27.11.04

Stephen Fry. The stars' tennis balls

Stephen Fry. The stars' tennis balls. London: Arrow Books, 2001.

Waarom verzint iemand zo'n absurd verhaal? Een zeventienjarige Engelse jongen die naar Oxford zou gaan krijgt van een stervende man een brief die hij ergens moet bezorgen, maar een paar van zijn vrienden stoppen wat drugs in zijn jasje en geven hem aan bij de politie. Die vinden dan ook de brief, die van een terroristische organisatie blijkt te zijn. De ondervragende politieman komt er echter achter dat de geadresseerde van de brief zijn eigen moeder is. Hij verdonkeremaant het bewijs en stopt de jongen twintig jaar in een gekkenhuis. Daar ontmoet hij een oude man van wie hij negen talen leert, en techniek, en schaken en van wie hij bovendien enkele honderden miljoenen euro's erft. Daarmee zet hij een groot internetbedrijf op, en bovendien neemt hij bloederig wraak op zijn vrienden en de politieman voor hij, uit eigen vrije wil, weer teruggaat naar het gekkenhuis.

Een van de thema's van het boek is: wat betekent het om 'Brits' te zijn? Dat is in ieder geval een echt Brits thema. Ik ken nauwelijks boeken in het Duits, Frans of Nederlands over de vraag wat het betekent Duits, Nederlands of Frans te zijn. Waarom zijn de Britten daar wel zo mee bezig? De Amerikanen hebben het trouwens ook - The plot against America van Roth gaat bijvoorbeeld deels ook over de vraag wat het betekent Amerikaans te zijn.

Het grootste deel van het boek is het een grappig, luchtig verhaal zoals er in het Engels (gelukkig) zo veel zijn -- een wat melancholischer versie van Ben Elton -- maar na verloop van tijd ontpopt de hoofdpersoon zich tot een genadeloze wreker. Dan wordt het ook wat minder leuk, al heb ik het wel in één lange treinreis uitgelezen. Al is het maar omdat er ook nog een hartverscheurend (zij het volkomen absurd) liefdesverhaal verteld wordt.

21.11.04

Knut Nærum. Glad ijs

Knut Nærum. Glad ijs. Breda: De Geus, 2004.

Dit is een ongehoord grappig boek. Het komt niet vaak voor dat ik hardop om een boek lach -- maar bij Glad ijs is het me een paar keer gebeurd. Net als The plot against America is het een wat-als-boek. In dit geval: wat zou er nu gebeuren als Noorwegen en Nederland met elkaar in oorlog zouden raken in de nabije toekomst. Daar blijkt niet veel voor nodig te zijn: een val op een schaatsbaan tijdens een wereldkampioenschap en een ongelukkig treffen op de internationale wateren blijken genoeg te zijn om de spanning onder de bevolking flink te doen opleven. Vooral wat er in Noorwegen gebeurt wordt beeldend beschreven: mensen gaan spontaan hun Goudse en Edammer kazen verbranden, er verschijnen ingezonden brieven dat woorden als maalstroom maar niet meer gebruikt moeten worden, omdat het leenwoorden uit het Nederlands zijn, en stukje bij beetje wordt de toon steeds grimmiger, totdat zelfs de meest verlichte mensen alleen nog weten te vertellen 'dat niet alle Nederlanders zo zijn'. Alleen een enkele verstokte linkse ziel blijft bij haar mening 'dat het heel begrijpelijk is als de Nederlanders onze ambassade platbranden, als je bedenkt wat wij ze eeuwenlang hebben aangedaan.' Uiteindelijk neemt Amerika het roer over -- of blijkt eigenlijk dat het al de hele tijd dat roer in handen had -- en worden de twee landen in een vernietigende oorlog meegesleurd.

Dit is een ongehoord grappig boek, tot je beseft dat het over de werkelijkheid gaat. Nærum bedoelde het als een protest tegen de oorlog in Irak, maar wie het dezer dagen in Nederland leest, voelt iets heel anders. Hoe goed beschreven wordt hoe animositeit tegen bepaalde groepen zo kan worden aangewakkerd dat niemand eraan kan ontsnappen. Hoe onder alle gepraat over 'dat iedereen natuurlijk vrede wil', er zachtjesaan naar een oorlog kan worden toegewerkt. Hoe er oorlog kan komen terwijl niemand hem echt wil. Behalve wat Noren, want dat zijn onbetrouwbare lui, dat weet iedereen.

Het boek is trouwens briljant vertaald, en ook bewerkt. Het taalgebruik van Balkenende wordt bijvoorbeeld ongehoord grappig geparodieerd, dat zal wel niet van Knut Nærum komen.

19.11.04

Hafid Bouazza. Paravion

Hafid Bouazza. Paravion. Amsterdam: Prometheus, 2004.

Waarom houd ik niet van sprookjes? Ik kan het mezelf niet goed uitleggen, maar het boek van Bouazza is duidelijk een sprookje. Een mythische familie, die zelfs in contact staat met heksen, vertrekt uit het ene mythische land naar het andere, maar kan in allebei niet aarden. Iedere lezer denkt bij het ene land aan Marokko en bij het andere aan Nederland, maar het zijn wel sprookjesversies van die twee landen. Ik kan zien dat het vakkundig is geschreven, dat het vast een buitenkansje is voor de liefhebber, maar ik ben uiteindelijk niet verder gekomen dan ongeveer op de helft. Toen had ik het genoeg geprobeerd van mezelf; en dat het niet gelukt is, ligt vast aan mij en niet aan de schrijver.

Het enige waardoor ik het nog zolang heb volgehouden, waren de beschrijvingen van het eten:

Merels en spreeuwen vulde zij met rozijnen en noten en ze diende ze geroosterd of gebraden op met gekookte kweeperen waarin ze de veren stak, zodat ze veel weg hadden van een zee-egel. Wilde duiven braadde zij in roomboter, uien en kaneel, waarna zij ze bestrooide of vulde met amandelen, pistache en rozijnen, het geheel gekleurd door gemalen saffraan, die in bijna geen van haar gerechten ontbrak: het oog eet voor de mond.

Ja, een sprookje dat alleen maar over eten ging, dat zou ik verslinden! Luilekkerland!

14.11.04

Philip Roth. The plot against America

Philip Roth. The plot against America. London: Jonathan Cape, 2004.

Sinds The human stain noem ik mezelf tegenover wie het horen wil een bewonderaar van Philip Roth. Nu is er een nieuw boek verschenen dat allerwege geprezen werd, en dat lijkt me terecht, want dit is de beste roman van dit jaar, ik zal er geen doekjes om winden.

Roth beschrijft hoe de jaren 1940-1942 verlopen waren voor het jongetje dat hij was en het joodse gezin waarin hij leefde als niet Roosevelt maar de antisemitische vliegenier Lindbergh de presidentsverkiezingen gewonnen had. Er is niemand die zo goed kan beschrijven hoe gebeurtenissen in de grote politiek van invloed kunnen zijn op het alledaagse leven -- hoe mensen hun best kunnen doen om alles normaal en prettig en kalm te houden, maar de buitenwereld uiteindelijk toch alles kan verpesten.

Dat vond ik al vanwege de Human stain, maar nu laat Roth ook nog zien dat hij kan beschrijven hoe een jongetje denkt en voelt als hij ziet dat om hem heen de wereld gek aan het worden is. De manier waarop zo'n jongetje dat langzaam in de gaten krijgt terwijl hij tegelijkertijd blijft vasthouden aan zijn kleinejongensangsten voor spoken in de kelder — het maakt dat je eigenlijk niet kan geloven dat Roth het niet heeft meegemaakt. Hoe zoveel mensen in het verkeerde beginnen te geloven, dat zelfs degenen die dat niet doen aan hun verstand beginnen te twijfelen: zoiets verzin je toch niet?

Nee, mij maakt die Roth niks wijs: ik denk dat Lindbergh wel degelijk president van Amerika is geweest. Gelukkig is het allemaal goed gekomen.

(Hoewel?)