28.7.06

Carlo Ruiz Zafón. Der Schatten des Windes. Frankfurt: Suhrkamp, 2005 (La sombra del viento, 2001)

De schaduw van de wind is misschien geen Da Vinci Code, maar een groot verkoopsucces is het wel. Volgens de Wikipedia is het werk van de schrijver al in dertig talen vertaald, en daarbij telt waarschijnlijk niet alleen deze eerste 'volwassen' roman maar ook het werk voor de jeugd, maar in verschillende boekwinkels heb ik grote stapels van het boek zien liggen. Ik kreeg het, in een Duitse vertaling, van een vriendin.

De eerste honderd of tweehonderd pagina's vond ik ook prachtig. Een jongetje vindt in een geheimzinnig boekenpaleis in Barcelona een boek dat hem mateloos intrigeert. Dat boek blijkt geschreven te zijn door een schrijver van wie alle boeken door een duistere figuur worden opgekocht of gestolen om te worden verbrand. Dat alles zal het leven van het jongetje voor enige jaren volkomen beheersen, tot het komt tot een min of meer dramatische ontknoping.

Het boek is wel erg lang, en het is ook wel heel erg een geconstrueerd verhaal, waarin allerlei draden geweven zijn, die zich ontrollen — een soort detective zonder dat de moord (die wel degelijk gepleegd wordt) er een belangrijke rol in speelt. En ik houd niet zo van detectives. De schaduw van de wind is vooral aardig als een beschrijving van het Barcelona van vijftig jaar geleden; ik ben bang dat ik het verder snel zal vergeten.

8.7.06

Ben Elton. The First Casualty. London: Black Swan, 2006 (2005).

Ben Elton schrijft ieder jaar een onderhoudend boek, en ik lees het als het in paperback verschijnt. Zo schreef ik hier al eerder over Past Mortem en Popcorn.

Terwijl die vorige boeken allemaal behalve detectives vooral ook satires waren op eigenaardigheden van onze eigen maatschappij en onze eigen tijd, gaat dit boek over de Eerste Wereldoorlog. Een uiterst rechtlijnige politieman weigert voor Engeland te gaan vechten omdat hij de zin niet inziet van al het moorden dat er gebeurt op de slachtvelden. Hij wordt daarom in de gevangenis gegooid en merkt dat werkelijk iedereen hem veracht om zijn standpunt, ook de gevangenen en zelfs de andere politieke gevangenen. Omdat hij ook nog eens op een cel wordt geplaatst met mensen die hij vroeger zelf de gevangenis heeft ingeholpen, ziet het ernaar uit dat hij niet lang te leven heeft. Maar dan wordt hij door het leger uit de gevangenis ontvoerd: hij moet een politiek gevoelige moordzaak oplossen die zich in Frankrijk rondom een Britse officier, een zoon van een vooraanstaand conservatief politicus, heeft voorgedaan. Zo komt hij toch nog aan het front terecht, waar hij, terwijl de doden in bosjes om hem heen vallen, de doodsoorzaak van één man probeert op te lossen.

Boeken over de Grote Oorlog zijn in de mode, of in ieder geval struikel ik erover. Zo las ik vorig jaar Les âmes grises van Philippe Claudel, dat ook al gaat over een detective die een moord moet oplossen in de tijd van het grote slachten. Eltons boek is veel absurder: alle essentiële gesprekken die de detective voert, gebeuren aan de frontlinies, terwijl om hem heen de soldaten de Duitse loopgraven bestormen, vastzitten in een modderige kuil of anderszins aan het moorden zijn. Ook de detective zelf kan niet anders dan af en toe iemand doodschieten, terwijl hij eigenlijk op zoek was naar het moordwapen (dat door een officier meteen weer in gebruik genomen was).

Af en toe wringt het wel een beetje, en is het misschien allemaal iets te geconstrueerd. Elton heeft duidelijk een tour de force uitgehaald door een klassiek soort detectiveonderzoek zich tegen deze achtergrond te laten afspelen. Het is af en toe allemaal wel wat veel van het goede, en als ik rondkijk op het internet, zie ik vooral slechte recensies. Maar ik heb toch weer een geslaagde middag gehad.

2.7.06

Remco Campert. Het satijnen hart. Amsterdam: De Bezige Bij, 2006.

Een oudere schilder kijkt terug op zijn leven. Hij is beroemd, maar hij schildert niet meer: waarom niet? Een reden is dat hij ooit verlaten is door een vrouw. Hoewel hij dat nooit heeft willen toegeven, hield hij van die vrouw. Hij dacht dat ze uit was op zijn geld en zijn roem, omdat ze zoveel mooier en knapper was, maar hij beseft nu dat hij van haar hield, en wat meer is: zij van hem. Maar nu is ze dood.

Het thema van deze kleine roman is verwant aand at van een andere kleine roman die ik onlangs las — Everyman van Philip Roth, waarin ook een schilder (zij het niet zo'n succesvolle) terugkijkt op zijn leven en zijn liefdes. Merkwaardig hoe dat werkt, de tijdgeest, dit is een tijd van oude mannen. Het nodigt uit tot vergelijking: Campert is wat lichter van toon, daar kun je niet omheen. Neem het begin van dit boek:

'Mijn beste schilderij maakte ik toen ik tegen de zestig was,' zeg ik tegen mijn halfzusje Bettina, terwijl ze een washandje tussen mijn billen door haalt.

Dat is niet alleen een zin waar het taalplezier vanaf spat, hij blijkt later ook nog veelbetekenend te zijn: de hele roman zit er als het ware in verwerkt. Tegelijkertijd is Roth treuriger en zwarter.

1.7.06

José Saramago. De stad der zienden. Amsterdam: Meulenhoff, 2005.

Een vervolg! Een nobelprijswinnaar die een vervolg schrijft op een eerder boek dat een succes was! En nog een zeer sjacherijnig vervolg bovendien!

In een hoofdstad — dezelfde stad die een rol speelde in Saramago's roman De stad der blinden, en veel meer komen we over die stad ook niet te weten — worden gemeenteraadsverkiezingen gehouden, en tot de schrik en verbazing van de regering stemt zeventig procent van de kiezers blanco. In aller ijl worden binnen een paar dagen nieuwe verkiezingen georganiseerd; nu stemt vijfentachtig procent van de kiezers blanco. Zoiets kan de regering natuurlijk niet over zijn kant laten gaan. We zien alles gebeuren vanuit de machthebbers, die niet kunnen begrijpen waarom de kiezers hun de democratische legitimatie ineens onthouden: alles ging toch goed? Er is een regeringspartij (de Partij van Rechts) en een oppositiepartij (de Partij van het Midden), en alle ministers zijn mannen van stavast. Ze kondigen de staat van beleg af, ze vertrekken uit de hoofdstad, maar niemand geeft een krimp.

Dat is de eerste helft, een bittere aanklacht tegen de 'democratie', een warm pleidooi van een echte anarchist. Maar dan. In de tweede helft wordt de schuld ineens gegeven aan de 'vrouw van de oogarts', de vrouw die in De stad der blinden, dat ik ook gelezen heb, een glansrol speelde. Zij was de enige die niet blind werd, nu moet ze wel de 'schuld' hebben van deze vreedzame opstand, nietwaar? Er wordt een politiecommissaris op haar afgestuurd, maar als hij overtuigd raakt van haar onschuld, wordt hij van zijn taak ontheven en vermoord. Ook de vrouw van de oogarts wordt, in de laatste zin, doodgeschoten. Een vervolg komt er in ieder geval dus niet meer, maar ik begrijp toch niet goed waarom deze verbinding tussen die twee boeken gelegd moet worden: wat is daar de betekenis van? Dat er een willekeurige persoon wordt aangewezen als schuldige, is op zichzelf al eigenaardig: wat wil de regering daarmee bereiken, vooral als ze die schuldige doodschiet, terwijl het duidelijk is dat de 'opstand' daarmee niet opgelost zal zijn. Maar vooral: waarom moet dat iemand zijn die in een heel andere roman met een heel ander verhaal ook een rol speelde?