26.3.08

Bernlef. De pianoman. Amsterdam: Querido/CPNB, 2008.

Bernlef. Pianoman Een jongeman wordt ergens in Engeland aangetroffen. Hij spreekt geen woord, maar tekent wel een piano op een stuk papier. Als men hem dan ook een piano geeft, blijkt hij er een beetje op te kunnen spelen. Dat verhaal bereikt de media, de jongen wordt 'de pianoman' genoemd, in heel Europa lijkt men hem te herkennen, maar uiteindelijk blijkt hij een boerenjongen, die weggelopen is van huis.

Tja, waren hebben we dat verhaal eerder gehoord? Oh ja, natuurlijk, op het nieuws. Een paar jaar geleden is dit allemaal echt gebeurd. Nu heeft de schrijver Bernlef er een boekenweekgeschenk van gemaakt. Naar verluid werd Bernlef vooral geïntrigeerd door het zwijgen van die jonge pianoman — hij heeft er een verhaal gemaakt dat volgens een recensie die ik ergens las 'een ode aan de taal' is.

Dat is dan wel een ode van iemand die niet echt veel verstand heeft van taal en ook niet de moeite heeft genomen zich er in te verdiepen. Ach ja, hij is schrijver, he, dan weet je waarschijnlijk alles al. Zo denkt Bernlef kennelijk dat mensen in noord-Nederland echt nooit wat zeggen — vandaar dat hij zijn boerenzoon waarschijnlijk daar geboren laat worden, in plaats van in Beieren, zoals de echte pianoman. Omdat zijn ouders nooit wat zeggen, leert de jongen pas laat en heel gebrekkig zijn moedertaal. Dat is wel een heel bizar gegeven, en volgens mij in de geschiedenis nog niet voorgekomen. Er zijn wel zogenoemde wolfskinderen zoals het meisje Genie, dat inderdaad nooit meer haar taal leerde omdat haar ouders nooit tegen haar spraken — haar vader blafte alleen af en toe, als een hond. Maar Genie was pas een jaar of twaalf toen ze vrijkwam, terwijl Bernlefs pianoman Thomas alleen een paar jaar als kleuter een beetje geïsoleerd is geweest.

Verder blijkt Thomas een beetje Engels te kennen, namelijk een paar woorden, maar die woorden weet hij dan wel kennelijk steeds feilloos uit de context te halen. Het effect dat je als heel beginnende leerder van een taal nauwelijks kunt horen waar het ene woord begint en het andere eindigt, dat deert Thomas niet.

Ach, biologen zitten altijd te zeuren als er eens een paardebloem buiten het seizoen in bloei staat, misschien moet dit taalkundige gezeur daar ook onder gerekend worden. Maar dan gaat dit boek wel helemaal over een paardebloem in december, zonder dat wordt opgemerkt hoe vreemd dat is. Ach, nou ja.

Oh ja, nog een ding: wat hebben al die schrijvers toch met die voor- en achternamen? Een tijdje geleden schreef ik alover A.F.Th. die zijn novelle Mim ineens uitgaf onder de volledige naam A.F.Th. van der Heijden. J. Bernlef heeft dan weer een paar jaar geleden besloten dat hij alleen de achternaam 'Bernlef' zou gebruiken, maar op de een of andere manier heb ik hier een gesigneerd exemplaar van De pianoman; gesigneerd door 'Henk Bernlef'. Terwijl dat Bernlef nog niet eens zijn naam uit de burgerlijke stand is. Begrijpt u het of begrijp ik het.

24.3.08

Virgina Woolf. Mrs Dalloway. London: Penguin Classics, 2000 (1925).

Virgina Woolf. Mrs Dalloway Door Mrs Dalloway te lezen, heb ik mezelf gedwongen onder ogen te zien hoeveel vooroordelen ik eigenlijk heb. Ik dacht dat alles wat Virginia Woolf geschreven had, vooral experimenteel was, dat je Mrs Dalloway zou moeten bewonderen om de knappe manier waarop er een nieuwe romankunst in wordt ontwikkeld, maar dat je er emotioneel weinig aan zou kunnen beleven. Wat heb ik me daarin vergist.

Voor alles is Mrs Dalloway een prachtig en rijk boek, vol gevoelens. Je wordt als lezer heen en weer geslingerd tussen de hoofden van allerlei mensen in het Londen van een paar jaar na de eerste wereldoorlog. En in die hoofden woelt het — alleen de alleronsympathiekste personen in het boek lijken werkelijk tevreden met zichzelf, zoals de arts Bradshaw, die zijn gevoel van eigenwaarde zelfs niet laat verpesten door de zelfmoord van een patiënt. Die Bradshaw — in zijn hoofd kijken we trouwens niet — vormt dan wel de belangrijkste verbinding tussen de twee hoofdpersonen: de vrouw van een parlementariër (mevrouw Dalloway) en een jonge ex-soldaat met een oorlogstrauma (Septimus Warren Smith). De laatste is de zelfmoordenaar, en de eerste is degene die Bradshaw diezelfde avond nog op haar feestje mag ontvangen.

Het woelt in alle hoofden, het woelt van ontevredenheid, ongeluk en onzekerheid. Er is wel geluk en er is wel liefde, maar die hebben allebei eigenlijk alleen een plaatsje in het verleden, en de meeste mensen blijken dan ook vaak aan dat verleden terug te denken.

En dan de vorm. Misschien is die experimenteel, maar hij is in ieder geval prachtig. Alles wordt van binnenuit verteld, maar daarbij spring je als lezer over van het ene hoofd naar het andere. Als twee mensen elkaar ontmoeten, moet je even opletten, want voor je het weet zit je ineens in het andere hoofd, dat je dan meeneemt als het de kamer verlaat. Zo slinger je een dag door, een dag die dit jaar overigens 85 jaar geleden is. Bovendien is de taal prachtig: sterk en precies en tegelijkertijd open en dichterlijk. 

Ik dacht eerlijk gezegd dat Mrs Dalloway een boek voor snobs was. Het blijkt een van mijn lievelingsboeken te zijn.

23.3.08

Franz Kafka. Das Schloß. Originalfassung. Frankfurt: Fischer, 2008 (1926).

Lev Tolstoj. De dood van Ivan Iljitsj Ik hoorde laatst een beschouwing van de Amerikaanse letterkundige Martin Evans over Hamlet, waarin allereerst werd opgemerkt hoeveel theorieën er over het onbegrijpelijke gedrag van de hoofdpersoon van dat stuk zijn, en vooral over de vraag waarom hij niet tot actie komt. Is hij een filosoof die nu eenmaal zijn ideeën niet in de werkelijke wereld kan implementeren? Een christen die door zijn geloof wordt tegengehouden om zijn barbaarste heidense plicht te doen? Een Freudiaanse zoon die de nieuwe vader van zijn moeder niet kan vermoorden omdat die vader gedaan heeft wat hij eigenlijk zou willen doen?

Geen enkele van die theorieën klopte helemaal, zei Evans. En dat was ook Shakespeares bedoeling: zo weerspiegelde Shakespeare het onbegrijpelijke van het menselijke gedrag. Het stuk was geschreven in een tijd dat alles op zijn kop kwam te staan door de ontdekking van Amerika, de reformatie, enz. De mens was niet langer doorzichtig, en Shakespeares stuk daarom ook niet. Hamlet begint niet voor niets met een op het oog onschuldige schène — de wisseling van de wacht — waarin al allerlei persoonsverwisselingen zitten. 'There is more between heaven and earth than are dreamt of in your philosophy.'

Hoewel Evans een en ander wel wat ver doorvoert met zijn bewijsvoering, zit er misschien wel wat in. En dat is misschien ook wel een sleutel tot Kafka's werk.

Het gedrag van hoofdpersoon K. in dit boek is ook onbegrijpelijk, niet om wat hij niet doet, zoals in Hamlet, maar vooral om wat hij wel doet. Waarom wil hij zo graag doordringen in de bureaucratische boezem van het slot? Waarom gaat hij niet weg uit dat dorp, waar hij op de eerste bladzijden immers ook maar achteloos verzeild lijkt te zijn geraakt? Waarom begint hij zo'n vreemde relatie met het meisje Frieda?

Ook over het slot zijn inmiddels al heel veel theorieën. Het werk zou gaan over de bureaucratie die het individu vermorzelt — maar dat verklaart niet waarom dat individu dat eigenlijk toestaat. Het zou gaan over de zoektocht naar God — maar dat verklaart niet waarom er zo weinig devotie is. En zo voort.

Maar misschien was dat allemaal ook wel Kafka's bedoeling, weerspiegelt hij met Het Slot ook weer een deel van de onbegrijpelijkheid van de menselijke motieven. We gaan de strijd aan met een onzinnig systeem dat groter is dan wijzelf, in plaats dat we onze schouders erover ophalen en verder gaan op ons eigen pad. Waarom?

(Eerder schreef ik hier over Amerika en Der Process van Kafka.)

6.3.08

Lev Tolstoj. De dood van Ivan Iljitsj. Amsterdam: Meulenhoff, 2007 (1886).

Lev Tolstoj. De dood van Ivan Iljitsj

Vertaling: Arthur Langeveld

Nadat je De dood van Ivan Iljitsj gelezen hebt, wil je meteen weer opnieuw beginnen met lezen. Op de laatste bladzijden is Ivan doodgegaan, en op de eerste bladzijden wordt daarop gereageerd door zijn collega's van de rechtbank op de manier waarop hijzelf een maanden eerder op een soortgelijk bericht zou hebben gereageerd. In de eerste plaats denkt iedereen aan de promotiekansen die deze dood biedt. In de tweede plaats is iedereen verheugd 'dat híj gestorven was en niet ik'.

En als je dat begin dan nog een keer gelezen hebt, wil je eigenlijk weer opnieuw beginnen, want deze novelle zit zo vol kleine observaties van het vreselijke karakter van de mens dat je er een beetje vrolijk van wordt: de vreugde die Ivan heeft van de macht die hij bezit over anderen en de hij doorvoelt, juist door geen gebruik te maken van de macht; de machteloosheid van zijn vrouw om uit haar eenmaal aangenomen houding te stappen dat Ivan toch alles wel een beetje aan zichzelf te danken heeft, als hij niet doet wat de doktoren zeggen; de onmogelijkheid van Ivan om zelfs in zijn laatste momenten oprecht te zijn en niet net te doen alsof politiek iets belangrijks is.

Ik las een interview met Philip Roth, naar aanleiding van diens Everyman, een ander boekje over een man die dood gaat. Roth zegt daarin dat hij vindt dat het einde dit boekje verpest: het einde waarin de hoofdpersoon tot het inzicht komt dat zijn hele 'goede' leven van een fatsoenlijk man en redelijk succesvol ambtenaar uiteindelijk niets voorstelt. Ik ben het niet met Roth eens. Ik snap wel dat het jammer is dat zo'n inzicht expliciet wordt gemaakt; maar juist dat Iljitsj dat allemaal ook nog eens bedenken moet maakt het extra treurig. Voor mij is dat in ieder geval altijd een schrikbeeld geweest: er aan het eind van je leven achterkomen dat het allemaal niets voor heeft gesteld.

5.3.08

Sofokles. Oidipous. Antigone. Amsterdam: Athenæum-Polak & Van Gennep, 2008.

Sofokles. Oidipous. Antigone

Vertaling: Gerard Koolschijn

Zou Antigone niet eigenlijk Kreon moeten heten? Het is misschien een beetje laat om Sofokles te vragen zijn titel alsnog te veranderen, maar volgens mij gaat dit stuk meer over de manier waarop Kreon zich door zijn onbuigzaamheid — wet is wet, en de door mij uitgevaardigde wet is al helemaal heilig — uiteindelijk te gronde richt. Dat Antigone die wet uit zusterliefde overtreden heeft, dat ze voelde dat het niet anders kon, dat raakt hem allemaal niet. Zijn zoon waarschuwt hem zelfs nog tegen die onbuigzaamheid:

U ziet langs winterstromen in de bergen hoe
een boom die meegeeft al zijn takken gaaf bewaart,
maar een die zich verzet, ontworteld, wordt vernield.
Zo vaart de schipper die zijn schoot te krachtig spant
en weigert hem te vieren omgeslagen voort
met roeibanken ondersteboven in de zee.

Die vertaling is prachtig, met al die precies gekozen woorden, fijne klankeffecten en mooie zinsbouw (het enige wat jammer is, is de verdubbeling van 'omgeslagen' en 'ondersteboven'). De hele vertaling van Antigone is trouwens schitterend, een heel mooi Nederlands gedicht over hoeveel kwaad het de bestuurder doet om alleen maar aan principes vast te houden.

Ik vond Antigone ook mooier dan Oidipous geloof ik. Misschien ligt dat aan de vertaling - Antigone heeft lange regels met zes versvoeten, Oidpous heeft regels met vijf versvoeten, wat de tekst vloeiender maakt, maar ook wat gewoner:

In godsnaam, berg mij ergens buiten op,
zo gauw u kunt, of dood mij, werp mij weg
in zee, waar niemand mij ooit meer zal zien.
Kom, laat een ongelukkig man niet staan.

Maar misschien was Sofokles in Antigone ook exht poëtischer. En heel waarschijnlijk spreekt een verhaal over de worsteling van het recht met het goede me meer aan dan een stuk over de onontkoombaarheid van het lot. Dat laatste is toch vooral een soort theoretische kwestie, en het is niet voor niets dat de kijk op Oidipous van de moderne Nederlandse lezer, of in ieder geval van mij, gekleurd wordt door Harry Mulisch, die in zijn Ontdekking van de hemel vertelt dat dit de eerste detective was, en meteen de beste: de detective heeft het immers uiteindelijk zelf gedaan.

2.3.08

André Gide. L'immoraliste. Paris: Folio, 2001 (1903).

Andre Gide. L'immoraliste Voordat het verhaal van L'immoraliste wordt voorafgegaan door maar liefst twee verschillende distantiëringen. Eerst maakt de schrijver duidelijk dat hij helemaal niet noodzakelijkerwijs instemt met het gedrag van Michel, en dan doet de verteller, een vriend van Michel hetzelfde. Zelfs de titel is al een manier om afstand te nemen.

Wat doet Michel dan voor ergs? Hij leeft erop los. Hij is geïnteresseerd in jongens, zonder dat hij veel met die jongens doet of lijkt te willen doen. Hij houdt er een eigen levensfilosofie op na, die erop neerkomt dat je het genot moet nastreven. Is dat nu zo'n schande? Zou je daar nu zoveel omtrekkende bewegingen om moeten maken? Zelfs in de tijd van Gide?

Nee, waarschijnlijk niet, maar met dit alles doet Michel nog iets. Hij verwaarloost zijn vrouw, en hij haat haar misschien zelfs in stilte, terwijl zij eigenlijk altijd goed voor hem geweest is, hem verzorgd heeft toen hij ziek was, en zo nodig af en toe een oogje heeft toegeknepen. Aan het eind van haar leven, als zij ziek is, laat Michel haar psychologisch in de steek, en als ze sterft voelt hij zich merkbaar bevrijd van deze last. Dat is eigenlijk nog steeds een schande.

En het is een werkelijk dilemma, ook nu nog. Als het waar is, dat het de bedoeling is van het leven dat je leeft, dat je werkelijk leeft, dan kun je dat misschien alleen doen door je immoreel op te stellen, en dan kan het misschien alleen ten koste gaan van anderen. Een sleutelscène is die waarin Michel ziet dat een knap Arabisch jongetje, Moktir, een schaar steelt, maar daar niets over zegt. Later blijkt dat Moktir zag dat hij werd gezien, maar daar ook niets over heeft gezegd. Dat stiekeme, daarin zit voor Michel het genot; en bovendien blijkt dat de schaar van Michels vrouw was, en dat Moktir hem mogelijk kapot heeft willen maken. Wat is het toch moeilijk om gelukkig te zijn.

Remco Campert. Nieuwe herinneringen. Amsterdam: De Bezige Bij, 2007..

Remco Campert. Nieuwe herinneringen 'Het dooit op de Overtoom' - dat is volgens Kees Fens een van de mooiste regels die hij kent, en zou hij in ieder handboek over poëzie moeten worden aangehaald. Zoveel spektakel had ik er zelf niet om gemaakt, maar deze eerste regel van het eerste gedicht van Camperts recentste bundel is inderdaad mooi. Zoals de hele bundel druipt van een heel mooi geformuleerde droevige melancholie. Waar zit hem dat toch in?

Gisteren had ik het met iemand over eten: dat je met de prachtigste sauzen de mooiste effecten kunt bereiken, maar dat je ook de voorkeur kunt geven aan pure smaken, aan een caprese van tomaat, mozzarella en basilicum. De gedichten van Campert zijn dat soort capresen. Hier is een strofe uit het gedicht 'op mijn 72ste':

het doodsbericht van onbekenden
hooguit een keer in de verte gezien
of over gelezen in de krant
kan me al ontroeren nu ik
voor mijn doen natuurlijk!
oud ben en besef
hoe dun het koord was
waarop ik feestelijke salto's maakte

De assonantie van o's en e's in de eerste regels, die overlopen naar de a's aan het einde, het subtiele maar grappige grapje met het uitroepteken, het dunne koord (dat in de volgende regels terugkomt: 'nog loop ik met tragere benen/over de blakerende landweg'). Hier is een meester aan het woord, een oude meester.