen worden aan God. Dat zijn er in zekere zin twee: die van de Tegenstem (het 'Grote Geweten', het stemmetje dat ons voorhoudt wat goed en kwaad is) en die van het Essentiële, datgene waar het werkelijk om gaat. Die twee zijn natuurlijk één – je bent monotheïst of je bent het niet – en de Tegenstem verkondigt dus het Essentiële.

De kwestie lijkt me daarbij dan wel: wat is dat Essentiële? En is dat wel eigenlijk één ding? Ter Linden noemt steeds hele reeksen van zaken die essentieel zijn: je bekommeren om je naaste, liefde, opstaan tegen onrechtvaardigheid, enz. Hoe weten we nu dat dit één is, dat er niet meerdere goede krachten in de wereld zijn, die elkaar soms tegenwerken?

17.8.13

Walter Siti. Resistere non serve a niente. Milano: Rizzoli, 2013 [2012]

De Amerikaanse econoom Keith Chen heeft een jaar of acht geleden in een laboratorium een aantal aapjes geleerd om met geld om te gaan: ze 'verdienden' muntstukken die ze tegen een bepaalde koers voor bananen of sinaasappels konden omruilen. Een van de resultaten van Chens onderzoek was dat de apen zo prostitutie ontdekten: binnen niet eens zo heel veel tijd was er een mannetje dat een vrouwtje munten aanbood voor sex; en een vrouwtje dat die munten accepteerde.

Aan het begin van Walter Siti's nieuwe, succesvolle roman Resistere non serve a niente (Weerstand heeft geen zin) staat een essay dat de schrijver in een tijdschrift publiceerde naar aanleiding van dit onderzoek. Zijn wij door de komst van het geld niet allemaal hoeren geworden? Doen niet steeds meer mensen dingen die ze niet willen, alleen maar voor geld dat ze helemaal niet nodig hebben?

Naar aanleiding van dat essay komt Siti in contact met Tommaso, een financieel specialist die getrouwd is met presentatrice bij RAI 1. Al snel wordt duidelijk wat Tommaso eigenlijk wil: zijn biografie laten schrijven door een echte schrijver. Die taak neemt Siti op zich: een groot deel van het boek is inderdaad de levensbeschrijving van deze Tommaso, die als kind van een criminele vader alleen werd opgevoed door zijn moeder, die veel te dik werd, die eigenlijk wiskundige had willen en misschien wel moeten worden, maar uiteindelijk in de bankenwereld terecht kwam (nadat hij op 18-jarige leeftijd liposuctie en een maagverkleining had doorgemaakt). En die in die financiële wereld langzaam verdwaalt in het nevelige grensgebied met de witteboordencriminaliteit.

Er zijn natuurlijk al 100.000 romans geschreven die de grens tussen fictie en werkelijkheid 'verkennen', maar Walter Siti doet dat in dit boek toch op een bijzondere manier. Bijvoorbeeld weet hij in de levensbeschrijving van Tommaso een heel overtuigende 'non-fictie'-toon aan te slaan; precies die van de getalenteerde journalist die zich zo goed weet in te leven in zijn personages. Tegelijkertijd beweert hij dat hij een alwetendevertellersperspectief hanteert, terwijl hij evident niet alles weet en af en toe ook behoorlijk verrast raakt door wat hij te weten komt (laten we zeggen, over een buitenechtelijke relatie die zijn hoofdpersoon blijkt te hebben).

In een nawoordje zegt hij verder dat alle personen verzonnen zijn 'zoals in alle zichzelf respecterende historische romans', behalve dat 'de (weinige) minder belangrijke personages die ik vanwege hun beroemdheid niet goed kon vermommen, door asterisken beschermd worden.' Met andere woorden: zo verzonnen zijn die anderen misschien toch ook niet. Bovendien is er dan nog één personage dat duidelijk onder eigen naam opereert: Walter Siti, de schrijver die aan het begin van het boek van zijn uitgever te horen krijgt dat het nu maar eens afgelopen moet zijn met die eeuwige semi-autobiografische verhaaltjes vol homoseksualiteit, en daar met dit boek perfect aan voldoet.

Want, net als iedereen die zichzelf respecteert, is ook hij natuurlijk gewoon een prostitué.

13.8.13

Reza Aslan. Zealot. The life and times of Jesus of Nazareth. Random House, 2013.

Jezus, de historische Jezus, de man die zo'n 2000 jaar geleden echt leefde in Palestina, wat was dat voor man? Het overtuigendste en meeslependste verhaal dat ik ooit over hem las, is het onlangs verschenen Zealot, van de Iraans-Amerikaanse geleerde Reza Aslan.

Aslans voornaamste methode is om zich niet al te veel te verlaten op de evangeliën. Volgens hem ligt er één feit onomstotelijk vast: dat Jezus gekruisigd is. Uit dat ene feit weet hij vervolgens heel veel te reconstrueren. De Romeinen kruisigden namelijk alleen opstandige Joden, die het gezag van Rome niet wilden erkennen. Door een indringend beeld te geven van de roerige periode die enkele jaren voor Jezus' geboorte begon in Palestina, en die eindigde in 70 met de verwoesting van de Tempel, weet Aslan een overtuigend verhaal te reconstrueren over de historische Jezus.

Hij was een man die opgroeide in een uitermate armoedig dorpje, Nazareth; die daardoor waarschijnlijk nauwelijks of geen scholing had; en die moet hebben gezien hoe de Romeinen en een met de Romeinen collaborerende Joodse elite in weldaad leefden ten koste van de arme plattelandsbevolking; en die tegen die Romeinen en de (religieuze) elite in opstand kwam. Die daarbij geïnspireerd was geraakt door de religieuze boodschap van zijn leermeester Johannes de Doper en ontdekte dat hij zelf de aandacht kon trekken door exorcisme en wonderdoening. Die zijn boodschap weliswaar lange tijd wist te verstoppen in parabels (en door zichzelf niet 'koning' te noemen, maar 'mensenzoon'; Aslan legt uit dat dit in het boek Daniël, en alleen daar, ook gebruikt wordt als aanduiding van koningen).

Jezus was een opstandeling zoals er meer waren in zijn tijd, veel meer. Maar er moet na zijn kruisiging iets bijzonders gebeurd zijn. Wat dat is, weet de historicus Aslan niet: dat er daadwerkelijk een opstanding heeft plaatsgevonden kan een historicus niet zeggen. Maar hij wijst erop dat voor zover we weten al Jezus' volgelingen ook onder marteling bleven volhouden dat die opstanding er was geweest. In ieder geval psychologisch was dat een waarheid.

Vervolgens werd na die dood door een ingewikkeld politiek spel, dat Aslan nauwkeurig en meeslepend beschrijft, Jezus de opstandeling die ter plekke en in levenden lijve de Romeinse macht wilde omverwerpen, omgeturnd tot Jezus (de) Christus, een immateriële figuur die veel beter in het Grieks-Romeinse gedachtegoed paste en die bovendien zoveel mogelijk van Joodse connotaties was ontdaan: na de val van de Tempel waren Joden geworden tot paria's in het Romeinse rijk.

Het duidelijkst vinden we Jezus' oorspronkelijke boodschap, volgens Aslan, terug in de brief van Jacob in het nieuwe testament. Jacob was Jezus' broer, werd ook door niet-Christelijken beschouwd als extreem rechtschapen en was bovendien aantoonbaar tijdens zijn leven de echte leider van de nieuwe groep – en niet de door Aslan volgens mij terecht verachte Paulus. Die brief gaat vooral over het opkomen voor de armen. En het is die boodschap die volgens Aslan 'geloof' verdient.

Stephen Greenblatt. The swerve. How the world became modern. W.W. Norton & Company, 2013 (2011)

Poggio Bracciolini was een groot liefhebber van boeken – een vijftiende-eeuwer die het er af en toe best voor over had dat hij wat minder opschoot in zijn carrière als het betekende dat hij naar kloosters mocht gaan, met de kans om daar een manuscript aan te treffen van een verloren gewaand werk uit de klassieke oudheid; zoals De rerum natura van Lucretius.

Dat wonderlijke gedicht, waarin Lucretius de leer van het epicurisme uiteenzet: de wereld en alles in de wereld bestaat slechts uit atomen en leegte, ook onze ziel; als er goden bestaan, zullen zij zich niet om de mensen bekommeren en na onze dood is er dan ook geen beloning of straf; het enige wat waarde heeft in het leven is het nastreven van genoegen – niet in de vorm van je uitbundig overgeven aan lichamelijk genot, maar door dingen te doen waarbij je je prettig voelt en die anderen niet schaden. (Ik vat het maar even in mijn eigen woorden samen.)

Volgens Greenblatt is de hele moderne tijd begonnen met de herontdekking van Lucretius: in de middeleeuwen was het principe van het zoeken naar plezier geheel en al naar de achtergrond gedrukt door het Christelijke principe van zoeken naar pijn en straf en vergeving, maar door Lucretius kon de mens weer vrij worden en bovendien op zoek gaan naar wetenschappelijke verklaringen voor alles wat er is. Dat lijkt me een beetje overdreven en sowieso het The swerve af en toe wat gezwollen en Amerikaans.

Maar dat wil niet zeggen dat je met name het verhaal van Poggio niet enorm prettig is om te lezen – Greenblatt weet de Italiaanse humanist en zijn entourage tot leven te wekken. Vele jaren was Poggio in dienst van de corruptste aller pausen, Johannes XXIII (de eerste Johannes XXIII). Die man, Balthasar Cossa, was zoals veel schurken een enorm kleurrijke figuur, iemand die geen enkele duidelijke spirituele roeping had, maar uit een bandietenfamilie kwam en lange tijd alles naar zijn hand lieten zetten. Greenblatt vertelt dat soort verhalen met smaak.

Op het internet vond ik dat in Angelsaksische geleerde kringen controverse is ontstaan over met name Greenblatts interpretatie van de middeleeuwen, of van het verschil tussen middeleeuwen en renaissance: Greenblatt zegt zelf dat 'I am of the devil’s party that believes that something significant happened in the Renaissance'. Andere geleerden vinden dat je het allemaal veel genuanceerder moet zien, dat er veel belangrijke dingen in de middeleeuwen gebeurden, dat de breuklijn tussen die perioden niet zo duidelijk was.

Mij, als leek, maakt dat weinig uit. Die andere geleerden hebben vast gelijk, maar het stoort mij niet dat Greenblatt het anders ziet. Het heeft een mooi en leerzaam boek opgeleverd.





Jonathan Swift: Gulliver's Travels

De mensheid, daar deugt nou eens echt helemaal niets van. Wanneer je de mensen heel klein maakt, zie je hoe druk ze zich maken over roem en eer en andere onbelangrijkheden. Vergroot je ze uit, dan zie je hoe de huid van zelfs de knapste jonge vrouw vol puistjes en pukkels en oneffenheden zit.

Niets van wat de mens doet, heeft ook maar de geringste betekenis. Neem nu de wetenschap: degenen die zich bezig houden met 'zuivere' wetenschap, gaan zo autistisch op in hun beslommeringen dat ze de wereld niet zien, degenen die de wetenschap willen toepassen, doen de meest onzinnige, om niet te zeggen schadelijke, uitvindingen.

Daar komt nog bij dat de mens stinkt en egoïstisch is en agressief en vol duistere driften zit. Wie zou er met zulk volk te maken willen hebben?

Gulliver's Travels is misschien niet echt een boek waar je nu eens vrolijk van wordt. De boodschap is eigenlijk zo zwart dat je hem maar op afstand plaatst, wat inmiddels natuurlijk ook al honderden jaren gebeurt, bijvoorbeeld door er een kinderboek uit te halen met allerlei grappige belevenissen temidden van gefantaseerde vreemde volkeren.

Maar wat is er eigenlijk onwaar aan de extreme mensenhaat die Swift tentoon spreidde? Geeft de mens ook maar op enige manier aanleiding tot meer mededogen? Het enige wat ik tegen Swift in kan brengen: wij mensen zijn het enige wat we hebben. Ook de idealen waar we niet aan voldoen, komen uit ons voort. Er ís geen superieur ras van rationele paarden waar we ons tegen kunnen afzetten. We moeten het nog steeds met onszelf doen. Maar is dat voldoende weerlegging?

12.8.13

Fjodor Dostojevski: The possessed

Van alle boeken die ik ken van Dostojevski, is dit het treurigste, het pessimistische, het meest hysterische.

In een Russische provinciestad lopen allerlei mensen door elkaar heen te roepen, op zoek naar een existentiële bodem onder hun bestaan. Waar je in andere boeken van Dostojevski het idee krijgt dat de schrijver zelf in ieder geval het idee heeft dat er misschien enige hoop te peuren valt uit de Russische ziel of de orthodoxe kerk of iets dergelijks, lijkt hier iedereen alleen maar enorm op zoek. Het christendom of het socialisme, de Russische ziel of de Slavofilie, het zijn allemaal maar halfbegrepen concepten.

Temidden hiervan krijgt een groepje van vijf stadsgenoten het idee dat ze een geheime cel vormen in een geheim netwerk van allerlei van dit soort cellen doorheen heel Rusland, een instrument in een grote omwenteling die er nu gaat plaatsvinden. Waar die omwenteling heen moet leiden, dat lijken ze zelf ook niet te zien. Ze hebben weliswaar contact met een theoreticus, maar diens visie op de samenleving is zo complex dat hij wel tien avonden nodig heeft om het allemaal uit te leggen, en daar ontbreekt de tijd voor, of het geduld.

Ondertussen krijgen allerlei mensen er lucht van, en beginnen op eigen houtje mee te werken aan het bereiken van wat dan ook maar het doel zou kunnen zijn, of dit juist tegen te werken. Dat doet er niet eens toe want echt resultaat is toch hetzelfde: de chaos wordt er almaar groter door.
Er wordt verwezen naar Shakespeare, naar Hamlet: ook iemand die vagelijk ontevreden is over het bestaande en aan het eind het toneel bezaaid met lijken achterlaat zonder dat je als toeschouwer weet hoe dat nu allemaal had moeten voorkomen.

Er is in het Nederlandse taalgebied, misschien in navolging van Karel van het Reve, een zeker dedain tegenover nu juist de hysterie van de personages van Dostojevski, dat niemand in zijn boeken nu eens rustig kan doen. Die mensen zien volgens mij over het hoofd dat net moeilijk is om rustig te blijven als je over dit soort zo lastige kwesties nadenkt.