16.9.10

George Eliot. Middlemarch. A Study of Provincial Life. ManyBooks, 2010 (1871).

George Eliot. Middlemarch Hoe voelt het om erachter te komen dat de man met wie je trouwde omdat hij zulk indrukwekkend intellectueel werk deed, eigenlijk niets tot stand brengt? Hoe voelt het om die man te zijn? Hoe is het om een toespraak te houden tegen een aantal boeren die zich aan het begin van de negentiende eeuw verzetten tegen de komst van de trein? Hoe voelt het om zo'n boer te zijn? Hoe voelt het om je jarenlang moreel superieur te hebben voorgedaan en dan ineens en plein public overvallen te worden door gokwoede? Hoe voelt het om te zien hoe dat je zwager overkomt?

De triomf van de negentiende-eeuwse roman is dat de lezer een situatie vanuit allerlei gezichtspunten ziet. Iedereen heeft op zijn manier gelijk; dat vormt de tragedie. Zo bezien is het niet zo vreemd dat grote schrijvers en lezers als Virginia Woolf en Martin Amis hebben verklaard dat Middlemarch de belangrijkste Engelse negentiende-eeuwse roman is. Het is een verbijsterend boek omdat het je mogelijk wordt gemaakt om in iedereen in te leven - het verwende wicht, de man die het liefst ongestoord wil werken maar er niet van houdt zichzelf te verkopen, de zwager die eigenlijk met de zus van zijn vrouw getrouwd had willen zijn, de veel te goedmoedige dominee, de provinciaalse ijdeltuit - je begrijpt ze allemaal, maar elkaar begrijpen ze niet.

Wat een boek is dit. 700 pagina's lang, ik heb er weken over gedaan, maar geen moment tegenzin gehad. Romans, vooral negentiende-eeuwse romans zijn vaak zo: de eerste twintig of dertig pagina's moet je wennen aan het verhaal, ben je bezig om alle personages uit elkaar te houden of je door uitgebreide natuurbeschrijvingen een weg banen. En de laatste dertig of twintig pagina's is het boek klaar en slaat de lezer het alleen maar niet dicht uit beleefdheid jegens de auteur.

Zo is het allemaal niet met Middlemarch. Vanaf het begin wordt je meegetrokken in het verhaal van het complexe netwerk van menselijke verhoudingen in een Engels stadje. Het boek begint en eindigt daarbij met de relatie tussen twee zusters, Dorothea (die een van de hoofdpersonen van het boek is) en haar jongere zus Celia. Die verhouding wordt zo genunanceerd beschreven doordat je hem van beide kanten ziet en hem dan ook nog door de tijd ziet ontwikkelen - Dorothea beschouwt Celia als een onnozel kind dat geen interesse heeft in het hoge en het goede, Celia beschouwt Dorothea als een onnozel kind dat geen weet heeft van de werkelijke wereld - dat hij een mooie spiegeling is voor alle andere verhoudingen. En zo zijn er zoveel scenes in dit boek die je nooit meer vergeet - als alle schrijvers zo waren als George Eliot zou ik echt nooit meer mijn bed uitkomen en alleen nog maar lezen.

Geen opmerkingen: