26.12.04

Tsead Bruinja en Hein Jaap Hilarides. Droom in blauwe regenjas/Dream yn blauwe reinjas

Tsead Bruinja en Hein Jaap Hilarides. Droom in blauwe regenjas/Dream yn blauwe reinjas. Een keuze uit de nieuwe Friese poëzie sinds 1990/In kar út de nije Fryske poëzij sûnt 1990. Amsterdam/Antwerpen: Contact, Ljouwert: Bornmeer, 2004.

Tien jaar geleden kreeg ik de Spiegel van de Friese poëzie cadeau van iemand, voor mijn verjaardag, en heb die toen tijdens de kerstvakantie helemaal stukgelezen. Deze nieuwe bloemlezing wil heel expliciet een aanvulling zijn en een 'nieuwe generatie' dichters presenteren (onder die nieuwe generatie zitten overigens ook mensen die dit jaar vijftig geworden zijn).

Droom in blauwe regenjas is in alle opzichten die ik bedenken kan een goede bloemlezing. Zo kun je er geen slecht gedicht in ontdekken. Er zijn wel gedichten die niet mijn smaak zijn, maar ook daarvan kan ik niet zeggen dat ze slecht zijn. Daarentegen staan er een heleboel ontdekkingen in. Van Elmar Kuiper wil bijvoorbeeld wel meer lezen, of van Anne Feddema, of van Nyk de Vries:

motorman

Hij reed maar rond op zijn motorfiets en nooit wist ik wat er in zijn hoofd omging. Op een dag volgde ik hem naar zijn hut in het bos. Ik liep naar het hokje toe en duwde de deur met kracht open. Voor mij lag languit achterover op de houten vloer de motorman. Hij keek op, kwam langzaam overeind en staarde me aan met een vreemd rood gezicht. Ik wilde iets zeggen, maar voordat ik daartoe kon komen, verdween de motorman zonder ooit terug te keren. Ik nam mijn intrek in het huisje en woonde er uiteindelijk ruim twintig jaar. Het is waar wat ze zeggen. Elk nieuw huis moet beter zijn dan het vorige.

© Nyk de Vries
Vertaling door de auteur

motorman

Hy ried mar om op syn motorfyts en noait wist ik wat der him troch de holle spile. Op in dei folge ik him nei syn hutte yn 'e bosk. Ik rûn op it hokje ta en treau de doar mei kracht iepen. Foar my lei langút achteroer op 'e houten flier de motorman. Hy seach op, kaam stadich oerein en stoarre my oan mei in frjemd read gesicht. Ik woe wat sizze, mar foar't ik dêr ta komme koe, ferdwûn de motorman sûnder oait werom te kommen. Ik naam myn yntrek yn it hûske en wenne der úteinlik goed twintich jier. It is wier wat se sizze. Elk nij hûs moat better wêze as it foarige.

© Nyk de Vries

Nog een reden waarom Droom in blauwe regenjas zo'n goede bloemlezing is: dat de beste dichters gemiddeld ook de meeste ruimte krijgen. Albertina Soepboer kende ik al wel een beetje, in het Nederlands, maar Tsead Bruinja (een van de samenstellers) heb ik ook pas in deze bundel leren kennen. Als je het in een keer bij elkaar ziet, denk je: wat zijn er toch veel goede Friestalige dichters.

De bloemlezing is ook zo goed omdat er een mooie website bijhoort, met extra achtergrondinformatie over alle schrijvers. Daar heb ik het bovenstaande prozagedicht van Nyk de Vries van gekopieerd, en daar lees ik dat hij ook een roman geschreven heeft (die ook nog in het Nederlands vertaald is) en bezig is met een tweede. Die moet ik ook lezen! Net als ik het tijdschrift




 

Louis Couperus. Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan.

Louis Couperus. Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan. Amsterdam: L.J. Veen, 1973 (1906).

Kerstmis: Couperus lezen of herlezen! Deze keer was Van oude mensen aan de beurt. Ja, dit is een eerbiedwaardige traditie ook al ben ik er dit jaar pas mee begonnen. Ik ga het volhouden, want Couperus is toch zonder enige twijfel de beste Nederlandse romanschrijver ooit. Ik kan zelfs niemand verzinnen die er maar in de buurt komt. W.F. Hermans staat misschien op nummer 2, maar die heeft natuurlijk niet de stilistische verfijning, en ook niet het psychologisch inzicht om zulke verschillende mensen te kunnen beschrijven.

Neem dit boek nu: intrigerend, melancholiek, precies. Af en toe zie je wat kunstgrepen van de feuilletonschrijver: omdat er zoveel familieleden beschreven worden, krijgen sommigen wel iets heel stereotieps, maar daar staat dan weer tegenover dat zelfs sommige bijfiguren fascinerende kantjes hebben — zoals de 'perverse' oom Anton, die ooit iets met een 'wasmeisje' moet hebben gedaan dat niet door de beugel kon, en zich nu het liefst op zijn kamer verlustigt in de beschrijvingen die Suetonius gaf van het leven van de Romeinse keizers (daarbij denk je dan onwillekeurig aan het feit dat Couperus' Berg van licht in dezelfde tijd verscheen ).

Wat me bij vorige lezingen niet was opgevallen (of wat ik in ieder geval niet onthouden heb): het spel met ouderdom. Iedereen die ook maar een rol van betekenis speelt in dit boek, is oud. Zelfs over Elly, die nog maar 23 is en bovendien vol ambities zit, wordt verteld dat ze zich oud voelt. En een beschrijving van haar 38-jarige man eindigt het boek in een onnavolgbare alinea:

En daar de kilte van het zonnesterven voorbij was, en de starrenacht buiten zwoel werd, wierp hij de ramen weer open, ademde op, en zette zich, bij zijn goed brandende lamp, aan zijn grote tafel... Zijn blond en fijn gezicht boog zich over zijn papieren heen, en zo dicht bij de lamp was het zichtbaar, dat hij heel grijs werd aan de slapen.

24.12.04

Fabrice Pliskin. L'Agent dormant

Fabrice Pliskin. L'Agent dormant. Paris: Flammarion, 2004.

De eerste vijftig bladzijden van dit boek zijn prachtig. Een Franse Algerijn, Mohammed Bendjebbour, van een jaar of veertig vertelt er zijn treurige leven in, van een kind van een vermoorde verzetsstrijder dat een tijdje bij Fransen doorbracht, maar door hen weer verstoten werd, en vooral van een buschauffeur in een voorstad van Parijs die alle vernederingen die hij moet ondergaan niet meer aankan. Helaas komt Mohemmed na die vijftig pagina's een linkse zeventigjarige hoogleraar filosofie tegen, een zekere Jean-René Brideau, en dan moet het boek nog driehonderdvijftig pagina's, die ik eerlijk gezegd vooral heb doorgelezen uit solidariteit met de eerste vijftig, en in de hoop dat er daar nog iets van terug zou moeten komen.

Die driehonderdvijftig pagina's zijn vooral een satire -- Brideau is een volkomen belachelijke, irreële figuur, iemand die met de mond enorme sympathie belijdt voor alle minderheden tegelijk (homo's, vrouwen, joden, moslims) maar ondertussen van iedereen gebruik maakt en in niemand echt geïnteresseerd is. Iemand die zogenaamd de tv-roem minacht, tot hij zelf op de tv mag. Iemand die beweert niet om het materiële te geven, terwijl hij oesters eet. Dat soort werk, en de tegenstrijdigheden worden er duimendik bovenop gelegd. Een sympathiek kantje valt aan deze man niet te ontdekken, en waarom Mohammed Bendjebbour zo geïntrigeerd raakt door deze verderfelijke figuur wordt mij in ieder geval nergens duidelijk. Sterker nog, Mohammed lijkt zelf door al die onzin af en toe heen te prikken, dat wordt wel duidelijk, maar waarom hij Brideau toch als zijn meester lijkt te beschouwen, ach. Dit is een heel erg met de huidige Zeitgeist meewaaiende satire, waarom ik geen enkele keer heb hoeven lachen.

13.12.04

John Updike. The afterlife and other stories.

John Updike. The afterlife and other stories. London: Penguin, 1995 (1994).

Met het lezen van deze bundel korte verhalen ging het zo: in het begin dacht ik 'Ha! John Updike! Wat een geweldige schrijver'. De eerste verhalen las ik met plezier, maar na een tijdje begon het me toch wel te vervelen: wéér een man van een jaar of zestig die terugkijkt op zijn drie huwelijken, op het geluk dat hij nooit gevonden heeft; die het huis van zijn moeder moet leegruimen nadat ze overleden is; die liever een Europeaan zou zijn, maar toch een Amerikaan is. Als op bladzijde 148 niet het verhaal Tristan and Iseult had gestaan, had ik het boek dichtgelegd -- een verhaal waarin hij humoristisch de anonieme en tegelijk sensuele sfeer beschrijft van het bezoek aan de mondhygiëniste. Zoveel stelt het verhaal nog niet eens voor, maar het is eens wat anders, en dat is wat een verhalenbundel toch wel moet bieden, een beetje afwisseling. Daarna komt bovendien een van de mooiste verhalen uit de bundel, Aperto, Chiuso, over een zestigjarige man die met zijn twintig jaar jongere derde vrouw door Italië reist. Alle thema's zijn vertegenwoordigd maar vooral wordt vooral de wanhoop van die mensen beschrijven, die nu dan toch maar bij elkaar blijven, omdat ze elkaar soms haten maar toch ook liefhebben. Vanaf dat moment kon ik er weer tegen: geweldige schrijver.

1.12.04

Amélie Nothomb. Biographie de la faim.

Amélie Nothomb. Biographie de la faim. Paris: Albin-Michel, 2004.

De Waalse literatuur, daar wist ik nu echt helemaal niets vanaf. En daar is nu een beetje verandering in gekomen: ik heb in ieder geval het laatste boek van Amélie Nothomb gelezen. Dat maakt me natuurlijk nog niet meteen tot een kenner. Ik weet wel dat zij, Nothomb, geldt als een van de belangrijkste 'jonge' (ze is net zo oud als ik) schrijvers van dit moment, maar ik weet niet wat de titels van haar belangrijke boeken zijn. Deze 'biographie' lijkt me een tussendoortje, zij het wel een virtuoos tussendoortje. Het begint bijvoorbeeld briljant, met een beschrijving van het eiland Vanuatu, waar men nooit honger heeft omdat er overal eten is in overvloed. Daarna begint het eigenlijke 'verhaal', een autobiografische schets over de jeugd van de schrijfster waarin honger, zowel in een letterlijke als in een figuurlijke betekenis, een grote rol speelt: de jeugd eindigde met anorexia, maar begon met periodes waarin het eten van bijvoorbeeld chocola grote vreugde bezorgde. En op een dag ontdekt ze zelfs speculaas verstopt in de garage (haar vader is diplomaat in het China van de Bende van vier):

J'en goutais aussitôt. Je rougis: ce croquant, ces épices, cétait à hurler, un événement trop important pour le célébrer dans un garage. Quel était le meilleur endroit pour fêter ça? Je le savais.

Je bondis jusqu'à notre immeuble, montais les quatre étages en courant et fonçais dans la salle de bain dont je poussais la porte derrière moi. Je m'installais devant le miroir gént, sortis le butin de dessous mon pull et commençais à manger en observant mon reflet dans la glace -- je voulais me voir en état de plaisir.

C'était un spectacle. Rien qu'à me regarder, je pouvais détailler les sauveurs: c'était forcément du sucré, sinon je n'aurais pas eu l'air aussi heureuse; ce sucre devait être de la cassonade, à en juger l'émoi caracteristique des fossettes. Beaucoup de cannelle, disait le nez plissé de jouissance. Les yeux brillants annonçaient la couleur des autres épices, aussi inconnues qu'enthousiasmantes. Quant à la présence de miel, comment en douter, au vu de mes lèvres qui minaudaient l'extase?

Iemand die zo kan schrijven over het genot van speculaas, wil ik wel ten huwelijk vragen. (Verderop in het boek wordt ze wel een beetje koket.) De reden waarom ik denk dat het toch een tussendoortje betreft, is dat de structuur van het boek niet erg strak is. Het gaat helemaal niet altijd over de honger, althans niet dwingend. Ik denk, nee hoop, dat Nothombs andere boeken meer structuur hebben.