28.11.15

Siobhan Roberts. Genius at play. The Curious Mind of John Horton Conway. New York (etc.): Bloomsbury, 2015

John Conway is een wat je je voorstelt als je je een Amerikaanse nerd voorstelt uit de babyboomer-generatie, zij het een van het geniale type. Iemand die zijn hele leven wat heeft aangerotzooid, zowel professioneel als in zijn persoonlijk leven. Iemand die weinig verantwoordelijkheden op zich heeft genomen. En iemand uit wie er allerlei interessante ideeën zijn voortgekomen.

Het bekendste van die ideeën is het spel Life dat hij ontwikkeld heeft, en dat bestaat uit een paar heel eenvoudige regels die tegelijkertijd bij een beetje ingewikkelde input leiden tot volkomen onvoorspelbare resultaten, en waarvan je bovendien kunt laten zien dat je alles kunt uitrekenen met een Life-spel dat je ook zou kunnen uitrekenen met een computer. Maar feitelijk heeft Conway nog veel meer en misschien wel interessantere wiskundige resultaten op zijn naam staan: de ontdekking van 'surreële' getallen, zijn bijdragen aan het begrip van het zogenoemde Monster.

Zo iemand is natuurlijk de moeite waard om een biografie over te schrijven, al is hij ook nog niet dood. Hoe zit zo'n leven in elkaar? En hoe komen die wiskundige resultaten tot stand.

Tegen dat licht stelt Genius at play enorm teleur. De biograaf lijkt vooral niet genoeg te krijgen van Conway's excentriciteit: hoe de post zich opstapelt, hoe iedereen als hij naar Japan vliegt denkt dat hij misschien wel in Argentinië uitkomt, hoe hij de mensen de oren van het hoofd kletst. Een erg sympathieke indruk maakt Conway daarbij niet, of in ieder geval niet op mij. De manier waarop hij met vrouwen omgaat, bijvoorbeeld, wordt door Roberts voorgesteld als vertederend, maar mij lijkt seksistisch eigenlijk nog vriendelijk gezegd.

Daar komt dan nog bij dat het werk zelf maar matig inzichtelijk wordt voorgesteld. Roberts legt meestal wel ongeveer uit waar het om gaat, maar erg duidelijk of precies wordt het nooit. Terwijl je toch zou denken dat de gemiddelde lezer van een boek over Conway wel wat meer wiskunde aankan.

Maar nee, helaas moet er dan weer gecharmeerd geschreven worden over hoe eigenzinnig de man wel niet is. Er wordt nooit dieper op wat dan ook ingegaan – niet op de psychologie, niet op het werk –, en uiteindelijk voel je je als lezer dus behoorlijk bekocht.

27.11.15

Bas Mesters. Italiaanse streken. Een Romeinse wandeling door een land op drift. Amsterdam: Bert Bakker, 2015.

In Italië ben ik een provinciaal. Ik kom heel vaak in het land, maar vrijwel alleen maar in de provincie van Chieti in Abruzzo, omdat mijn schoonfamilie daar woont. In Rome ben ik de afgelopen twintig jaar niet echt geweest — alleen op het vliegveld, en van het vliegveld op doorreis met de bus.

Ik zie het land dus anders dan Bas Mesters, die het land in dit boek juist beschrijft in een wandeling door Rome; met weliswaar af en toe een uitstapje, maar toch vooral met die grootstedelijke invalshoek. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat hij een ander land beschrijft dan ik ken. Integendeel, dit is een prettig en helder boek waarin allerlei aspecten van Italië van de afgelopen 12 jaar heel prettig op een rom worden gezet: de politiek, de kerk, het belang van het eten, de wanhoop, de voortdurende hang naar het mooie, de eeuwige verleiding van het lelijke.

Het enige wat een beetje stoort aan het boek, vind ik, is de structuur. Mesters beschrijft een wandeling van een dag door Rome: ieder uur komt hij bij een nieuw gebouw aan (het Vaticaan, het huis van Berlusconi) en vertelt hij iets over Italië aan de hand van dat gebouw. Dat heeft iets kunstmatigs. Bovendien vindt de wandeling om de een of andere reden in 2012 plaats, terwijl de beschreven gebeurtenissen zowel eerder als later hebben plaatsgevonden (een heel hoofdstuk gaat over Renzi, die in 2012 nog burgemeester van Florence was). Dat begrijp ik zelfs niet goed.

Maar het is wel prettig om Italië door Mesters bril te zien. Niet alleen omdat zijn blik grootstedelijk is, maar ook omdat hij helder is en de zaken in een breed perspectief zet. Omdat hij laat zien hoe verrot het land is. En hoe prettig.

22.11.15

Andreas Burnier. Het jongensuur. Amsterdam: Augustus, 2015

Ik geloof dat Het jongensuur het eerste volwassen literaire werk was dat ik ooit op eigen initiatief , dat wil zeggen zonder dat een volwassene me erop gewezen had, las. Waarom dat boek? Ik zou het met geen mogelijkheid durven zeggen. Zoals ik me ook weinig ervan kan herinneren, behalve de sfeer en de opwinding dat ik zo'n volwassen boek begreep.

Nu vraag ik me natuurlijk af of ik het echt begreep. Ik denk bijvoorbeeld niet dat ik toen kon inzien wat ik nu denk: dat het een van Burniers talenten was om een boek over de tweede wereldoorlog te schrijven dat die oorlog overstijgt, dat zelfs dat grote, diepe thema een illustratie laat zijn van een immens verdriet — het verdriet om er niet bij te horen, het verlangen om dat wél te doen.

Simone, de hoofdpersoon van dit boek, gaat gedurende de paar onderduikjaren van het ene gezin naar het andere: nu eens socialisten, dan weer antroposofen en uiteindelijk ook streng gereformeerden. Allemaal hebben ze grote overtuigingen, bij niemand hoort Simone, ook geestelijk niet. En ja, ze is joods, maar zelfs de mensen die de moffen komen bestrijden blijken vaak mannen, en die mannen, daar hoort ze niet bij, omdat ze vrouw is. Zodat ze zelfs als de oorlog is afgelopen nog wordt weggestuurd uit het zwembad. Het is immers het jongensuur.

Zelden is de eenzaamheid doordringender beschreven in de Nederlandse letteren als in dit boek. Overal wil Simone bij horen, een man wil ze zijn, en blond, en ruw, en niemand ziet haar zoals ze wil zijn.

Wat me nu trouwens ook opviel: het belang van geuren. Bij allerlei locaties en personen wordt stilgestaan bij hoe ze ruiken: zo'n geur, zoiets dat nauwelijks te analyseren en al helemaal niet te beschrijven valt, dat is natuurlijk de identiteit bij uitstek.

Wat een weergaloos boek.

 

5.11.15

Karel van het Reve. Lenin heeft nooit bestaan. Amsterdam: Van Oorschot, 2009 (1972)

Ik herinner me Karel van het Reve. Ik zag hem soms in de koffiekamer in het gebouwtje waar ik inmiddels af en toe werk. Hij nam er pauze van een college, net als wij, en sprak dan met studenten. Hij had altijd hetzelfde plastic zakje bij zich.

Ik geloof dat hij inmiddels eigenlijk geen echte onderzoeker meer was. Heel veel onderzoek heeft hij in de loop der jaren niet geschreven. Wel werd hij essayist, waarin Rusland en de Russische literatuur – het laatste was zijn leeropdracht – een belangrijke rol speelden.

In Lenin heeft nooit bestaan (ik las het in het Verzameld werk) zijn enkele van die essays uit de vroege jaren zeventig bij elkaar gezet. Het is van alles en nog wat: een lange recensie van Omzien in verwondering van Annie Romein, besprekingen van bekendere en minder bekende Sovjet-auteurs, en ga maar door. Het interessantst is, vind ik, een door die stukken heen gevlochten 'dialoog' tussen twee naamloze figuren waarin interessante gedachten over het karakter van kunst en, vooral, van ironie uiteen worden gezet. Het laatste wordt gedefinieerd als 'geveinsd veinzen': je veinst dat je iets meent ('Dit is mijn zeergeleerde collega'), maar op zo'n manier dat de ander niet denkt dat je het echt meent.

De vraag is nu of Van het Reve er beter aan had gedaan niet dit soort essays te schrijven, maar in plaats daarvan wetenschappelijke artikelen met voetnoten en een verantwoording van de gebruikte methodologie. Dat is een oprechte vraag. Enerzijds zou je kunnen zeggen: die artikelen zouden dan nu waarschijnlijk allemaal vergeten zijn en weinig hebben bijgedragen. Anderzijds zou je kunnen zeggen: in een wat strakkere wetenschappelijke vorm hadden anderen er beter op kunnen voortbouwen, want door de essayistische stijl is het moeilijk systematische kritiek op de voorgestelde theorieën voor te stellen.

Maar gelukkig hoeven we niet meer te beslissen of Van het Reve wel hoogleraar mag zijn. Hij is al decennia niet meer in de koffiekamer gezien.