22.4.07

Leo Vroman. Misschien tot morgen. Dagboek 2003-2006. Amsterdam: Querido, 2006.

Op de omslag van dit dikke dagboek staat een foto die Leo Vroman, geboren in 1915 en dus ruim vijftig jaar ouder dan ik, onlangs van zichzelf gemaakt heeft: zijn hoofd, zijn naakte borstkas, zijn hand die een digitale camera vasthoudt. Die foto is de kortst mogelijke samenvatting van dit dagboek, dat vooral aantrekkelijk is omdat de auteur zo'n sympathieke en zo'n inspirerende man is, iemand die zichzelf is en tegelijkertijd nieuwsgierig genoeg naar de buitenwereld om zich ook nieuwe technieken eigen te willen kunnen maken.

Ik heb er maanden over gedaan om dit boek te lezen: af en toe een stukje.

Daar zitten heel mooie stukjes bij; een brief bijvoorbeld, die Vroman op 18 mei 2005 (ik las toen Stars en bars van William Boyd) schreef aan de mensen van 2160, op verzoek van de redactie van Dietsche Warande en Belfort:

Beste Mensen van 2160,
Het spijt me dat ik jullie taal niet spreek maar alleen een paar dode talen. En we zijn natuurlijk ver bij jullie beschaving achter, al zijn er nog maar zo weinig gezonden over. Merk ook dat we nog steeds geen bewust entanglement (E2) gebruiken in ons schrijven.
[...] Jammer dat E2 over 53 jaar tot het uitroeien van zoveel onschuldigen en van de dichtkunst heeft moeten leiden. Wel ben ik blij dat jullie de Flnbrky hebben uitgevonden.
[...]

Niet alles is zo interessant natuurlijk, er staat ook wel heel veel dagelijks leven in deze 696 pagina's — en vooral ook wel veel dromen, die ik om de een of andere reden nooit lezen kan.

Maar al met al is Leo Vroman een man zoals iedereen wil zijn, denk ik: liefdevol en precies, dichterlijk en wetenschappelijk, origineel en medemenselijk. De lezer kan honderden pagina's genieten van het feit dat zo iemand bestaat.

14.4.07

Frans de Waal. De aap in ons. Waarom we zijn wie we zijn. Amsterdam/Antwerpen: Contact, 2006 (2005).

De aggressieve chimpanzee staat niet het dichtst bij ons van alle primaten; de vredelievende bonobo komt even dicht in de buurt. Bij chimpanzees draaien de sociale structuren om de mannetjes met hun onderlinge machtsgevechten; bij bonobo's gaat het om de vrouwtjes die alles met verzoening en seks oplossen. Wij mensen hebben twee spiegelbeelden, zijn 'bipolaire' apen en kunnen veel over ons zelf leren door naar beide voorouders te kijken.

Dat is de strekking van De aap in ons van de Nederlands-Amerikaanse aapkundige Frans de Waal, van wie ik eerder The ape and the sushimaster las. Ik wilde bijna schrijven dat dit laatste boek op mij veel meer indruk maakte, maar ik lees nu in mijn bespreking van toen dat ik van dat boek ook helemaal niet zo weg was. Gek is dat, ik herinner me het veel positiever.

Laat ik daarom nu maar documenteren dat ik De aap in ons ook niet zo'n geweldig boek vind. Het is een beetje rommelig gestructutreerd, verschillende beweringen komen enkele malen terug, en je hebt het idee dat het kernidee ook wel wat kernachtiger had kunnen worden uitgedrukt: niet in een boek van 250 pagina's, maar van 125 of daaromtrent. Ik vind dat kernidee ook nog eens niet zo sterk. Kennelijk hebben de chimpanzee en de bonobo een gemeenschappelijke voorouder (Pan) en is de homo sapiens eerder afgesplitst. Het is daarmee helemaal niet zo duidelijk dat de mens tussen die andere twee in zou moeten staan, en dat maakt het hele zoeken van vergelijkingen eigenlijk niet veel meer dan een spelletje. Tegelijkertijd neem je die apen daarmee niet zo heel erg serieus, als je hun gedrag alleen maar beschrijft in zoverre het betrekking heeft op de mens.

Er kwam nog een ergernisje bij doordat ik het boek in vertaling las, en die vertaling is heel slecht. Niet alleen doordat de vertaler denkt dat 'liberals' hetzelfde is als 'liberalen', of 'scientists' hetzelfde als 'wetenschappers' (zodat De Waal lijkt te beweren dat hij op een congres van postmodernistische geleerden een van de weinige wetenschappers was), maar ook doordat allerlei voor de Nederlandse lezer overbodige mededelingen over het geboorteland van de auteur, of voor niet-Engelstaligen overbodige toevoegingen zoals dat het woord voor 'tongzoen' verwijst naar Frankrijk, gewoon zijn blijven staan. Het boek maakt daarmee een beetje een achteloze indruk.

9.4.07

Siegfried E. van Praag La Judith. Den Haag: Leopold, 1980 (1930).

Judith Sachs is een negentiende-eeuwse circusartieste die zich opwerkt van een kleine piste tot de bekendste koorddanseres van Europa in een van de gigantisch grote tenten die in haar tijd als teken van moderniteit gelden. Maar ze wil meer: als ze zevenentwintig is, wil ze eindelijk haar grote droom waarmaken en actrice worden. Vanwege haar leeftijd en omdat ze haar familie moet onderhouden, wil ze alleen bij het allerhoogste beginnen: de Comédie Française. Dat lukt haar ook, maar alleen door de avances van een vies naar oud mannetje te accepteren en als gevolg daarvan ook nog eens haar grote liefde, een grote, sterke maar wat dommige en stille man te verstoten. Twintig jaar viert ze triomfen en daarna heeft ze alles gezien. Met haar bij het toneel verworven geld koopt ze een circus, voor haar zoon.

Vooral de eerste helft van het boek is prachtig, fraaie portretten, spannende verhaallijnen. In de tweede helft stort het verhaal een beetje in -- dit deel van het boek begint in mijn samenvatting hierboven bij de woorden 'Twintig jaar'. Maar al met al kun je makkelijk inzien waarom Van Praag in de jaren dertig als een belangrijk talent werd beschouwd.

Het is opvallend hoe modern Judiths zeden zijn. Ze woont de hele tijd samen met telkens andere mannen, en niemand schijnt daar echt schande van te spreken. Alleen als ze met die vieze ouwe man gaat samenwonen, spreekt iedereen er schande van. Maar misschien konden 'artisten' zich die moderniteit veroorloven.

Het knapste van dit boek is misschien nog wel dat de lezer duidelijk wordt de hoofdpersoon zo onsympathiek is terwijl hij tegelijkertijd sympathie voor haar opvat. Judith is koel, berekenend, genadeloos, weinig gezellig of vriendelijk en altijd met haar vak bezig. Ze houdt dan ook weinig vrienden over aan het eind, maar de lezer is er wel een van.

8.4.07

Menno ter Braak. Mephistophelisch. Ursa Minor, 1937.

'Wat is mephistophelisch?' vraagt Menno ter Braak in de opdracht van dit essay, of eigenlijk van dit boekje met een aantal kleine brokstukken essays, columns, zo je wilt. 'Dat men niet vondelt? Dat men zich niet vereenzelvigt met een zijner specialismen?' Dat zijn retorische vragen, en Ter Braak liet zich in dit boekje van zijn mefistofelische kant zien. Dat was een fraaie kant: Mephistophelisch staat vol aardige observaties, en is prettig ondogmatisch. Veel is ook nu nog van toepassing, misschien met een paar aanpassingen. Over 'het spellingprobleem' merkt Ter Braak bijvoorbeeld op dat men dit mag beschouwen "als een symptoom van die neiging om zich te onderscheiden van anderen [...] De spellingquaestie is dan ook nooit een zuiver wetenschappelijke queaestie geweest; altijd hebben nevenmotieven, berustend op een verlangen naar onderscheidingsteekenen, de hoofdrol gespeeld. De spelling Kollewijn heeft jaren lang (nu begint het te minderen) flinkheid, frischheid, vooruitstrevendheid, socialisme, geheelonthouding, rein leven e.d. moeten symboliseren; men kon die 'vrolike mensen' reeds uit de verte zien aankomen, eer zij zich nog schriftelijk hadden uitgedrukt."

Prettige schrijver — moet ik meer van lezen.

1.4.07

Nachoem W. Wijnberg Liedjes. Amsterdam: Contact, 2006.

Nachoem Wijnberg is een geleerd man en een gelauwerd dichter, en zijn bundel Liedjes is allerwegen geprezen als een van de belangrijkste bundels van het vorige jaar. Hoe komt het dan dat ik er geen vinger op kan leggen? Zijn liedjes zijn voor mij als olijfolie: ik kan het niet vatten, het glipt almaar weg. Ik neem één zo'n liedje, en probeer er grip op te krijgen:

liedje

De meisjes gaan op weg
zij wuiven naar elkaar
terwijl zij vlak bij elkaar staan,
een mooie dag om niet ver weg te gaan,
terug voordat het donker is.

Het doet me van alle dichtstijlen die ik ken, nog het meest denken aan een haikoe: een observatie die in een zeer kort bestek in een bespiegeling verkeert. Maar waar gaat die bespiegeling over? En hoe zou het gedicht veranderen als we bijvoorbeeld de laatste zin zouden verwijderen? Of de een na laatste?

Er is een documentaire over deze bundel. Ik zou die graag willen zien, maar mijn MacBook wil hem niet afspelen. Jammer, zo blijft het raadselachtig — aan de bundel alleen heb ik kennelijk niet genoeg. Er wordt tegen me gepraat, of gezongen, zo je wilt, maar ik begrijp de strekking van het gezegde of gezongene niet.

Dave Eggers. What is the What. The autobiography of Valentino AchaK Deng. San Francisco: McSweeney's, 2006.

Valentino Achak Deng, de hoofdpersoon van deze roman, bestaat echt. Hij is een van de zogeheten Lost Boys, de kinderen die in de jaren tachtig uit Zuid-Soedan gevlucht zijn, eerst naar Ethiopië, en toen het daar ook niet veilig maar was, naar Kenia. Hij vertelt in dit adembenemende boek hoe dat allemaal is gegaan — hoe een kind van zeven geconfronteerd kan worden met de ergste gruwelen, jarenlang in die gruwelen kan leven, en toch overleefd.

Op een dag vlucht Achak bijvoorbeeld weg uit het Ethiopische vluchtelingenkamp: er is een nieuwe regering gekomen en die wil de Dinka niet meer, het Zuid-Soedanese volk waar het jongetje bij hoort. Samen met drie anderen rent hij door de velden. Dan doemt er een jonge vrouw op, die weliswaar in een Ethiopisch uniform is gekleed, maar de jongens toeroept dat ze hen wil helpen, dat ze een moeder voor hen is. Twee jongetjes lopen naar haar toe. Ze worden neergeknald.

Dat is maar een van de honderden details in het boek. Dat tegelijkertijd dragelijk blijft door de menselijke toon, hoe moet ik het anders zeggen.

Onder dit enorme boek, vijfhonderd bladzijden van rijkdom, lees je bovendien nog een ander, ontroerend verhaal, dat verteld wordt in allerlei stukken die her en der op internet verschenen over dit boek. Het verhaal over hoe Achak, eenmaal in Amerika geland, zijn verhaal wil vertellen. Zijn Engels is echter niet goed genoeg, en dus zoekt hij iemand die hem een beetje kan corrigeren. Zo komt hij terecht bij een bestsellerauteur, Dave Eggers. En! Die! Doet! Het! Samen schrijven zij binnen enkele jaren dit boek, waarvan de auteursrechten ten goede komen aan een stichting die Achak steunt, en Zuid-Soedan.

In Soedan is al twintig jaar een grote tragedie aan de gang: een misdadig regime dat zijn weerga niet kent, roeit bijna ongestraft zijn eigen bevolking uit. Tegelijkertijd komen er uit die hel af en toe mensen te voorschijn, echte mensen als Achak. En gelukkig zijn er ook onder de goede schrijvers nog echte mensen als Dave Eggers.