25.9.16

Martijn Benders: Fliermans passage. Amsterdam: Van Gennep, 2016.

Duizelingwekkend. Dat vind ik nu eens een goed woord om Martijn Benders' eerste (of enige, maar ik hoop eerste) roman te beschrijven. Het wordt in deze tijd voor allerlei mensen steeds moeilijker om hele boeken uit te lezen. Zulke mensen moeten Fliermans passage eens lezen, want doordat er de hele tijd van alles gebeurt, en nooit iets wat je verwacht, lees je het in één ruk uit, of hooguit twee.

Het dendert maar voort, de toon gaat van hilarisch-absurd naar zeer zwart en naar en gewelddadig en binnen een halve zin weer terug. En dan ineens heb je het uit en vraag je je af wat je in hemelsnaam gelezen hebt, en waarom.

Het heeft ook geen zin om te proberen het verhaal samen te vatten. Er zijn drie personen die aan het woord komen: de schrijver Chamiel Flierman die aan het begin als aflegger gaat werken bij een uitvaartcentrum en daar al snel merkt dat hij de uit te voeren werkzaamheden (wassen en balsemen) sneller kan uitvoeren met een schrobber en een verfroller; zijn collega Jos die het opwindend vindt om zich te pas en te onpas als Zwarte Piet uit te dossen; hun veel te dikke baas Henk die op een dag wakker wordt en dan blakend van ambitie denkt zijn bedrijf te kunnen internationaliseren. 

Stel je deze drie personen voor en een bijna voortdurend aanwezige maar niet aan het woord komende Anita, en een Carmen die geen vrouw blijkt maar een man, en een oversekste dwerg, en dit alles in een orgie van seks, sterke drank en geweld – beide op ongeveer even deprimerende wijze beschreven – en je krijgt een beeld.

(Ik denk trouwens wel dat het boek net iets geduldigere eindredactie had mogen krijgen van de uitgever. Vermoedelijk heeft de schrijver op zeker moment besloten dat de passages over Jos en Henk niet in de derde persoon moesten worden geschreven, maar in de eerste. Resten van die eerdere versie zijn dan blijven staan, zodat ik zich vergis en een paar van zulke wonderlijke constructies meer. Dat lijkt me niet de bedoeling.)

Er zit bovendien behoorlijk wat structuur in de chaos. Hoe vreemd de wendingen ook zijn, de schrijver weet tegelijkertijd wel degelijk allerlei lijnen vast te houden – de diepe wortels van het racisme in onze geest, bijvoorbeeld of de razendsnel afbrokkelende status van literaire schrijvers. 

Net als de poëzie van Benders is dit proza vooral ontstellend energiek. Alles wat zijn pen aanraakt verandert in kilovolten. Vandaar dat het in ieder geval nooit saai wordt, en altijd minstens een beetje vreemd. En dat alles waar je over kunt klagen bij de gemiddelde Nederlandse roman hier tenminste niet gebeurt. Fliermans passage is een boek voor iedereen die zich bij andere boeken weleens verveelt; en wie is dat niet?





8.9.16

Homeros. Ilias. Amsterdam: Van Oorschot, 2016.

Vertaling: Imme Dros

Mocht iemand willen weten wat mijn taalervaring van de afgelopen maanden was, dan zou ik zeggen: Imme Dros' vertaling van de Ilias. Ik had hem al een tijdje in huis, en er een half jaar geleden al her en der in gelezen. En toen meteen gezien dat hier iets bijzonders aan de hand was.

Ik vond tot nu toe de Ilias altijd moeilijker dan de Odyssee: het wereldbeeld is moeilijker te vatten, je kunt je als 21e eeuwer, of in ieder geval als Marc van Oostendorp, moeilijker verplaatsen in een verhaal dat voor een belangrijk deel toch gaat over op welke plaats in het lichaam van welke held welke speer precies binnendringt en waar die speer het lichaam dan weer verlaat. De Odyssee is meer een avonturenboek; en tegelijkertijd, besef ik nu, misschien ook wel minder een eenheid.

De Ilias vertelt toch heel duidelijk een verhaal, waarin alles logisch uit elkaar voortvloeit, gegeven enkele premissen (bijvoorbeeld dat er goden zijn): door het onredelijke gedrag van Agamemnon geraakt Achilleus in een onredelijke wrok en vanaf dat moment gaat alles mis. Nu heb ik de Ilias gelezen in een periode dat ik ook het idee had dat men mij op onredelijke wijze het mijne had afgepakt, en ik mij wrokkig terugtrok op het Italiaanse platteland.

Ik ga nu binnenkort weer terug, maar niet omdat ik nu ineens zie dat men mij nodig heeft, dat is wel een verschil.

Maar ik dwaal af. Ik heb de Ilias al vaak gelezen en nog vaker geprobeerd te lezen, maar nooit werd het feest van het boek me zo duidelijk als met deze nieuwe vertaling van Imme Dros, die eerder ook de Odyssee al zo levendig en prettig en menselijk vertaalde. Het stond allemaal zo ver van me af. Ja, ik kon het verhaal wel volgen, maar wat moest ik met die geschiedenis van de strijd om Troje en die rare helden en die zo mogelijk nóg raardere goden? Het was duizenden jaren geleden vast mooi, maar waar was die glans?

De tekst heeft een duidelijk, hexametroïde, maar niet al te dwingend ritme (alleen aan het eind van elke regel staat het vast) en tegelijkertijd is de tekst op de een of andere manier leesbaar tot en met: niet te ouderwets en niet te populair, helemaal van nu, maar toch nog met de Homerische eigenaardigheden. Iedere regel een plezier om te lezen en samen ineens een aanleiding om te begrijpen wat de mensen duizenden jaren heeft bewogen om naar dit boek te grijpen.

Ik laat het hier op mijn Italiaanse vluchtplaats achter, dan kan ik er een volgende keer misschien weer naar grijpen. Maar ik koop in Nederland denk ik ook een exemplaar.

7.9.16

A.F.Th. van der Heijden. Advocaat van de hanen. Querido, 2014 (1990).

Omdat ik deze zomer intensief Van der Heijdens feuilleton President Tsaar op Obama Beach volgde, las ik parallel daaraan ook sommig ouder werk terug: vaak slechts voor een deel, omdat ik me iets herinnerde bij het lezen van het feuilleton, maar sommige boeken heb ik uiteindelijk voor een zo groot deel nagelezen dat ze uiteindelijk ook wel in dit logboekje terecht zullen komen.

Advocaat van de hanen is waarschijnlijk Van der Heijdens meestgelezen boek, omdat het relatief zelfstandig staat van de rest van de cyclus én omdat het ongeveer de structuur heeft van een thriller. Het is allemaal relatief: er wordt eigenlijk onderhuids behoorlijk veel verwezen naar de rest van Van der Heijdens werk, en voor een thriller is het nu ook weer niet zo heel spannend. Hoe de betrokkenheid van Ernst Quispel bij de moord op Kiliaan Noppen precies is, is weliswaar in het begin niet heel erg duidelijk, maar ook geen groot mysterie; en de onthulling van wie nu precies de echte moordenaar is, komt als een soort ingeving achteraf, als je als lezer al niet meer zo met die kwestie bezig bent.

Advocaat van de hanen is toch vooral een boek over de dronkenschap, over de vraag waarom je daarin zou vluchten, en op welke manier je dat dan vervolgens het best kunt doen. Quispel heeft een drinkgedrag waarvan ik buiten dit boek nooit heb gehoord, al wordt er gesuggereerd dat het een bekend patroon is: ongeveer een keer per jaar dompelt hij zich een paar weken helemaal onder in de vodka, die hij de rest van het jaar niet aanraakt. Maar het is niet alleen dat: hij denkt ook regelmatig en uitgebreid na over dat drankgedrag, al kost het hem wel veel tijd om tot een conclusie te komen, helemaal aan het eind van het boek, die je als lezer allang getrokken hebt: dat deze manier van doen ook een bescherming biedt tegen het monster van de drank, door het in tijd in te perken.

Tegelijkertijd is het ook een mooi inkijkje in de jaren tachtig: de tijd van de yuppen, de tijd dat de wereld eigenlijk wel helemaal geregeld leek te zijn, zodat je 'blasé' kon zijn (een woord dat regelmatig terugkomt) en je eigen problemen kon verzorgen – waar dan ook rijkelijk in wordt verzien. Advocaat van de hanen roept de sfeer van het Amsterdam van die tijd succesvol op, in ieder geval voor mij – het is alsof je er weer rondloopt, in die stad waar het altijd mooi weer was, maar de corruptie ook in de lucht hing.

6.9.16

Nick Hornby. Funny Girl. Penguin, 2015.

Nick Hornby leeft in een fijne wereld, die uit twee kanten bestaat. Aan de ene kant is er competent uitgevoerd werk. Aan de andere kant bestaat er pretentieloos, maar daarom niet minder competent uitgevoerd vermaak.

Het is een wereld van romantische komedie, zij het dat die komedie ook nog best 30 jaar door kan gaan en dan nog altijd niet verzuurt. Het is een wereld waarin je af en toe geniet van een voetbalwedstrijd en dan weer van een goed boek. Het is een wereld waarin je niet eens heel veel moeite hoeft te doen om mooie, door veel mensen gemaakte dingen hoeft te maken, omdat het je eigenlijk allemaal aan komt waaien.

Het is in dit boek de wereld van Barbara uit Blackpool die aan het begin van de roman – die zich afspeelt in de jaren zestig – wegloopt als ze tot Miss Blackpool verkozen wordt en denkt dat er iets beters op haar wacht en die dan binnen korte tijd inderdaad haar eigen sitcom krijgt op de BBC. Die moeiteloos vervolgens miljoenen kijkers aan zich bindt.

Veel spanning zit er niet in, in Funny Girl. Een enkele keer wordt er een beetje gesneerd naar intellectuelen die het leven vreselijk ernstig nemen en die daarom neerkijken op goedgemaakt vermaak. Met zulke figuren, of zelfs met degenen die met hen flirten, loopt het niet goed af in dit boek. Maar dat is maar een zijlijntje en erg bitter wordt het niet. Laat staan spannend.

Maar je mist die spanning ook niet. Je bent een paar uur lang in handen van Nick Hornby in wiens handen het hele leven een feel good movie is, misschien pretentieloos maar zeker zeer competent uitgevoerd.

5.9.16

Sibylle Berg. Der Tag, als meine Frau einen Mann fand. München: Carl Hanser, 2015.

In het begin lijkt Sibylle Berg een verbeterde versie te hebben geschreven van Arnon Grunbergs De asielzoeker. De vrouw van een al lang getrouwd stel vindt een minnaar uit Oost-Europa, zorgt ervoor dat deze bij het paar intrekt, zodat de man zich moet terugtrekken in een afgesloten kamer (bij Grunberg: onder de kapstok). Het lijkt dan wat beter omdat die man niet alleen maar een loser is – hij is geen vertaler van gebruiksaanwijzingen, maar een regisseur wiens carrière nooit op gang gekomen is – en omdat de vrouw niet zulk eigenaardig wispelturig gedrag vertoont als de personages, zeker de vrouwen, in het vroege werk van Grunberg plegen te doen.

Het heeft tegelijkertijd iets licht satirisch en iets theatraals, met de man en de vrouw die afwisselend aan het woord komen na licht ironische titels ('Rasmus ligt wakker', dat werk). Maar gaandeweg blijkt het allemaal wat serieuzer en gaat het toch vooral over een gezamelijke midlife-crisis van twee lieden uit de gegoede Duitse burgerij, van wie met name de vrouw nog wel wat seks wil.

En het wordt dan eigenlijk allemaal een beetje voorspelbaar treurig, met de minnaar die zijn smoezelige vrienden ook uitnodigt, en de man die het ook niet meer weet en een infarct krijgt en de vrouw die haar man toch eigenlijk, nou ja, enzovoort. En dan komt aan het slot ook de minnaar nog aan het woord en die blijkt dat echtpaar toch eigenlijk ook maar met wat verbazing te bezien.

En dan is het allemaal ook wel wat theatraal, niet precies het soort theater dat in het boek belachelijk wordt gemaakt (want dat is sociaal geëngageerd), maar je kunt je hier toch heel goed een voorstelling bij voorstellen van acteurs die af en toe staan te schreeuwen van hun Duitse middenklassepijn, nee, het boek is eigenlijk al zo'n toneelstuk. Je kunt er af en toe om glimlachen, maar je moet vooral verwerken hoe erg het allemaal is voor je Duitse leeftijdsgenoten.

En dan is Grunberg toch beter.