22.2.14

Doris Lessing. The Golden Notebook. Harpers and Collin, 2013 (1962)

Het leven, het dagelijks leven, dat is altijd en overal een enorm gedoe. Neem nu de jaren vijftig, neem nu Groot Brittannië, of eventueel een van de kolonieën van Groot Brittannië. En stel je bent een jonge schrijfster en je hebt net een succesvol boek geschreven waarin je de idiote manier aanklaagt waarop het racisme in de kolonieën doorwerkt, en dat boek blijkt succesvol, hoe moet je dan leven?

Je kunt lid worden van de Communistische Partij, maar dat levert vooral ook een hoop getwijfel en gedoe op. Kun je er niet beter uitstappen? Hoe moet je de vrouwen helpen die je tijdens het canvassen tegenkomt en die gek aan het worden zijn omdat ze totaal opgesloten zijn in hun leven.

Je kunt affaires met al dan niet getrouwde mannen beginnen, maar dat is ook niet alles en levert ook weer een hoop gedoe op, want die mannen zijn soms wel leuk maar komen veel te snel klaar en beginnen dan opgewonden te vertellen hoeveel beter jij wel niet bent in bed dan hun echtgenote.

Er zijn weinig boeken waarin alle gedoe en geworstel zo levendig worden beschreven als in The Golden Notebook, dat het verhaal vertelt van twee vrouwen, doorsneden met de aantekeningen uit allerlei schriften die een van de twee bijhoudt om allerlei aspecten van het leven te vangen — wat er voor zorgt dat die werkelijkheid alleen maar gefragmenteerder raakt.

Je komt in dit boel echt heel dicht onder de huid van die vrouw, zelden heb ik zo de opwinding en de walging gevoeld van een vrouw uit de jaren vijftig. Het bboek documenteert een mislukte poging om het volledig leven te bevatten, en bevat daarmee het volledig leven.

Wat niet wil zeggen dat The Golden Notebook voor mij niet soms wel een beetje lang werd. Met name alle verschillende mannen kon ik soms moeilijk uit elkaar halen. Zij interesseerden me daardoor niet en daardoor vond im het weer moeilijker om te moeten lezen wat Anna allemaal wel of niet met hen besprak.

Maar daar staat tegenover dat het boek een ongekende historische sensatie geeft. Zo moeten de jaren vijftig geweest zijn, zo moeten ze hebben gevoeld. Zo'n enorm gedoe moet het zijn geweest om toen te leen, net als nu.



15.2.14

Paul Levrie en Rudi Penne. De pracht van priemgetallen. Amsterdam: Prometheus, 2014.

Priemgetallen zijn mijn favoriete onderwerp aller tijden. Het is dat je om ze je leven lang te mogen bestuderen eerst nog allerlei andere onderwerpen moet bestuderen, anders was ik nooit taalkundige geworden.

Waarom ik een boek koop dat De pracht van priemgetallen heet, hoef ik dus niet uit te leggen. Ik heb het ook braaf uitgelezen, al was dat gaandeweg wel met steeds meer tegenzin. Pas op het eind werd dat beloond.

Wat mij betreft is De pracht een voorbeeld hoe het niet moet, populariseren. Er zit weinig duidelijke lijn in. De auteurs vergeten net iets te vaak écht uit te leggen wat er nu interessant is aan die priemgetallen. Het boek zit te vol flauwe grapjes:
Dat sommige wiskundigen vullen met het opsporen van priemgaten (...) lijkt op het eerste gezicht de wereldvreemdheid van het vak wiskunde te bevestigen. Op het tweede gezicht ook.
Het boek bestaat feitelijk uit allerlei korte stukjes, waar meestal iets wordt verteld over het leven van een bepaalde wiskundige en dan iets over wat die wiskundige tijdens dat leven aan wiskundigs ontdekte. Ik neem aan dat die levens erbij zijn gehaald om de zaak te verlevendigen. Omdat ze niet erg geanimeerd geschreven zijn, leiden ze echter eerder af.

Pas helemaal op het eind, in het allerlaatste stukje komt het weer een beetje goed als de auteurs een aantal onopgeloste raadsels bespreken; zoals het vermoeden dat ieder even getal als de som van twee priemgetallen geschreven kan worden. Hoe is dat mogelijk? De voelbare eigen verbazing van de auteurs, die brengt de vraag pas echt tot leven.

Wat jammer dat ze dat middel niet wat vaker hebben ingezet.

14.2.14

Edward Frenkel. Love and math. The heart of hidden reality. Basic Books, 2013

Het Langlands-programma is een van de diepzinnigste en verwarrendste ideeën van de afgelopen decennia. Je zou verwachten dat de kiosken vol stapels boeken over die opmerkelijke gedachte zouden liggen. In werkelijkheid had ik er nooit eerder over gehoord voor ik dit boek las.

Edward Frenkel is een prominente wiskundige van mijn leeftijd — iemand met een enorme rijke staat van dienst op het gebied van de wiskunde, iemand die als jonge twintiger al toetrad tot de staf van Harvard en tegenwoordig op Berkeley werkt; bovendien iemand met een boeiend levensverhaal en een talent om zijn enthousiasme voor de wiskunde over te brengen. Maar ook van hem had ik nog nooit gehoord.

Love and Math is Frenkels boek over het Langlands-programma, waarin hij heel duidelijk en toch kennelijk met enige diepte uitlegt wat dit programma behelst: het vermoeden dat allerlei heel uiteenlopende takken van de wiskunde met elkaar te maken hebben: dat een aantal gebieden die onafhankelijk van elkaar ontwikkeld zijn, zich uiteindelijk toch in elkaar weerspiegelen. Er blijken bovendien ook nog een aantal parallellen te zijn met de fysische snarentheorie. Er lijken dus allerlei mysterieuze aspecten bestaan tussen sommige aspecten van de werkelijkheid.

Frenkels eigen leven, dat hij met het verhaal van het Langlands-programma verweeft, is ook fascinerend. Het antisemitisme was in de einddagen van de Sovjetunie zo virulent dat zijn pogingen om wiskunde te studeren ondanks zijn evidente talent werden gefrustreerd. Tegelijkertijd waren er individuele wiskundigen die hem onder hun hoede namen, en bovendien kwam de perestrojka net op tijd, zodat hij naar Harvard kon ontkomen.

Ik wist dat niet, dat er zoveel zo openlijk antisemitisme was in de Sovjetunie in de jaren tachtig. Zo leer je van alles in dit meeslepende boek, dat mijn kijk op de dingen voor altijd veranderd heeft, of toch minstens een beetje.



12.2.14

Max Tegmark. Our Mathematical Universe. New York, Knopf, 2014.

Ja, moleculen bestaan uit atomen. En atomen uit protonen en neutronen en zo. En die bestaan uit quarks. En waaruit bestaan die dan weer? Uiteindelijk kom je, volgens de kosmoloog Max Tegmark van het MIT, uit op objecten die geen enkele eigenschap meer hebben, maar alleen bestaan bij gratie van hun relaties.

En dat is de definitie van een wiskundige structuur.

Ons universum is daarom, volgens Tegmark, uiteindelijk alleen maar een wiskundige structuur. De werkelijkheid wordt uiteindelijk niet alleen maar beschreven door wiskunde: ze is wiskunde.

Daar komt bij dat er heel veel andere universums zijn. Wiskundige structuren bestaan buiten de tijd en buiten de ruimte, altijd: dat geldt voor de vierdimensionale structuur die onze tijd en ruimte vormt, maar ook voor alle andere structuren. De meeste van die structuren bevatten natuurlijk al om te beginnen niet voldoende complexiteit, of niet de juiste soort complexiteit, om deelstructuren te hebben die je als intelligent leven kunt interpreteren.

In de eerste hoofdstukken legt Tegmark heel onderhoudend en heel duidelijk de belangrijkste ideeën uit die onder de huidige natuurkunde liggen: van de kwantummechanica tot en met de geschiedenis van het (ene) universum waarin we leven. Daarna komt een speculatiever deel waarin de schrijver mij in ieder geval meesleept in een geheel van steeds bizarder wordende universa. Wanneer ons universum oneindig is, moeten er punten zijn waarin iemand precies zoals jij dit ook van een computerscherm zit te lezen; de kans dat zoiets nog een keer gebeurt is weliswaar klein, maar er is oneindig veel ruimte voor beschikbaar: dat is het eerste multiversum. Het tweede ontstaat doordat er mogelijk veel meer (bijvoorbeeld: oneindig veel) andere big bangs zijn geweest, die andere universa zijn geweest. Het derde ontstaat bij een bepaalde interpretatie van de kwantummechanica: zodra een kwantumeffect zich voordoet, splitst het universum zich in tweeën, één met een dode kat en een met een levende. En het vierde bestaat uit alle mogelijke wiskundige structuren.

Dat is allemaal adembenemend. Er zijn op internet wel negatieve recensies te lezen van (andere) vooraanstaande natuurkundigen, en die Tegmark houdt er duidelijk wel van om flink te speculeren. Maar die speculaties zijn dan ook heel verrassend en knap. 

Alleen het laatste deel van het boek had Tegmark misschien niet moeten toevoegen. Dat gaat over van alles en nog wat met slechts een losse band met het voorafgaande, zoals de gevaren die het menselijk bestaan bedreigen en wat eraan te doen. Vreemd genoeg gaat hij daarbij niet in op een vraag die zich volgens mij dan onmiddellijk voordoet: als ons leven niets anders is dan een onderdeel van een complexe mathematische structuur die buiten ruimte en tijd staat, dan kunnen we toch eigenlijk helemaal geen keuzes maken? En waarom zouden we ons dan eigenlijk ergens zorgen over maken?