24.8.07

Emily Brontë. Wuthering Heights. London: Penguin, 1983 (1847),

Beroemde boeken die je nog nooit gelezen hebt, daar kun je rare beelden van hebben. Ik wist dat Wuthering Heights een gepassioneerde romantische liefde beschreef, maar ik dacht altijd dat we het dan hadden over twee gelieven die elkaar door o zulke rottige omstandigheden — de milieus lagen elkaar niet, het water was veel te diep — niet konden krijgen. Tot deze week. Dit gaat inderdaad over een grote liefde, maar wel tussen een die zo vurig is, dat het ene slachtoffer na het andere vallen moet, een liefdesgeschiedenis op de rand van horror. Hoera!

Emily Brontë had een groot talent voor het beschrijven van pubers. Er zijn er nogal veel in het boek, eigenlijk is bijna iedereen op het moment dat hij een belangrijke rol te spelen heeft in de puberleeftijd en vertoont puberachtig gedrag.

Op zeker moment wil de jonge Cathy ineens steeds naar haar nog jongere 'geliefde' Linton toe, ook als haar vader en haar huishoudster Ellen Dean, haar met rationele argumenten proberen te overtuigen dat die jongen heel gevaarlijk voor haar is.

'I'm not crying for myself, Ellen,' she answered, 'it's for him. He expected to see me again to-morrow, and there he'll be so disappointed: and he'll wait for me, and I sha'n't come!'

'Nonsense!' said I, 'do you imagine he has thought as much of you as you have of him? Hasn't he Hareton for a companion? Not one in a hundred would weep at losing a relation they had just seen twice, for two afternoons. Linton will conjecture how it is, and trouble himself no further about you.'

'But may I not write a note to tell him why I cannot come?' she asked, rising to her feet. 'And just send those books I promised to lend him? His books are not as nice as mine, and he wanted to have them extremely, when I told him how interesting they were. May I not, Ellen?'

'No, indeed! no, indeed!' replied I with decision. 'Then he would write to you, and there'd never be an end of it. No, Miss Catherine, the acquaintance must be dropped entirely: so papa expects, and I shall see that it is done.'

'But how can one little note - ?' she recommenced, putting on an imploring countenance.

'Silence!' I interrupted. 'We'll not begin with your little notes. Get into bed.'

Die eindeloze inzet van redelijkheid tegenover redelijkheid, zo zijn alle gesprekken tussen pubers en volwassenen. De meeste pubers krijgen in dit boek ook niet echt de kans om op te groeien. Zelfs Heathcliff knakt uiteindelijk onder de stormachtigheid van zijn gevoelens. Alleen de jonge Cathy en haar tweede geliefde Hareton (met zijn afschuwelijke jeugd) maken een kans.

20.8.07

Piet Gerbrandy. Het feest van Saturnus. De literatuur van het heidense Rome. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2007.

Waarom zou je literatuurgeschiedenissen lezen? Zo'n overzicht van allerlei goede en slechte schrijvers die niet meer met elkaar gemeen hebben dan dat ze in een bepaald gebied woonden en een bepaalde taal spraken, wat heb je er eigenlijk aan?

Aan deze geschiedenis van de 'heidense' Latijnse letteren ben ik vooral begonnen omdat ik geïnteresseerd ben in de schrijver ervan, Piet Gerbrandy, van wie ik de afgelopen jaren de dichtbundels De zwijgende man is niet bitter, Krang en zing en Drievuldig, feilloos, vals met plezier en bewondering gelezen heb. Mijn gevoel is dat Gerbrandy de Nederlandse dichter is die het meest door de Latijnse poëzie beïnvloed is, niet doordat hij Sapfische oden is gaan schrijven, maar doordat hij het 'weerbarstige' van het Nederlands zo mooi maakt als Horatius heeft gedaan met het 'weerbarstige' Latijn — dat woord 'weerbarstig' gebruikt hij ook inderdaad in deze literatuurgeschiedenis.

Interessant aan Het feest van Saturnus is de liefde voor het heidendom. Gerbrandy heeft bewust de christenelijke auteurs buiten beschouwing gelaten, en hij steekt ook niet zonder stoelen of banken dat dit is omdat hij hen doorgaans heel onsympathiek vindt, dat hij veel meer opheeft met het heidense gedachteleven. Dat is verfrissend in deze tijd waarin we de hele tijd met 'onze' christelijke waarden om de oren worden geslagen. Het is ook een van de aspecten van dit boek die het eenentwintigste-eeuws en interessant maken.

Een probleem van het genre van de literatuurgeschiedenis is dat de auteur toch op de een of andere manier volledig wil zijn en dus allerlei auteurs behandelt die hem niet liggen. Soms lijdt dit boek daar ook wel een beetje onder, bijvoorbeeld waar Gerbrandy uitgebreid de plot van een klucht van Terentius begint na te vertellen; maar meestal vertelt hij interessante en aardige details over de dichters. Gerbrandy heeft bovendien ongekend veel aandacht voor stijlkwesties en taalgebruik, leuk is dat.

Van Vergilius en diens Aeneis heeft hij niet zo'n hoge pet op, maar in dit boek schrijft hij er wat evenwichtiger over dan in het provocerende stuk dat hij ooit in de Groene Amsterdammer schreef. Maar zijn grote liefde ligt uiteindelijk toch bij een lyricus als Horatius, en waarschijnlijk is dat ook wel terecht.

En dan: wat moet ik nog veel lezen uit die Romeinse Oudheid: Tacitus en Martialis, Juvenalis en misschien — ondanks Gerbrandy's reserves — toch ook maar Ovidius.

19.8.07

Dante Alighieri. De goddelijke komedie. Amsterdam: Wereldbibliotheek, 1980 (1321).

Sommige boeken zijn zo belangrijk dat ze gratis zijn. De tekst van Dantes Goddelijke Komedie kun je in allerlei talen op het internet vinden, ook in een voorgelezen vorm. Ik heb besloten hem te beluisteren zoals hij in de jaren tachtig door de Amsterdamse lerares Nederlands en Geschiedenis Toetje Butzelaar is voorgelezen. Dat audioboek kun je gratis downloaden van de website van de VPRO (waarbij je dan voor lief moet nemen dat bij de digitalisering wat kleinigheden mis zijn gegaan).

Ik weet niet of ik kan zeggen dat ik echt genoten heb van de Komedie. Daarvoor is de wereld van Dante me toch te vreemd, en misschien de voordracht van Butzelaar toch ook iets te afstandelijk.

Ik heb er wel veel van geleerd, vooral omdat ik ook commentaar in gesproken vorm gedownload heb. Ik volg al een tijdje een podcast van de Amerikaanse filosoof Hubert Dreyfus (Berkeley), die me veel dingen heeft duidelijk gemaakt over dit enorme boek (en eerder over de Odyssee en de Aeneis). Bijvoorbeeld dat het een heel duidelijk kenmerk is van een middeleeuws wereldbeeld als dat van Dante dat je werkelijk alles en iedereen keurig op een rijtje wil zetten: van de zondaars in de hel tot de heiligen in de hemel heeft iedereen een precies bepaalde eigen plaats in de universele rangschikking van de dingen. Maar vooral ook dat er uiteindelijk zoveel inconsistenties in het hele werk zitten dat het uiteindelijk onder zijn eigen ambitie om alles op een rijtje te zetten bezwijkt. Er zijn nogal wat paradoxen, die volgens Dreyfus vooral veroorzaakt worden door de poging om de Grieks-Romeinse filosofie te verenigen met het Christendom. Waar de eerste streeft naar stoïcisme, afkeer van lichamelijkheid en abstractie, zag de tweede juist een hoog goed in de ene concrete, liefhebbende mens. Het is Dantes verdienste dat hij de combinatie van die twee dingen zo goed heeft doordacht dat je in zijn werk kunt zien hoe onverenigbaar ze zijn. Aan het eind van de Goddelijke Komedie zijn we uiteindelijk nog steeds in het midden van een donker woud.

18.8.07

Anton Tsjechov. Verhalen. Amsterdam: L.J. Veen, 1993.

Wat is een Russische schrijver? Dat is iemand die alle personen, zelfs degenen die in het verhaal toevallige voorbijgangers waren, toch nog even een typisch detail meegeeft. Tsjechov bijvoorbeeld. In het verhaal 'Grote Volodja en kleine Volodja' rijdt de hoofdpersoon met haar man (de grote Volodja), haar jeugdvriend (de kleine Volodja) en haar nichtje in een trojka. Dat nichtje doet er voor de voortgang van het verhaal nauwelijks toe, maar ze wordt wel even neergezet:

[...] al over de dertig, heel bleek, met donkere wenkbrauwen, een pince-nez, aan een stuk door sigaretten rokend, zelfs bij de strengste vorst, altijd lag er as op haar borst en haar knieën. Ze sprak door haar neus, waarbij ze ieder woord langgerekt uitsprak, was koel, kon onbeperkt likeur en cognac drinken zonder dronken te worden, en vertelde op een matte, smakeloze manier dubbelzinnige grappen. Thuis las ze de hele dag dikke tijdschriften, waar ze as op liet vallen, of at bevroren appels.

Bijna onmiddellijk verdwijnt de nicht hierna weer uit beeld, maar ze heeft ondertussen wel bijgedragen aan de ongehoorde levendigheid, de menselijkheid, van deze verhalen die juist uit de zinloze details komt.

In deze bundel hebben de vertaalsters Marja Wiebes en Yolanda Bloemen veertien van Tsjechovs beste verhalen bij elkaar gebracht. Het viel me op hoe ontheemd bijna iedereen is, hoe eenzaam: getrouwd met de verkeerde, door een opleiding het thuismilieu ontgroeid, veroordeeld tot een saai leven op het platteland. Het mooiste verhaal vond ik 'De bisschop', waarin wordt getoond hoe bisschop Pjotr aan het eind van zijn leven voelt dat hij de verkeerde keuzes heeft gemaakt: hij had niet zoveel carrière moeten maken en beter een dorpspope kunnen worden. Intussen durft zijn oude moedertje hem uit eerbied nauwelijks aan te spreken, de enige die ongegeneerd met hem praat is zijn nichtje Klara die onbekommerd zegt wat in haar opkomt. Dan sterft bisschop Pjotr, en meteen neemt het leven weer zijn gewone loop:

Na een maand werd een nieuwe vicaris aangesteld en niemand dacht meer aan bisschop Pjotr. Daarna vergaten ze hem totaal. En alleen de oude vrouw, de moeder van de overledene, die nu bij haar schoonzoon, de diaken woont in een afgelegen provinciestadje, begon 's avonds, als zij haar koe ophaalde en op de meent andere vrouwen tegenkwam, over haar kinderen en kleinkinderen te vertellen, over haar zoon, die bisschop was geweest, en deed ze bedeesd, bang als ze was dat anderen haar niet zouden geloven...

En dat was ook zo, lang niet iedereen geloofde haar.

14.8.07

Honoré de Balzac. Le père Goriot. Paris: Gallimard, 1972 (1835)

Vadertje Goriot houdt alleen maar van zijn dochters. Hij is rijk geworden door vermicelli te verkopen in de tijd van de Franse Revolutie; zo rijk dat hij zijn dochters een goede bruidschat mee kon geven, en zij dus rijk konden trouwen. Maar nu mogen zijn dochters hem van hun echtgenoten niet meer spreken, en zelf doen ze er ook niet veel pogingen meer toe. Zelfs als hij op zijn sterfbed ligt, komen ze niet meer langs. De enige die zich nog om hem bekommert, is Eugène de Rastignac, een student die bij Goriot in huis woont en de minnaar is van een van de dochters.

Tijdens het lezen vroeg ik me herhaaldelijk of waarom er geen grote opera gemaakt is van Le père Goriot. Het verhaal heeft er alle potentie voor, en vooral zijn alle personages enorm dramatische personen, die halsoverkop verliefd worden, dood neerstorten, of eensklaps volkomen in de war raken en beginnen te raaskallen. De aria's staan al in proza op papier. Zonder muziek — en misschien zonder dat je de andere delen van Balzacs romancyclus Comédie humaine kent — blijft het wat oppervlakkiger, al voelt de lezer aan het eind, bij Goriots o zo treurige begrafenis, toch ook wel een brokje in zijn keel.

Verder weet ik niet zo goed wat ik met het boek aanmoet. Balzac is minder sterk in de psychologie van individuele personages dan Stendhal, van wie ik onlangs Le Rouge et le Noir las. Balzacs kracht ligt geloof ik vooral in de ensembles; vooral de scenes waarbij relatief veel mensen bij elkaar zitten vind ik heel knap gedaan. Hij lijkt wat dat betreft dan ook een beetje op Mozart, van wie ook wordt gezegd dat de quintetten en de sextetten de hoogtepunten van zijn opera's vormen. En dat is dan misschien de reden dat Père Goriot geen opera geworden is; toen het verscheen was Mozart al veertig jaar dood.

Grappig detail (vind ik): hoe de bewoners van zo'n pension hun eigen kleine taalmodetjes bedenken. Iedereen, maar vooral de lolbroeken, voegt vanaf zeker moment aan ieder woord de uitgang -orama toe: Goriorama. Dat soort ongein bestaat dus ook al minstens tweehonderd jaar, en is waarschijnlijk eeuwig.

Jodi Picoult. The Tenth Circle. London: Hodder, 2006.

Daniel en Laura Stone hebben een vreedzaam gezin: hij is een redelijk succesvol striptekenaar, zij geeft een populair college over Dante. Samen hebben ze een lief dochtertje, dat ze Trixie hebben genoemd, naar Beatrice. Alles is pais en vree, totdat de veertienjarige Trixie huilend thuiskomt om te vertellen dat haar ex-vriendje haar verkracht heeft.

Dat zijn de ingrediënten voor het boek The Tenth Circle van Jodie Picoult, een schrijfster die ieder jaar een spannend boek schrijft naar aanleiding van een actueel thema — haar laatste gaat over een schietpartij op een middelbare school — en die daarmee een zekere populariteit heeft verworven; ook onder mensen om mij heen.

Voor mij draagt het boek te duidelijk de kentekenen van een formule om me mee te slepen: een mix van een actueel probleem (in dit geval de verwilderende zeden der Amerikaanse jeugd), diep menselijke zorgen en zaken waar je wat van kunt opsteken — je leert wat over Dante, over DNA, over het Yupik en over Alaska.

Het is wel knap gedaan, maar doordat het schrijfwerk er zo duidelijk doorheen schemert, raak ik als lezer in ieder geval niet eno rm betrokken. Heel knap worden bijvoorbeeld bepaalde motieven van Dante — wiens Divina Commedia ik toevallig momenteel ook aan het lezen ben — door het boek heen geweven: de gedachte dat de hel bestaat uit je vervulde wensen, en de gedachte dat het in het binnenste van de hel niet heel heet is, maar juist vriest, omdat je er niet meer bewegen kan, want alle beweging komt van De Onbewogen Beweger, bijvoorbeeld. Tegelijk wordt er ook nog een aardige eigen moderne draai aan gegeven: de tiende cirkel van de hel is in de eenentwintigste, zelfpsychologiserende eeuw, gereserveerd voor degene die zichzelf niet kent, die liegt tegen zichzelf.

Tegelijk heb je het idee dat Picoult helemaal niet zo geïnteresseerd is in Dante, dat ze het alleen gelezen heeft als research voor haar eigen boek. Waarom hem er bijgehaald? Alleen omdat boeken die verwijzen naar de klassieken (Da Vinci Code) populair zijn? Of waarom de hoofdstukken afgewisseld met een zogenaamd door Daniel getekend stripverhaal? Ze doet wel haar best om de lezer op allerlei manieren te onderhouden, maar wat wil Jodi Picoult nu eigenlijk zelf?

12.8.07

Robert Musil. Der Mann ohne Eigenschaften. Hamburg: Rowohlt Verlag, 1960 (1930/1933/1952).

Bijna een maand ben ik ondergedompeld geweest in één boek, het gigantische werk van Robert Musil. Ik heb de editie van 1952 gelezen — dat wil zeggen dat nog niet alle later teruggevonden fragmenten erin verwerkt waren. Toch waren het nog bijna 1600 bladzijden, die ik gelezen heb in de botanische tuin bij mijn huis en tijdens mijn vakantie in Toscane.

Een Duitse vriend van me vertelde me dat hij het boek als tiener had gelezen en er helemaal in een filosofische roes van was geraakt. Hij wilde het daarom niet meer lezen — die roes was zo beangstigend geweest. Een Nederlandse vriend had het boek recenter gelezen en was er ondersteboven van geraakt, ook in een filosofische roes. Die roes heb ik maar zelden gevoeld, maar het boek is een maand lang mijn metgezel geweest, heeft me aan het denken gezet en doen lachen.

Waarover gaat de Mann ohne Eigenschaften? Alle samenvattingen die ik ervan gelezen of gehoord heb, lijken me fout. Hier is mijn eigen poging. Ulrich is de man zonder eigenschappen. Hij is wel tot veel in staat, tot heel veel zelfs want hij is intelligent, welbespraakt, goed getraind en niet onaantrekkelijk. Maar hij weet niet wat hij wil, hij weet niet wat een goed leven is, hoe je dat moet leiden, en hij weigert zich vast te leggen.

Het boek gaat vooral over moraal, over hoe je zou moeten leven, en vooral over de onmogelijkheid om dat te weten of daar al te strenge uitspraken over te doen. Het valt uiteen in twee delen, een over de moraal in de grote buitenwereld, en een over moraal in de binnenwereld.

De beschrijving van de grote buitenwereld is voor een deel satire. Ulrichs vader vindt dat zijn zoon nu, in 1913, eindelijk maar eens iets nuttigs moet gaan doen. Hij maakt hem daarom lid van de Oostenrijkse 'Parallelactie', een comité dat de grootschalige viering van de keizer van de dubbelmonarchie in 1918 moet voorbereiden. Allerhande plannen worden door dit comité onder de loep genomen: daarin schuilt nu juist de satire. Heel grappig is bijvoorbeeld de beschrijving van een man die Ulrich ervan komt overtuigen dat Oostenrijk in het kader van die viering de wereld kan verbeteren door het te overtuigen van een beter stenografisch systeem. Als iedereen maar het beste steno gebruikt, gaat men vanzelf sneller en helderder enz. denken.

De Mann ohne Eigenschaften is daarmee een boek over een grootschalige mislukte poging om iets enorm groots te volbrengen, iets dat uiteindelijk de hele wereld, of op zijn minst de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie, op één lijn zal brengen. Daar komt nooit iets van terecht: er zijn teveel ideeën, teveel plannen, en er zijn teveel specialismen, zodat niemand elkaar nog begrijpt. Het boek is zelf ook een dergelijke mislukking geworden, het is Musil boven het hoofd gegroeid en nooit voltooid geraakt.

Die mislukking geldt iets minder de moraal van de binnenwereld. Daar gaat Ulrich een van de grootste morele experimenten ooit aan, door een incestueuze relatie te beginnen met zijn jongere zuster Agathe. Mag dat? Kan dat? Waarom niet? Over al die dingen denkt het boek na, maar een antwoord komt er niet.

Het boek is vooral een worsteling, een wanhopige poging om de redelijkheid en het verstand te verenigen met het religieuze gevoel. Musil moet ervan overtuigd zijn geweest dat alleen zo'n vereniging de ware moraal naar boven moet brengen. Hij wijst er een paar keer op dat we eigenlijk met zijn allen de moraal zouden moeten onderzoeken op ongeveer de manier waarop we wetenschap bedrijven. Maar een diep religieus gevoel moet er ook zijn. Agathe vertelt op zeker moment over haar strenge religieuze opvoeding in een nonnenklooster, waarop Ulrich uitroep:

Weisst du, was das beweist? Doch nichts anderes, als dass die Kraft zum Guten, die auf irgendeine Weise wohl in uns vorhanden ist, sogleich die Wände durchfrisst, wenn man sie in eine feste Form einschliesst, und durch das Loch sofort zum Bösen flieht! [...] Die Gefühle vertragen es nicht, angebunden zu werden, besonders aber gewisse Gefühle nicht. Ich bin überzeugt, dass eure braven Erzieherinnen selbst geglaubt haben, was sie euch predigten; aber Glaube darf nicht eine Stunde alt sein!

Af en toe was het lezen van zo'n omvangrijk boek wel een beproeving. Het waren zinnen als vooral de laatste die me er steeds weer doorheen hebben gesleept.

Wilfred Berghahn. Robert Musil in Selbstzeugnissen und Bilddokumenten. Hamburg: Rowohlt, 1972.

Dit boekje heb ik parallel gelezen aan Musils Mann ohne Eigenschaften. Het bestaat uit vakkundig aan elkaar geschreven autobiografische fragmenten en foto's. Ik heb een hele serie van dit soort boekjes, uit de erfenis van mijn grootvader, die in 1991 overleed. Mijn exemplaar van de Mann was trouwens ook van mijn grootvader. Ik weet niet zeker of hij ver gekomen is: in ieder geval heeft hij op de eerste 120 pagina's aantekeningen gemaakt, en is hij er snel daarna mee opgehouden, al zitten er op latere pagina's nog wel wat vlekjes.

Nou ja, genoeg autobiografie. Het viel me op dat al die biografische details over Musil eigenlijk weinig bijdragen aan het plezier dat ik beleefde aan de Mann — terwijl dat toch een heel persoonlijk boek is. Dat persoonlijke zit waarschijnlijk niet zo in al die wederwaardigheden van een avontuur zonder ook al te veel avonturen. Het zat in meneer Musils hoofd. Jawel.