27.2.09

José Saramago. De stad der blinden. Amsterdam: Meulenhoff, 2001 (1995).

Jose Saramago. De stad der blinden vertaling: Harrie Lemmens.

Iets meer dan anderhalf jaar geleden heb ik mezelf de opdracht gegeven om 'de honderd belangrijkste boeken' van de wereldliteratuur te lezen, volgens een lijst van de Noorse boekenclub. Als een soort bezwering van het gevoel dat ik in het midden van het leven ben aanbeland, wilde ik al die hoogtepunten lezen. Ook de boeken die ik eerder al eens gelezen had, zoals dit boek, dat helemaal niet zo heel lang geleden gelezen heb.

En ondanks die paar jaar had zich toch een heel ander beeld van dit boek gevormd. Het verhaal dat ik me herinnerde had een heel andere nadruk dan het verhaal dat ik nu las.

In een nameloze stad wordt iedereen blind. We volgen een groepje nameloze mensen die bij wijze van quarantaine worden opgesloten en aan hun lot worden overgelaten, totdat uiteindelijk ook de soldaten die hen bewaken blind zijn geworden en ze door de stad zwerven, geleid door de enige vrouw in de hele stad die niet blind geworden is. Ze komen uiteindelijk in haar huis terecht, waar ze zich in ieder geval een beetje schoon kunnen maken, en uiteindelijk krijgt iedereen het zicht weer terug.

Dat is het staketsel, en dat herinnerde ik me ook nog wel. Maar wat ik me dan van de vorige keer vooral herinnerde was het trage van het leven van die blinden, het eindeloze wachten in de quarantaine, het geschuifel over straat als ze vrijgelaten zijn. Nu maakte juist de dramatische momenten veel meer indruk: de verkrachtingen die een groepje blinden die in de quarantaine de macht over het voedsel verworven hebben plegen, de moord op een van hen door de ziende vrouw, de honden die op straat het lijk van een dode man uiteenscheuren. Niets daarvan kon ik me nog herinneren, niets.

De stad der blinden is natuurlijk een boek over het belang van het zien, het wonder van het zien, de menselijkheid die we ontlenen aan het feit dat we gezien worden. Maar hoe zit het dan toch met de herinnering?

Eerder schreef ik hier over Saramago's vervolg op dit boek, Stad der zienden.

17.2.09

Italo Svevo. Zeno's Conscience. London: Penguin, 2001 (La coscienza di Zeno,1923).

Italo Svevo. Zeno's Conscience vertaling: William Weaver.

Jezelf begrijpen, hoe doe je dat? Een manier is: door van alles over jezelf op te schrijven, hoe weinig vleiend dat ook is. Dat is de methode die Zeno Cosini kiest in dit boek, daartoe aangespoord door zijn psychoanalyticus. Een andere manier is: door romans te lezen en te zien in hoeverre het spiegels zijn.

La coscienza di Zeno is, zoals ik het lees, in de eerste plaats een roman over zelfbedrog. Zeno is daar op een bepaalde manier een meester in. Van vrijwel iedere sigaret die hij opsteekt maakt hij zichzelf wijs dat het zijn laatste is. Als hij een minnares neemt, maakt hij zichzelf wijs dat zij degene zou moeten zijn geweest die hem van zijn ontrouw had afgehouden. Als hij de begrafenis van zijn goede vriend en zwager vergeet, maakt hij iedereen en zichzelf wijs dat hij het geld moest terugverdienen dat die vriend vlak voor zijn zelfmoord op de beurs verloren had.

Tegelijkertijd maakt Zeno zichzelf weinig wijs: anders zou hij zijn zelfbedrog niet zo scherp kunnen laten zien. Zijn 'bekentenissen' laten zien hoe ingewikkeld zelfbegrip en zelfbedrog in elkaar zitten. Het boek is een duizelingwekkend verhaal van het tamelijk gewone leven van een tamelijk gewoon man; een man die zich als hij redelijk oud is ervan laat overtuigen om in analyse te gaan, maar die er gaandeweg achterkomt dat die analyse onzin is. De analyticus laat zich om de tuin leiden met verzonnen herinneringen. Maar laat die analyticus zich eigenlijk wel om de tuin leiden? En waarom eindigt het boek met zo'n treurigstemmend, apocalyptisch doemscenario?

8.2.09

Günther Grass. Die Blechtrommel. München: Deutscher Taschenbuchverlag, 2007 (1959).

Guenther Grass. Die Blechtrommel Door sommige meeslepende boeken wordt je niet meegesleept. Voor mij is Die Blechtrommel zo'n boek. Het bevat prachtige, meeslepende beelden, die ik waarschijnlijk nooit zal vergeten: de moeder die alles uitkotst als ze ziet hoe palingen uit een uit het water gevist paardenhoofd komen; de talloze littekens op de rug van de vriend die zich vergrijpt aan een beeld van Niobe; de verpleegster die denkt dat ze door de duivel wordt verkracht; de uienkelder waar de mensen alleen een ui krijgen om het open te snijden om eindelijk eens te kunnen huilen.

Dat is allemaal prachtig, dat is allemaal verontrustend, dat drukt allemaal een waarheid uit. Het is allemaal verteld in een prachtig Duits, een Duits dat zijn rechten weerneemt van prachtig te zijn, tegen de achtergrond van allerlei verschrikkingen, verontrustend te zijn en de Biedermeier van de naoorlogse tijd te verstoren door harde waarheden te krijsen.

Heel veel ervan zal me bijblijven. De demon die Oskar Matzerath was zal alle zelfgenoegzaamheid vijftig jaar geleden volkomen terecht uit de Duitse herinnering hebben getrommeld — het lijkt me op een bepaalde manier meer een onmiddellijk protest tegen die gezapigheid dan tegen de oorlog zelf. Ik zie dat het een meesterwerk is van de wereldliteratuur. Maar tegelijkertijd moet ik bekennen dat het boek me niet meesleepte, dat ik mezelf erdoorheen moest slepen, dat ik me er soms toe moest zetten om het ter hand te nemen om verder te lezen. Er is misschien te weinig voortstuwende kracht, er gebeurt voortdurend van alles in, maar er is te weinig lijn om een grote spanningsboog op te leveren. Die Blechtrommel is zoals ik het lees eerder een verzameling vignetten dan een roman.

Marcel Cobussen. Tresholds. Rethinking Spirituality Through Music. Alderhot: Ashgate, 2008.

Marcel Cobussen. Tresholds“You are on a threshold” luidt de eerste zin van het boek Tresholds van Marcel Cobussen, UD muziekfilosofie aan de Leidse Faculteit der Geesteswetenschappen. “The threshold of entering a book” is de tweede. Is dit een wetenschappelijke studie of een experimentele roman? “And you have already crossed many before you arrived here; you have already dealt with many obstacles.” De ondertitel van het boek luidt Rethinking spirituality through music. Wordt in Leiden een New Age aangekondigd?

Het kost voor de onbevangen lezer wat tijd voor hij begrijpt wat voor boek hij in handen heeft, wat Cobussen wil. Oorspronkelijk had ik Tresholds tot onderwerp willen maken van deze rubriek in december vorig jaar. Ik vond de eerste drempels toen te hoog en koos voor de Kamasoetra. Nu is het me wel gelukt: ik heb het hele boek gelezen en ik vond het prachtig.

De vorm van het boek is ongebruikelijk. Het bestaat uit 13 hoofdstukken die de auteur ‘drempels’ noemt en die overpeinzingen zijn over de raakvlakken tussen spiritualiteit en muziek. De auteur haalt er een groot aantal denkers bij – van Adorno via Barthes tot en met Wittgenstein – en hij analyseert allerlei soorten muziek – het soort tonale, langzame, harmonieuze muziek van Pärt die tot de Nieuwe Spirituelen gerekend wordt, maar ook van muziek die je op het eerste gehoor helemaal niet spiritueel zou noemen, zoals de volkomen vrije jazzimprovisaties van de late John Coltrane.

Cobussen heeft een prettig nuchtere manier van schrijven over het onzegbare. Spiritualiteit is voor hem niet per se gekoppeld aan goddelijke zaken. De verstandelijke vermogens van de mens zijn – net als die van pakweg de spitsmuis en het kanarievogeltje – waarschijnlijk te gering om de wereld echt te begrijpen of in woorden te vatten. Maar af en toe kun je een ervaring krijgen van aspecten van de werkelijkheid die nét buiten dat kader vallen. Dat is dan een spirituele ervaring, een aanraking van het grensgebied dat we net niet meer begrijpen. (Er zijn waarschijnlijk ook dingen die er ver buiten vallen, maar daar hebben we per definitie geen idee van).

Dat grensgebied bevat volgens Cobussen niet noodzakelijkerwijs uitsluitend prettige warme gevoelens die veroorzaakt worden door de Eenheid van het Al. Het kan net zo goed gaan over chaos en onrust. Het is onzinnig om het buitengewone te willen afbakenen. Vandaar dat hij zich ongemakkelijk voelt bij de term ‘Nieuwe Spiritualiteit’ omdat die impliceert dat andere muziekstijlen geen spirituele ervaringen kunnen oproepen. Naar zijn idee perkt dat het onzegbare te veel in. Iedere muziekvorm kan in ieder geval in principe die combinatie van gevoelens van orde en onbegrijpelijkheid oproepen.

Om iets te begrijpen heeft het menselijk brein kaders nodig – maar de werkelijkheid treedt noodzakelijkerwijs af en toe buiten die kaders. In Thresholds breekt de auteur allerlei kaders open, niet alleen die van de wetenschap naar het spirituele – maar ook dat van wat wel of niet spiritueel genoemd kan worden, wat precies spirituele muziek is, of hoe een wetenschappelijke studie eruit mag zien. Dat is even wennen, de auteur is nadrukkelijk de hele tijd aan het bewegen en nauwelijks te vatten en al helemaal niet samen te vatten in een rubriek als deze.

Ook de vreemde vorm hoort er dus bij. Ik neem aan dat het een zekere moed vereist om een boek als dit te schrijven in een tijd waarin hoe langer hoe meer het artikel in het peer-reviewed tijdschrift als het enige acceptabele publicatiemedium voor de onderzoeker wordt beschouwd, met een inleiding, een beschrijving van een experiment, een ‘discussion’ en een ‘conclusie’.

Een van de mooiste drempels vind ik uiteindelijk die waarin de muziek van (toch weer) Pärt wordt geanalyseerd, met name een stuk dat ‘Sarah Was 90 Years Old’ heet. Cobussen laat in een minutieuze analyse van dat stuk zien dat het Pärt uiteindelijk veel minder te doen is om het creëren van mooie melodieën waarin je kunt mijmeren; dat zijn muziek cirkelt om hetgeen waar het hem eigenlijk om te doen is, de stilte. Temidden van al die geordende muziek is de stilte de onrust. Luisteren is volgens Cobussen de sleutel tot het verband tussen spiritualiteit en muziek: om een aantal redenen is het minder analyserend dan kijken (je kunt je ogen bewegen over een oppervlakte, je kunt ze focussen op details, maar het oor is passiever en vangt op wat er toevallig inkomt; klanken kun je analyseren maar ook ondergaan).

Zoals ook de schrijver van deze wonderlijke studie uiteindelijk het woord teruggeeft aan het onzegbare: “A work which has as its purpose to rethink spirituality through music cannot be a conclusive product consisting of finished, resolved, encompassed thinking; it sets up a way of thinking itself. Therefore, this writing remains unfinished, lingering in the transitory passage between origin and conclusion, vibrating between coming and going, at the articulation between what absents itself and what presents itself, so as to remain underway.”