31.12.16

Leïla Slimani. Chanson douce. Paris: Gallimard, 2015

Gaan Parijse romans de afgelopen decennia inderdaad allemaal over eenzaamheid? Over mensen die verloren lopen in de grote stad? Die langzaam maar zeker in hun eigen wereldje geraken, omringd door miljoenen anderen?

Dan heeft Leïla Slimani dé Franse roman geschreven, een van de mooiste die er in ieder geval in de afgelopen tijd verschenen is. Chanson douce begint met de gevolgen van een vreselijke moordpartij, waarna de spanning zich in 200 pagina's gaandeweg opbouwt. We volgen een echtpaar, Myriam en Paul, die een kinderjuffrouw in dienst nemen als Myriam aan haar juridische carrière wil bouwen. De kinderjuffrouw (of oppas, hoe noem je dat, nounou), Louise, blijkt perfect: ze maakt het huis perfect schoon en de kinderen zijn dol op haar. Myriam en Paul nemen haar zelfs mee op vakantie, naar Griekenland.

Het zijn de ingrediënten voor een horrorverhaal, zij het dat de ware horror meteen komt. Ik neem ook aan dat je hier een succesvolle film van kunt maken, want er gebeurt van alles in het verhaal. Het geeft het verhaal van de Parijse middenklasse in deze tijd van angst voor de buitenwereld, van niet weten of je nu aan je loopbaan moet bouwen of kinderen moet krijgen, van alles willen, en niets kunnen krijgen, van niet weten hoe je je kinderen nu eigenlijk moet opvoeden en daarover ruzie krijgen met je eigen ouders.

Maar het is toch vooral perfect als boek, geschreven in een betrekkelijk eenvoudige, maar misschien daardoor enorm meeslepende en beeldende stijl – een stijl die bovendien veel ruimte geeft aan locaties, want dat is wat ik me misschien vooral van Chanson douce zal herinneren: het appartement van Myriam en Paul, de studio van Louise, het park waar zij de kinderen laat spelen. En daarnaast het subtiele psychologische spel tussen alle personen, inclusief echte bijpersonen (de ingewikkelde semi-flirterige, semi-professionele relatie tussen Myriam en haar ex-studiegenoot en huidige baas Pascal, bijvoorbeeld).

Ik heb de afgelopen jaren regelmatig typisch Franse romans gelezen die me vreselijk begonnen te vervelen. Leïla Slimani weet in het genre nieuw leven in te blazen!

29.12.16

Marcus du Sautoy. What we cannot know. Explorations at the Edge of Knowledge. London: 4th Estate, 2016.

Ik heb dit boek in geen enkel jaarlijstje gezien, maar ik geloof dat het 't beste is dat ik dit jaar gelezen heb. Of in ieder geval het beste dat dit jaar geschreven is en dat ik dit jaar gelezen heb.

In dit boek gaat Marcus de Sautoy, de beroemde Britse wiskundige en wetenschapscommunicator – hoogleraar Public Knowledge of Science in Oxford – na wat we, wat de wetenschap, nooit zal kunnen weten. Hoe de chaostheorie inhoudt dat we redelijkerwijs de toekomst nog het verleden ooit precies zullen kennen. Hoe de kwantumtheorie impliceert dat we sommige zaken sowieso niet kunnen voorspellen. Hoe filosofische problemen verhinderen dat we ooit echt in kaart hebben of we een ander bewust kunnen noemen. Hoe Gödel wiskundig bewees dat zelfs de wiskunde niet alles kan bewijzen.

Over een heleboel van die onderwerpen heeft de geïnteresseerde lezer van populaire wetenschap al regelmatig gelezen, maar Du Sautoy legt ze helder en prettig uit. Hij is persoonlijk zonder opdringerig te zijn, hij gebruikt een paar concrete voorbeelden waar dit mogelijk is, maar gaat er niet vanuit dat de lezer door iedere vorm van abstractie onmiddellijk wordt afgestoten. En juist door de grenzen van de kennis langs te gaan, komt een heleboel in een interessant nieuw verband te staan, en krijg je een beter beeld van een en ander. En begrijp je eigenlijk ook beter wat het is om wetenschapper te zijn: niet eens zozeer iemand die alles wil weten, maar iemand die lol heeft in het gaandeweg steeds beter begrijpen.

Er zitten ook wel wat zorgelijke kanten aan het verhaal. Doordat je het hier allemaal bij elkaar staat, wordt ineens duidelijk hoe oud de gepopulariseerde wetenschap inmiddels is. Het verhaal van de wetenschap is nog altijd dat van Einstein en Bohr, van Cantor, van Heisenberg. Het is een verhaal van het begin van de twintigste eeuw, zoals het ook toen ik veertig jaar geleden begon dit soort boeken te lezen vooral een verhaal van die periode was. Er is wat franje bijgekomen – de snarentheorie wordt even genoemd, en natuurlijk de experimentele bevestiging van bijvoorbeeld het bestaan van het Higgs-deeltje; de Stelling van Fermat is bewezen; bovendien is er nu een hoofdstuk over onderzoek naar de menselijke geest, maar die is het meest speculatief en het minst overtuigend. Maar in essentie leven we eigenlijk nog steeds in de nadagen van de grote klap van honderd jaar geleden.

Is de wetenschap inderdaad zo opwindend niet meer? Zijn die grote geesten die de wetenschap in een klap een heel andere draai gaven er nog wel, of voelen zij zich niet meer aangetrokken tot het wetenschappelijk bedrijf? En zou dat een reden zijn waarom sommige kwesties zo moeilijk te doorgronden blijken?

En daar dan tegenover: leven we nu dan juist weer niet in een tijd waarin de wetenschapscommunicatie hoogtijdagen viert? Waarin de ideeën eigenlijk vooral leven in werk zoals dit boek, waarin op een intelligente manier allerlei zaken aan elkaar worden verbonden?

Aan het eind van het boek geeft Du Sautoy als een conclusie dat onkenbaarheid vaak voortkomt uit het feit dat we onmogelijk buiten het systeem kunnen gaan staan. We zullen nooit weten wat zich buiten het observeerbare deel van het universum bevindt. Ons bewustzijn weet niet hoe ons bewustzijn werkt. We kunnen de oneindigheid niet vatten met ons eindige brein. Maar juist in dit soort, wat meer freewheelende werk kun je in ieder geval even buiten al die systemen stappen. Natuurlijk zit je dan uiteindelijk weer in je eigen systeem – maar het geeft wel een gevoel van vrijheid.

28.12.16

Esther Schor. Bridge of words. Esperanto and the Dream of a Universal Language. New York: Metroploitan Books, 2016

Persoonlijk zijn! Je moet als je een breder publiek beoogt met je non-fictie-boek altijd persoonlijk zijn! En dus is Esther Schor, een hoogleraar Engels op Princeton, af en toe persoonlijk, in dit boek over de geschiedenis en het heden van de Esperanto-beweging.

Dat gebeurt dan soms wat mij betreft op niets af. Zo zit er in het boek verwerkt dat ze in de periode dat ze eraan werkte is gescheiden van Leo. Bij een bijeenkomst aan het begin gaat hij nog mee als Schor een Esperanto-bijeenkomst bezoekt, maar tegen het einde verkeert ze in een shock omdat ze dus weg is bij die Leo, of hij bij haar.

Maar wat dat met het Esperanto te maken heeft, blijft volkomen onduidelijk. Je zou misschien kunnen hopen dat ze bijvoorbeeld bij dat laatste bezoek, aan Bona Espero, een al veertig jaar door een idealistisch Italiaans echtpaar gerund internaat voor kansloze Braziliaanse kinderen (waar die kinderen dan ook een beetje Esperanto leren; bona espero betekent 'goede hoop').

En gek genoeg heeft zelfs dat hele bezoek aan Bona espero weinig met Esperanto te maken. Ja, het Italiaanse echtpaar (in de tachtig zijn ze inmiddels) spreekt de taal en leert het aan de kinderen; maar ze geven toe dat het voor die kinderen lang niet het belangrijkste is, met hun ingewikkelde leven. En er werken inmiddels ook mensen die helemaal geen Esperanto spreken. Het ideaal is eigenlijk veel breder en heeft weinig met taal te maken.

Het is een beetje jammer dat Schor daar niet op ingaat. Ze blijft een beetje een buitenstaander in de beweging, en juist door de sympathie die ze heeft, blijft het een beetje een freakshow. Dat het echte mensen zijn, wordt niet zo duidelijk vind ik.

Zo legt ze ook wel op een wat vreemde manier nadruk op het joodse van de Esperanto-beweging. Ik heb er zelf geen enkele twijfel over dat voor Lejzer Zamenhof, de schepper, een deel van het ideaal was: een taal maken voor de joden. Schor legt dat ook heel goed uit. Maar tegelijkertijd behandelt ze de Esperanto-beweging sindsdien wel erg als een soort quasi-joodse beweging, met allerlei symbolen en een sfeer die haar aan haar eigen seculiere jodendom doen denken.

Daar zit wat in, en het is interessant om die parallellen te zien, maar het lijkt me ook maar één laag onder velen – en een laag die niet per se voor veel mensen interessant was, zelfs niet voor Zamenhof. Het is heel wel mogelijk dat sommige dingen hetzelfde zijn omdat de Esperanto-beweging nu eenmaal ook een gemeenschap is die verspreid is over de (Westerse) wereld. En dat sommige symbolen meer algemeen westers zijn.

Ook hier zit Schors drang om alles persoonlijk te maken vooral in de weg. Ze dringt niet echt door in de beweegredenen van de mensen die het de moeite waard vonden om onder het nazisme of onder Stalin toch voor die taal te blijven strijden, en niet in die van de mensen achter bona espero omdat ze teveel bezig is zichzelf erin te herkennen. Bridge of words raakt daarmee uiteindelijk kant noch wal.

23.12.16

Tony Crabbe. Nooit meer druk. Een opgeruimd hoofd in een overvolle wereld. Amsterdam: Luitingh - Santhoff, 2016 (2015).

Ik schrijf dit blog nu al vele jaren – zij het de afgelopen jaren wat minder dan in het begin, omdat ik inmiddels allerlei andere plaatsen heb om over boeken te schrijven –, maar het label zelfhulp had ik nog niet aangemaakt.

Ik ben geen liefhebber van het genre, of beter gezegd: ik lees eigenlijk wel boeken met ongeveer de boodschap die Tony Crabbe heeft in Nooit meer te druk, alleen heet het daarin 'filosofie' of zoiets. De boodschap die hij uitdraagt heet daarin: stoïcisme.

Je moet je niet laten overspoelen. Dat is de boodschap. Het druk hebben is onzin, klagen over het druk hebben is zo mogelijk nog onzinniger. Je bent er uiteindelijk altijd verantwoordelijk voor, en je kunt er ook altijd wat aan doen, namelijk door het heft in eigen handen te nemen, onzin te weigeren en je te concentreren. Dat maakt je gelukkiger en uiteindelijk ook productiever en succesvoller.

Nooit meer te druk lijkt me daarmee een soort zelfhulpboek to end all zelfhulpboeken. Crabbe verwijst ook vooral naar andere zelfhulpboeken en naar psychologisch onderzoek dat daar heel dicht in de buurt zit (en dat naar mijn indruk deels zelfs al achterhaald is in de huidige crisis van de psychologie, waarin allerlei vaststaande resultaten toch niet zo vast blijken te liggen als eerder is gedacht).

Je kunt je afvragen waarom er dan toch weer zo'n boek nodig is. Waarom moet een dergelijke oude, en grotendeels ook met gezond verstand te beredeneren, boodschap toch weer worden uiteengezet? En waarom wordt het resultaat daarvan een succes? Je kunt daar smalend over doen, maar ik heb dit boek weliswaar niet gekocht (het lag ergens, ik las het ook maar eens) maar toch ook wel gelezen, als een fijn oudjaarsboek. Je moet jezelf kennelijk af en toe aan die waarheden herinneren om er aan te kunnen blijven vasthouden, omdat de verslonzing en het je laten meedrijven met de onzin altijd op de loer ligt.