31.3.09

Robert Vuijsje. Alleen maar nette mensen. Amsterdam: Nijgh en Van Ditmar, 2009 (2008)

Robert Vuijsje. Alleen maar nette mensen Wat zijn er toch veel problemen op de wereld. Neem nu de mensen die in Oud Zuid wonen, of om preciezer te zijn, de mensen die in die wijk zijn opgegroeid. Die mensen willen misschien helemaal niet zo'n keurig aangeharkt leventje als van ze verwacht wordt; ze willen een dikke, ongecompliceerde negerin. Maar dan wel een die boeken leest. Of anders misschien toch maar hun vriendinnetje uit hetzelfde milieu.

Alleen maar nette mensen gaat over zo iemand, een zekere David, die joods is, maar er zo donker uitziet dat hij vaak voor een Marokkaan wordt aangezien, en die in het algemeen voelt dat hij nergens bijhoort en nergens goed voor is.

Ik heb toen het boek vorig jaar uitkwam een sympathiek interview met de schrijver gehoord, maar het is er toen niet van gekomen om het te kopen en te lezen. Omdat het nu genomineerd is voor de Gouden Uil, lag het weer in de winkel. Ik kocht het, op zoek naar een licht en vermakelijk boek, en dat is precies wat ik vond.

Alleen maar nette mensen lijkt me te behoren tot het nieuw ontdekte genre van de sociologische roman. Het best is het als een journalistiek verslag van twee bepaalde milieus in Amsterdam — dat van de Bijlmer en dat van Oud Zuid. Het laat zien hoe groot de sociale afstand tussen die twee plaatsen is die maar op een steenworp afstand liggen van elkaar. Het manco ervan is misschien dat het wel erg vanuit Oud Zuid geschreven is; de schrijver doet weinig moeite om uit te leggen waarom het zo moeilijk is voor die David om weg te komen uit dat milieu.

De frase 'Alleen maar nette mensen' wordt verondersteld om onderdeel te zijn van de satire. Het is hoe buurtbewoners de samenstelling van Oud Zuid beschrijven, en daarmee bedoelen ze eigenlijk: geen buitenlanders, en vooral geen Marokkanen. Dat maakt de schrijver een beetje belachelijk. Tegelijkertijd behoren de enige echte mensen, de minst karikaturale in dit boek uiteindelijk toch allemaal tot de 'alleen maar nette mensen'. De zwarte vrouwen worden wel begeerd, maar gedragen zich allemaal vooral heel heftig, niet erg inleefbaar menselijk.

29.3.09

Allan Bennett. The Uncommon Reader. London: Faber and Faber, 2007.

Allan Bennett. The Uncommon Reader De koningin van Engeland gaat ineens lezen. Bij toeval stapt ze de bus van de openbare bibliotheek binnen en zo ontdekt ze razendsnel de genoegens van het lezen. Ze begint er haar sociale verplichtingen voor te verwaarlozen, en vooral valt ze al haar talloze gesprekspartners lastig met vragen over boeken en schrijvers. Tot ze ontdekt wat er nog mooier is dan lezen: schrijven.

The Uncommon Reader is een charmant boekje, en meer ook eigenlijk niet. In recensies op het internet lees ik dat het een satire is, en ik kan dat ook wel zien; en dat het een ode aan het lezen is, en dat ligt er dik bovenop; maar ik vond het vooral een vermakelijk boekje, dat ik vast weer vergeet.

14.3.09

Arnon Grunberg. Kamermeisjes & soldaten. Arnon Grunberg onder de mensen. Amsterdam: Nijgh en Van Ditmar, 2009.

Arnon Grunberg. Kamermeisjes en soldaten. Arnon Grunberg onder de mensen Dit is het leven van Arnon Grunberg: 'Mochten er mensen zijn die zich door mij verwaarloosd voelen, staat het hun vrij op zoek te gaan naar mensen die minder aan verwaarlozing doen dan ik.' Dat schrijft hij in de inleiding van zijn nieuwe boek Kamermeisjes en soldaten, waarin hij reportages verzamelde over onder andere zijn reizen met Nederlandse soldaten in Afghanistan, zijn bezoek aan een Amerikaanse in een Peruaanse gevangenis, en zijn werk als kamermeisje in Oostenrijk en treinbediende in Zwitserland.

Schrijvers moeten af en toe onder de mensen komen. Ik ben ervan overtuigd dat de Nederlandse literatuur beter af zou zijn als veel Nederlandse schrijvers niet de hele tijd allemaal romans zouden schrijven, maar in plaats daarvan genres die hun beter zouden liggen, zoals de reportage of het interview.

Maar dat geldt dan weer niet voor Arnon Grunberg, blijkens dit boek. De schrijver loopt een beetje verloren rond in de meeste van deze reportages. Bovendien is de stijl niet altijd zo zorgvuldig als in de romans:

Kapitein Cynthia, voorlichter bij Defensie, begroette mij in de vertrekhal van de luchtmachtbasis. Zij zou met me meereizen, tot het einde, naar Afghanistan en weer terug. Er waren minder familieleden van militairen dan ik had gehoopt. Dramatische afscheidstaferelen bleven me bespaard.

Het verband tussen de laatste twee zinnen lijkt uitbreidend: de taferelen bleven uit vanwege het feit dat er minder familieleden waren. Maar in dat geval conflicteren 'minder dan ik had gehoopt' (dat de situatie als beneden verwachting evaluaeert) met 'bleven me bespaard' (dat juist een positieve evaluatie impliceert). Misschien is er een andere relatie bedoeld — een van tegenstelling — maar die zie ik dan niet.

Misschien is dit een beetje gezeur, maar Grunberg moet het vaak hebben van zijn stijl, en in dit boek al helemaal. Hoewel hij spectaculaire dingen doet, vind ik niet dat de schrijver erg diep graaft. De kamermeisjes en soldaten blijven toch vooral een beeje curieuze types die rare dingen doen, eigenlijk meer het soort personages uit de vroege romans van Grunberg dan uit de latere. Ik heb het boek wel met veel plezier gelezen; maar ik zal het niet snel nog een keer naslaan, ben ik bang.

5.3.09

Edward O. Wilson. On human nature. Cambridge, Mass: Harvard, 2004 (1978).

Edward O. Wilson. On human nature De mens is een aap. Jaja. En het gedrag van de mens kan en moet daarom in de eerste plaats begrepen worden als het gedrag van apen, dus uit een biologisch oogpunt. Dat was dertig jaar geleden de stelling van Edward Wilson en kennelijk was dat controversieel. In een voorwoord dat Wilson in 2004 schreef voor een nieuwe druk, legt hij uit hoe dat volgens hem komt: in de jaren zeventig waren alle academici halve marxisten die werkten met een model van de menselijke geest als een blanco blad, die niets moesten hebben van biologische gepredisponeerdheid. En die geesteswetenschappers begrijpen niets van de echte, de harde wetenschap, dat vond hij eigenlijk in 1978 ook al.

Ik geloof niet dat ik een marxist ben en ik vind het heel aannemelijk dat je menselijk gedrag in biologische termen kunt begrijpen. Maar ik vind niet dat Wilson erg overtuigend is. Hij geeft niet echt veel concrete voorbeelden van fenomenen die je beter uit een biologisch oogpunt kunt begrijpen dan uit een cultuurwetenschappelijk oogpunt. Misschien is dat wel eerder de reden dat zijn sociobiologie indertijd niet zo succesvol was, dan dat iedereen maar vol vooroordelen zit.

Neem de oorlogsvoering van de Mundurucú. Wilson legt omstandig uit dat er allerlei 'biologische' (dat wil zeggen externe) omstandigheden zijn die het bijna noodzakelijk maken dat Mundurucú veel oorlog voeren. Zelf hebben ze wel allerlei mythologische verhalen over waarom zij zo'n fantastisch volk zijn, maar die verhalen zijn minder plausibel dan het biologische.

Maar dat is het punt helemaal niet. Je zou willen weten waarom die verhalen dan toch verteld worden — en daar dan een biologische verklaring voor willen geven, want dat is het feitelijke culturele verschijnsel. Eigenlijk bespreekt Wilson alleen maar heel algemene eigenschappen van de menselijke cultuur. Hij legt het verband niet met de ingewikkelder, de 'hogereorde' verschijnselen. Dat is waarschijnlijk ook heel moeilijk om te doen, en daar wringt het hem nu net. Uiteindelijk moet waarschijnlijk alle menselijke gedrag inderdaad in biologische, in natuurwetenschappelijke zin verklaard worden. Maar de menselijke cultuur is vooralsnog zo complex, dat we aan een zinnige reductie nog lang niet toe zijn.

2.3.09

Tayeb Salih. Season of Migration to the North. London: Penguin, 2003 (1966).

Tayeb Salih. Season of Migration to the North Vertaling: Denys Johnson-Davies.

Ik weet niet of er al veel literatuur over de overeenkomsten is, maar ik moest bij het lezen van Season of Migration to the North onweerstaanbaar denken aan L' Étranger. Er hangt eenzelfde broeierige sfeer van wantrouwen, de hoofdpersoon (Mustafa Sa'eed) van Salih is net zo gevoelloos als Meursault bij Camus, de taal is net zo zeer een combinatie van soberheid en spanning.

Sa'eed is in zijn jonge jaren omdat hij zo talentvol was vanuit zijn geboorteland Soedan via Cairo naar Londen gestuurd. Hij heeft er een opleiding gevolgd tot econoom, kreeg in linkse kring een zekere aanhang hoewel je de indruk krijgt dat de kwaliteit van zijn werk eigenlijk te wensen overliet, maar werd vooral bijna letterlijk een vrouwenverslinder. Twee jonge Britse vrouwen pleegden zelfmoord om hem, met een derde trouwde hij om haar uiteindelijk in een Othello-achtige scene — er wordt herhaaldelijk naar Shakespeare verwezen — dood te steken.

Oost ontmoet West, en uiteindelijk zullen de twee elkaar nooit begrijpen. Of zijn het eigenlijk alleen de individuele mensen die onder de invloed van elkaars aanwezigheid tot de onbegrijpelijkste daden in staat zijn? Uiteindelijk vind ik Migration sterker dan L' Étranger: de psychologie is complexer, er schurkt nog veel meer smerigheid en verdriet en woede onder de oppervlakte.

1.3.09

Etgar Keret. Pizzeria Kamikaze. Amsterdam: Podium, 2001 (1998).

Etgar Keret. Pizzeria Kamikaze vertaling: Ruben Verhasselt.

Wat zijn de jaren negentig toch alweer lang geleden. Dat is zo'n beetje het enige echte gevoel dat ik heb overgehouden aan dit boekje met verhalen dat ik een tijdje geleden kocht op een station omdat ik moest wachten. Het boekje ziet er grappig uit, het bevat enkele korte verhalen en een novelle en volgens de flaptekst is het werk van Keret 'tot tranen toe grappig en tot lachen toe droevig'. Maar ik hoefte niet te huilen en ik hoefde niet te glimlachen. Het raakte me allemaal niet, de enigszins hysterische stijl, de manier waarop de personages de hele tijd extravert zijn op een vreemde manier of vreemd op een extraverte manier.

De novelle gaat over een paar jongens die zelfmoord hebben gepleegd en erachter komen dat het leven na de dood precies hetzelfde is, in een soort Israël met alleen maar andere zelfmoordenaars (inclusief natuurlijk de incidentele terrorist die moet toegeven dat er van die zeventig maagden nog niet veel terecht is gekomen).

Het klinkt allemaal naar tien jaar geleden, het experiment met het stripverhaalachtige, het luidkeels absurde. De schrijver, Etgar Keret, is een generatiegenoot van mij, en hij klinkt zoals wij klonken toen we dertig waren en nog geen plaats hadden op de wereld omdat de babyboomers nog alomtegenwoordig waren, en we dachten dat we heel excentriek moesten doen om een 'eigen plek' te verwerven, dat je je wanhoop vorm moest geven door hem demonstratief te overschreeuwen. Hoe zou het nu met Keret gaan?