30.6.10

Philip Pullman. The good man Jesus and the scoundrel Christ. Edinburgh: Canongate Books, 2010.

Philip Pullman. The good man Jesus and the scoundrel Christ "And here I am," begint de man die volgens dit verhaal aan de basis van de evangelieën heeft gestaan, "wet with tears, longing to begin telling the story of Jesus, and not just for the sake of making a record of what happened: I want to play with it; I want to give it a better shape; I want to knot the details together neatly to make patterns and show correspondences, and if they were not there in life." Dat is het thema van dit boek: hoe maken we verhalen.
De Britse schrijver Philip Pullman heeft daarvoor een van de krachtigste verhalen ooit genomen — het verhaal van Jezus. Hij laat zien hoe krachtig dat verhaal was, juist door te proberen het 'echte' verhaal te vertellen dat daaronder moet hebben gelegen, het verhaal van de Jezus die wel min of meer die parabels vertelde, maar dat niet altijd even perfect deed; die weliswaar onmiddellijk na zijn geboorte aanbeden werd door wijze mannen, maar voor wie er later hoognodig ook nog een ster moest worden verzonnen.
Het verhaal van Jezus is inderdaad waarschijnlijk een van de aantrekkelijkste die er zijn. In de afgelopen drie jaar las ik Paul Verhoevens Jezus van Nazaret, Die Kinder unseres Viertels van Nachib Machfusz, Nikos Kazantzakis' The Last Temptation en L'Évangele de Jimmy van Didier van Cauwelaert: vier heel verschillende verbeeldingen van het leven van Jezus. En nog heb je geen idee wat er eigenlijk gebeurd is, en nog heb ik er geen genoeg van.
In sommige opzichten blijft Pullman misschien wel het dichtst bij de bijbel. Stilistisch bijvoorbeeld: de vertelvorm ligt heel dicht bij die van de evangelieën, zo dicht dat je je als lezer makkelijk in slaap laat sussen en de indruk krijgt dat het verhaal uit de bijbel nog eens wordt naverteld, voor je door krijgt dat er een vreemde draai aan gegeven wordt.
De opvallendste draai is natuurlijk dat Jezus en Christus twee verschillende personen zijn: tweelingbroers, waarvan de ene min of meer beleeft wat we van Jezus kennen, terwijl de tweede alles optekent en verfraait - hij is de hierboven beschreven evangelische bron - en aan het eind ook nog even optreedt als de uit het graf opgestane Heiland.
Pullmans boek heeft voorspelbaar allerlei boze reacties opgeroepen, en dat komt onder andere door de tamelijk onbegrijpelijke titel (zo'n schurk is die Christus helemaal niet). Toch ademt het vooral een aanstekelijk enthousiasme voor Jezus van Nazareth: juist door die niet helemaal perfecte versies wordt duidelijk wat een bijzondere man daar waarschijnlijk heeft rondgelopen. Het boek is vooral een aanklacht tegen de kerk. In Gethsemane denkt Jezus aan de toekomst, en hij besluit dat er geen kerk moet komen, en áls hij er onverhoopt toch komt, dat de kerk arm moet zijn, en iedereen troost moet bieden en niemand mag verstoten. Als zo'n gedachte niet aanstootgevend is, lees je in The good man Jesus weer een versie van een eeuwig verhaal.

29.6.10

Niccolò Machiavelli, Toneel en verhalend proza. Mandragola, Clizia, Belfagor. Leiden: Primavera Pers, 2010

Niccolò Machiavelli, Toneel en verhalend proza

Vertaling: Paul van Heck

Het werk van Niccolò Machiavelli is de afgelopen jaren tot een specialiteit geworden van Paul van Heck, UHD Italiaanse Letterkunde in Leiden. Hij vertaalde eerst het omvangrijke Discorsi. Gedachten over staat en politiek en Il Principe, en maakte dit onlangs compleet met Toneel en verhalend proza. Mandragola, Clizia, Belfagor. Net als het boek van Van der Sman verscheen Van Hecks vertaling bij Primavera Pers in Leiden, een kleine uitgeverij met een mooi fonds met literaire vertalingen, boeken over geschiedenis en kunstgeschiedenis, en boeken over Leiden.

In Toneel en verhalend proza leren we Machiavelli nu eens niet kennen als een al dan niet serieuze politieke denker, maar vooral als een man van zijn tijd. Een schrijver die zijn goede smaak en talent etaleerde in enkele toneelstukken die losjes gebaseerd waren op de Romeinse komedieschrijvers Terentius en Plautus alsmede in talloze brieven aan vrienden. Als die brieven bewaard gebleven waren, hadden ze volgens Van Heck een monument van de Florentijnse renaissance kunnen zijn. Maar helaas ging Machiavelli nogal achteloos met zijn correspondentie om en hebben we nog slechts weinig over.

Uit Van Hecks instructieve commentaar blijkt dat Machiavelli een libertijns leven leidde, en affaires met mannen en met vrouwen had. Zijn hier vertaalde werk gaat alleen over de relaties tussen mannen en vrouwen, al wijst Van Heck in de komedie Mandragola een passage aan die je wel degelijk homoerotisch zou kunnen duiden. Heel vriendelijk over vrouwen gaat het er doorgaans niet aan toe. In de novelle Belfagor gaat een duivel naar de aarde om te onderzoeken of het waar is wat zoveel getrouwde mannen beweren: dat de hel te verkiezen is boven de huwelijkse staat. In de komedies Mandragola en Clizia zijn vrouwen poppen zonder veel eigen persoonlijkheid die vooral dienen om mee naar bed te gaan, en in een van de brieven wordt plastisch Machiavelli’s walging beschreven als hij ontdekt hoe lelijk en onwelriekend de hoer is met wie hij het net heeft gedaan.

Van Heck is veel geprezen om het prachtige Nederlands van zijn Machiavelli. Met dit boek bewijst hij alle registers van de grote Italiaanse schrijver in onze taal te kunnen omzetten: “Uit haar bovenlip staken hier en daar een paar lange stekels. Ze had een centenbak die schuin omhoog stak, en eronder hing een lap vel die reikte tot onderaan haar keel. (...) En toen ze haar mond opendeed, kwam er een afschuwelijke stank naar buiten.”

Bijna nog interessanter dan de tekst van Machiavelli zijn in het geval van dit verspreide werk misschien wel het begeleidende essay dat de vertaler schreef over de vroegmoderne Italiaanse toneeltraditie en de vele voetnoten. Soms gaat de notendrift een beetje ver, en wordt bijvoorbeeld de portee van een grap uitgelegd, maar over het algemeen zijn ze heel verhelderend. De moderne lezer heeft nu eenmaal niet dezelfde intellectuele bagage als zijn Florentijnse tegenhanger.

Een langere versie staat op de website van de Universiteit Leiden.

Gert Jan van der Sman, Lorenzo & Giovanna. Schoonheid en noodlot in Florence. Leiden: Primavera Pers, 2009.

Gert Jan van der Sman, Lorenzo en Giovanna. Schoonheid en noodlot in Florence In de hogere kringen in Florence was het in het midden van de vijftiende eeuw “gebruikelijk om een jongeman onder de hoede van een grammaticus te stellen”, vertelt Gert Jan van der Sman in zijn Lorenzo & Giovanna. Schoonheid en noodlot in Florence. Florence was dus een gelukkige stad, waarin sociale status gekoppeld was aan geleerdheid en goede smaak. De kennis van vreemde talen stond daarbij centraal. Een edelman die geen woord buiten de deur sprak was geen echte edelman.

Lorenzo Tornabuoni (1468-1497) werd bijvoorbeeld geprezen om zijn kennis van het Grieks. Tijdens het drie dagen durende huwelijksfeest met Giovanna degli Albizzi (1468-1488) werd een gedicht voorgedragen waarin hoog van zijn taalgeleerdheid werd opgegeven: “Want hij cultiveert de uitzonderlijke kunsten van de goddelijke Pallas / en al wat de oudste geschriften in het Latijn onderwijzen. / Hij schept zelfs de wateren uit de Griekse bronnen / opdat hij de twee talen daardoor leert kennen.”

Lorenzo & Giovanna is een beschrijving van het huwelijk van Tornabuoni en Albizzi dat met zoveel pracht en praal omgeven werd dat het nog eeuwenlang tot de verbeelding zou spreken. De plechtigheid alleen al omvatte drie dagen, en zat boordevol diners, feestelijkheden, uitwisselingen van geschenken en wat er verder bij kwam kijken. De familie Tornabuoni had nauwe relaties met de familie De Medici en liet een van de fraaiste paleizen van de stad bouwen, terwijl Lorenzo en Giovanna introkken in een fraai buiten.

De combinatie van geld en goede smaak was een zeldzaam gelukkige: volgens Van der Sman kunnen meer dan twintig kunstwerken van beroemde schilders als Botticelli en Ghirlandaio met het jonge paar in verband worden gebracht. Een detail van het fraaie portret van Giovanna door de laatste schilder siert bijvoorbeeld het omslag van Lorenzo & Giovanna; de andere schilderijen staan allemaal in kleur afgebeeld in Van der Smans boek. En dit alles terwijl het huwelijk slechts anderhalf jaar duurde: daarna overleed Giovanna, op negentienjarige leeftijd, in het kraambed. Haar man zou haar nog negen jaar overleven. Omdat hij zich geallieerd had met de gehate Piero de Medici, werd hij uiteindelijk echter onthoofd.

Van der Sman, die aan het Nederlands Interuniversitair Kunsthistorisch Instituut in Florence werkt en daarnaast bijzonder hoogleraar is in Leiden, heeft een meeslepend verslag geschreven van het wel en wee van enkele invloedrijke Florentijnse mecenassen en kunstliefhebbers. Hij putte onder andere uit het uitgebreide huishoudboek dat vader Albizzi bijhield en waarin hij ook verslag deed van de belangrijke gebeurtenissen in zijn leven. Die bron was nog nooit eerder onderzocht.

Een langere versie staat op de website van de Universiteit Leiden.

27.6.10

Jonathan Safran Foer. Extreem luid & ongelooflijk dichtbij. Heerenveen: dwarsligger, 2010 (2005).

Jonathan Safran Foer. Extreem luid en ongelooflijk dichtbij

Vertaling: Gerda Baardman en Tjadine Stheeman.

Een kind aan het woord laten, dat is zo ongeveer het moeilijkste wat er is. Zo'n eigenwijs kind, dat vertedering oproept, en misschien door zijn eigenwijsheid ook weer wat ergernis, maar uit schaamte over die ergernis dan toch ook weer vertedering. Al gauw gaat de Wet van de Weeromstuit werken: als je te sterk voelt dat je geacht wordt vertederd te zijn, ga je je toch weer ergeren. Dat probeert Jonathan Safran Foer in zijn beroemde boek Extreem luid \& ongelooflijk dichtbij van inmiddels alweer vijf jaar geleden.

Oskar Schell, het eigenwijze jongetje in kwestie, heeft bovendien een moeilijk verhaal te vertellen: dat over de dood van zijn vader, die omkwam in het World Trade Center op 11 september 2001. Op zijn eigen wijze gaat Oskar op zoek naar zijn vader, vooral door te proberen te achterhalen op welk slot het sleuteltje past dat hij in de nalatenschap heeft aangetroffen. Dat sleuteltje past nergens op.

Nu ga ik iets vreselijks bekennen. 11 september 2001 was niet mijn ramp. Zeker, ik weet nog precies waar ik was (in de trein die net aankwam in Den Haag, en waar de conductrice omriep dat in Amerika de hel was losgebarsten). En de ramp was vreselijk genoeg. Maar vanaf het allereerste begin werkte bij mij de Wet van de Weeromstuit: door de enorme aandacht die er uitging naar het historische moment, begon ik binnen een paar uur al te relativeren. Ik herinner me dat ik op de radio een dag later een presentatrice hoorde praten met een beller, en dat die beller zei dat er heel veel mensen om heel andere onbegrijpelijke redenen stierven, en hoe ongepast kwaad die presentatrice was.

Twee keer spotten met de Wet van de Weeromstuit, dat kan bijna niet goed gaan. Ik heb dit boek dan ook vooral gelezen omdat het in het Nederlands is uitgegeven als een dwarsligger, een boekje dat is afgedrukt op een klein formaat, maar met de bladspiegel 90% gekanteld, zodat twee bladzijden samen één pagina weergeven. Dat maakt het boekje compact en dus gemakkelijk mee te nemen. Zo'n dwarsligger leest ook verbazingwekkend prettig, zeker niet minder prettig dan een gewoon gedrukt boek.

Het kon Extreem luid \& ongelooflijk dichtbij voor mij niet redden. Ik heb het uitgelezen, zeker, en dat was ook geen straf. Maar de grote ontroering bleef uit. Dat kwam misschien niet alleen door de Wet van de Weeromstuit, maar ook door de kunstmatigheid van het verhaal, de vele trucjes met de verschillende stijlen in de brieven van de grootvader, de aantekeningen van de grootmoeder, en de mededelingen van de kleinzoon. Wat me voort deed lezen, was de humor: de absurde gedetailleerdheid en ernst waarmee Oskar de wereld beziet. Als hij eindelijk het laatste bericht beluistert dat zijn vader op zijn antwoordapparaat inspreekt, blijkt dat hij elk berichtje doet voorafgaan door een 'weetje van de dag': op die dag over een gebied waar extreme koude heerst. Dat vertederde me ineens toch wel — had Jonathan Safran Foer me toch te pakken.

24.6.10

Stan de Jong en Koen Voskuil. De Italiaanse maffia in Nederland. Amsterdam: Nw Amsterdam, 2010.

Stan de Jong en Koen Voskuil. De Italiaanse maffia in Nederland In februari 2002 woonde ik in Woerden. Vlakbij werden, aan de N12, de lijken gevonden van twee Brazilianen, die vermoord blijken te zijn door leden van de Sacra Corona Unita, de maffia van Pulië.

Ik weet niet of me dat bericht over die Brazilianen toen bereikt heeft, het is me in ieder geval niet bijgebleven. Het ging over een vreemde wereld, en ik had zo mijn eigen sores in die tijd, zullen we maar zeggen.

De onderzoeksjournalisten Stan de Jong en Koen Voskuil gebruiken die moord uit 2002 als een sleutelpunt in hun boek De Italiaanse maffia in Nederland. Het is dan ook een van de weinige moorden waarvan het vrijwel zeker is dat ze door de Italiaanse maffia op Nederlands grondgebied gepleegd zijn. De Jong en Voskuil vertellen de verhalen van de verschillende maffiosi die betrokken waren bij die moorden, bijna allemaal leeftijdsgenoten, de meesten een paar jaar ouder, sommigen een paar jaar jonger, en allemaal uit het zuiden van Italië. Maffiosi die Nederland in de jaren negentig leerden waarderen als een schuilplaats waar ze bovendien vrij gemakkelijk de bloemetjes buiten konden laten hangen: fijne bordelen, niet teveel gezeur en onopvallende appartementjes in Zandvoort en Diemen.

Helaas is dit niet zo'n goed boek geworden. Het onderzoek van De Jong en Voskuil lijkt toch vooral te hebben bestaan uit het woordelijk weergeven van allerlei processen-verbaal. Op een paar punten hebben ze wel wat speurwerk ondernomen, maar dat leverde verder niet zoveel op. (Dat ze zelf geen Italiaans spreken, zoals blijkt uit het feit dat ze een tolk bedanken, lijkt me trouwens voor een boek als dit ook een behoorlijke handicap.)

Belangrijker nog is door de nadruk op die liquidatie de ernst van de situatie onderschat wordt. Zo'n moord op twee drugsrunners uit 2002, daar ligt menigeen niet meer wakker van. Dat wordt duidelijk uit het laatste hoofdstukje van De Italiaanse maffia in Nederland. Daarin worden verschillende deskundigen aan het woord gelaten die waarschuwen voor de toenemende invloed van met name de 'Ndranghetta (de Napolitaanse maffia) in Nederland. Het gaat, als je dat hoofdstuk leest, helemaal niet om de bloemetjes die buiten worden gezet of de incidentele moord. Het gaat om de sluipende invloed via drugshandel en onroerend goed, die uiteindelijk de democratie ernstige schade kan toebrengen. Het gaat over onderwerpen waar niemand het over heeft – ook De Jong en Voskuil niet genoeg, misschien omdat ze teveel een lekker verhaal hebben willen schrijven. Hadden ze maar wat meer uitgezocht over hoeveel invloed de maffia inderdaad inmiddels heeft. Wat heeft men zoal in bezit? Zijn er inderdaad al connecties met politieke partijen? Hoe zit het met de relaties met andere maffia's, of met de landelijke penose?

21.6.10

Daniel Kehlmann. Ruhm. Ein Roman in neun Geschichten. Reinbek bei Hamburg: Rowohlt, 2009.

Daniel Kehlmann. Ruhm. Ein Roman in neun Geschichten De werkelijkheid bestaat uit verhalen, en verhalen in verhalen. Dat is een onderwerp van een grote stapel boeken sinds Don Quichot, maar Daniel Kehlmann werkt het in deze roman op een moderne manier uit: met euthanasie, en mobiele telefoons en Internet, en allles in negen verhalen, die elkaar voor een deel overlappen, want "man weiss nie, wo eine endet und eine andere beginnt! In Wahrheit fliessen alle ineinander. Nur in Büchern sind sie säuberlich getrennt."

Dat het verschil tussen boeken en de rest van de werkelijkheid is dat in de eerste de verhalen netjes van elkaar worden gescheiden - dat was een nieuwe gedachte voor mij, zoals het Kehlmann wel vaker lukt om nieuwe gedachten uit deze op het eerste gezicht uitgeknepen citroen te persen.

Een van de verhalen gaat over een doodsaaie getrouwde man op een doodsaai bedrijf die een verhouding krijgt. Door de week is hij met zijn minnares, want hij werkt ver van zijn gezin, waarmee hij het weekeinde doorbrengt. Door de mobiele telefoon en de e-mail, merkt hij, kan hij communiceren met anderen zonder dat zij weten waar hij is. Zo kan hij aan twee verhalen tegelijkertijd werken: dat waarin hij zich zorgen maakt of hij wel een goede vader kan zijn, nu hij hoort dat zijn vriendin zwanger is, en dat waarin hij zijn zoontje bekijkt die in het zwembad stiekem met meisjes praat. Iedereen is zo een schrijver van zijn eigen verhalen.

Toch blijkt altijd weer dat dit gegeven, dat de wereld uit verhalen bestaat, nogal abstract is. De gedachte dat het moeilijk is om een verschil te maken tussen feit en fictie heeft waarschijnlijk nog nooit iemand in tranen uit doen barsten. Een boek over dit thema kan daarom maar beter grappig zijn, en slim, en dat is Kehlmann allebei.

Een prachtig verhaal is bijvoorbeeld dat over de acteur die op een bepaald moment besluit zijn kansen te proberen als zijn eigen dubbelganger. Bij zijn eerste optreden heeft hij nog wel wat succes, hoewel hij wel de tip krijgt wat meer naar zijn eigen films te kijken, omdat hij zich nog niet precies gedraagt als hijzelf. Gaandeweg wordt zijn rol overgenomen door een ander, terwijl hij zich gelukkiger lijkt te voelen in zijn rol van dubbelganger.

'Saüberlich getrennt' van de andere verhalen is dit niet. Zo is er een ander verhaal waarin iemand per ongeluk steeds telefoontjes krijgt die eigenlijk voor de acteur bedoeld zijn, is de baas van het telecombedrijf dat verantwoordelijk is voor dat technis mankement de vreemdganger van het hierboven beschreven verhaal en komen YouTube-filmpjes van de acteur voor in sommige andere verhalen. Het maakt Ruhm spannend om te lezen. Niet alles is even geslaagd (een verhaal wordt bijvoorbeeld verteld in de taal van reactieforums op internet, maar die stijl verdraagt zich niet met een heel verhaal) maar alles bij elkaar heeft die Kehlmann het hem toch maar weer mooi gelapt.

20.6.10

Mark Boog. Er moet sprake zijn van een misverstand. Amsterdam: Cossee, 2010

Mark Boog. Er moet sprake zijn van een misverstand Ik zou graag willen beweren dat ik Mark Boog volg, maar inmiddels is het alweer viereneenhalf jaar geleden dat ik een bundel van hem gelezen heb, De encyclopedie van de grote woorden. Dat is nu het voordeel van zo'n leeslog, dat je je eigen onzin kunt corrigeren. Ik schepte toen nog op dat ik al Boogs boeken gelezen had, inmiddels heb ik er een paar voorbij laten gaan.

Boogs poëzie is onpersoonlijk, valt me nu op. Sommige gedichten hebben zelfs letterlijk het onpersoonlijk voornaamwoord men als onderwerp:

Men voert zijn gevolg de afgrond in,
een ordentelijke, ernstige processie,
bekreunt zich om het weer, om pijntjes,
om de stemming.

Andere gedichten gaan uit van een al bijna even onpersoonlijk wij:

Hoe snel worden wij vergeten — wie? Wij. Wie?
Wij. Hoge golf, rotskust, aflandig
de verraderlijke stroming. En ach, we lachten,

Sommige gedichten hebben zelfs helemaal geen concreet onderwerp: de abstracties heersen:

Veel is vergeten, veel herinnerd,
veel veranderd, omwille van de goede vrede
in het malende hoofd, dat woedend wint
wat het lichaam verliest: snelheid en onkunde.

Er zijn ook wel gedichten met een je of een ik, maar die laatste wordt dan soms weer in twijfel getrokken:

Wie? Ik niet. Aan mij voorbij
de luchtige schaduw
die ook een sierwolk had kunnen zijn,
(...)
Ik ben een olievlek,een onuitputtelijk vat zaad,
een dromer van andere, betere werelden —
het is bekend dat die bestaan.

Het zijn aardige experimenten, maar ze zijn ook een beetje steriel. Wat ik vroeger zo mooi vond aan Boog was dat er af en toe een prachtige formulering door de koele vormen heenbrak, dat er wel geprobeerd werd om de waanzin te bedwingen, maar dat die net (in zijn huis-tuin-en-keuken-variant weliswaar) door de tegels kwam zetten.

Aan de andere kant, de mooie zinnen zijn er nog steeds wel. "Mijn luiheid maakt deel uit van een gewiekst plan" verdient het om een nieuw spreekwoord te worden. Net als: "Welaan, weer buiten." Of: "Iemand zou het moeten vastleggen, een hond aan een ketting op een foto."

10.6.10

Menno ter Braak. Het nationaal-socialisme als rancuneleer. DBNL, 2009 (1937).

Menno ter Braak. Het nationaal-socialisme als rancuneleer Aan het begin van de negentiende eeuw maakte de filosoof Max Scheler een analyse: in onze westerse democratische samenleving staat gelijkheid hoog in het vaandel. Juist doordat iedereen gelijke kansen krijgt, in ieder geval theorie, ontstaat rancune bij degenen die het niet lukt om mee te komen. De democratie brengt zo partijen voor die gaan leven van de rancune en het ressentiment:

Deze soort critiek, die men de “critiek van het ressentiment” zou kunnen noemen, houdt in, dat een verbetering der toestanden, die ondraaglijk worden geoordeeld, nooit voldoening geeft (dat is het effect van de constructieve critiek), maar integendeel ontevredenheid uitlokt, voorzoover zij ingaat tegen de stijgende vreugde, die men beleeft in het alles verafschuwen en alles puur en simpel verwerpen. Men kan zeggen van een zeker aantal van onze huidige politieke partijen, dat niets hen zoo woedend maakt als het schouwspel, dat een andere partij een deel van hun programma verwerkelijkt, en dat men hun heerlijk pleizier, de “oppositie uit principe”, bederft, door enkele van hun leden uit te noodigen constructief mee te werken aan de politieke actie.

De Nederlandse essayist Menno ter Braak vond het opmerkelijk dat Scheler dit schreef aan het begin van de eeuw, voor de opkomst van het nationaal-socialisme, want dat was de rancuneleer bij uitstek. In een glashelder betoog legt Ter Braak uit hoe die rancune in elkaar zit, hoe ze zwelgt in haar eigen onredelijkheid en alles kapot wil maken, de democratie in de eerste plaats.

"De rancune behoort tot de meest essentieele verschijnselen van onze
cultuur, zij is er onverbrekelijk aan verbonden; zij is alomtegenwoordig, (...). Want naarmate het bezit van cultuur meer als een recht wordt gevoeld, wordt de afstand, die er bestaat tusschen dat recht op alles en het bezit van weinig in de practijk, meer beseft als een onrecht; een onrecht, waarvan men echter de wortels niet vermag op te sporen, omdat men evenmin weet, waar dat beroemde recht op cultuur vandaan komt; de raté, de mensch van het ressentiment, weet alleen, dat hij het meerdere bezit van den ander niet verdragen kan, dat het hem helsch maakt een ander bevoorrecht te zien; hij wrokt, omdat hij in den wrok althans de lust beleeft der permanente ontevredenheid. "

Het probleem van de critici is dat ze te redelijk zijn, ze proberen te achterhalen wat voor rationele gronden men kan hebben voor de standpunten terwijl die er helemaal niet zijn (de criticus "zoekt in de rassenleer der nationaalsocialisten nog naar een wetenschappelijk fundament, in plaats van zijn onderzoek te richten op het eenige fundament, dat die rassenleer heeft te stutten: den Jodenhaat"). Hoe dan wel om te gaan met al die rancuneuzen, dat weet niemand precies:

Men [heeft] tot dusverre met de democratie nog slechts een voorloopig spelletje (...) gespeeld, (...) de werkelijke strijd om de democratie begint pas, nu het ressentiment zich geëmancipeerd heeft en de ressentimentsmensch zich van de overgeleverde tradities (zooals daar zijn de zuiverheid van de wetenschap en de vrijheid van het individu) niets meer wenscht aan te trekken.

Overigens zijn het volgens Ter Braak niet alleen de nazi's die gebruik maken van de rancune, al doen zij dat op superieure wijze. Iedere democratische partij verwerkt wel wat rancune in zijn leer. Het is zo'n scherpe, zo'n huiveringwekkende analyse. Hij heeft me echt geholpen beter te begrijpen wat er om ons heen gebeurt in deze dagen. Het is allemaal griezelig juist.

Dit essay kan worden gedownloaded bij de DBNL

9.6.10

Niccolo Ammanitì. Ti prendo e ti porto via. Milano: Mondadori (1999)

Niccolo Ammaniti. Ti prendo e ti porto via Ik was begonnen in de vertaling, maar zag na een paar bladzijden in dat dit weleens mijn eerste boek in het Italiaans kon worden. De taal is niet zo ingewikkeld, en de schrijfstijl kolkt als een waterval zodat je vanzelf wordt meegesleurd: weer een vreselijke scene van vernedering of zelfvernedering tegemoet.

Er zijn twee grotere liefdesverhalen in dit boek: die van de eeuwige loser het jongetje Pietro en zijn rijkere en populairdere vriendinnetje Gloria, en die van de playboy Graziano voor de teruggetrokken schooljuf Flora. Die verhalen spiegelen in elkaar en lopen allebei over van verraad.

Ti prendi e ti porto via (Ik haal je op en neem je mee) gaat over een onderwerp waarover niet veel boeken geschreven zijn: de psychologie van het ontfermen. Graziano ontfermt zich over Flora, in eerste instantie misschien zoals hij zich over honderden vrouwen heeft ontfermd, maar uiteindelijk (en als het te laat is) vol overgave. De familie van Gloria ontfermt zich over Pietro, net zoals juf Flora dat op school lijkt te doen, en net als Graziano dat doet als hij ziet dat Pietro langs de kant van de weg in elkaar geslagen wordt. Enzovoort, enzovoort: bijna iedere relatie in dit boek bestaat er bij nadere analyse uit dat de een zich over de ander ontfermd. Uiteindelijk blijkt dat jongetje over wie iedereen zich ontfermde in staat tot doodslag en verraad.

Hoeveel egoïsme en hoeveel neerbuigendheid zit er in dat altrïsme? Hoeveel zorg eist iemand die een ander verzorgt? En is het waar dat beloften er zijn om verbroken te worden, zoals juf Flora uiteindelijk in haar wanhoop roept? Heel vrolijk over de menselijke verhoudingen word je niet van Ammaniti. Maar je houdt je adem in.

3.6.10

Jos van den Broek, Willem Koetsenruijter, Jaap de Jong en Laetitia Smit. Beeldtaal. Boom Onderwijs, 2010.

Jos van den Broek, Willem Koetsenruijter, Jaap de Jong en Laetitia Smit. Beeldtaal In april verloor Leiden een van de beste fotokijkers die er zijn geweest, Rudy Kousbroek, die de laatste jaren van zijn leven in onze stad doorbracht. Soms zag je hem weleens lopen, een oude man met heel heldere ogen, die met zijn essays over foto’s van dieren en auto’s heel veel mensen precies heeft laten kijken. Als je net een boek van Kousbroek gelezen hebt, kun je een tijdje lang alleen op zijn manier naar afbeeldingen kijken: steeds zorgvuldig op zoek naar het kleine detail dat peilloze nostalgische ontroering teweeg kan brengen.

Toevallig verscheen rond dezelfde tijd het boek Beeldtaal. Perspectieven voor makers en gebruikers, van Jos van den Broek, hoogleraar biomedische wetenschapscommunicatie; Willem Koetsenruiter, docent/onderzoeker bij de Praktijkstudie Journalistiek en Nieuwe Media; Jaap de Jong, coördinator bij diezelfde Praktijkstudie; en Laetitia Smit, hoofd van Hoger Onderwijs voor Ouderen HOVO. (Alle auteurs werken aan de Universiteit Leiden, en er zijn dan ook heel veel Leidse plaatjes in te zien.)

Beeldtaal is een leerboek voor ‘iedereen die beroepsmatig met de publicatie van beeld te maken heeft of krijgt’, zoals journalisten, museummedewerkers en webdesigners. De nadruk ligt daarbij nogal sterk op theoretische overwegingen: je leert nu niet onmiddellijk een website of een tijdschriftpagina in elkaar zetten.

De nadruk ligt vooral op de analyse van beeld, vanuit een drietal invalshoeken, namelijk de Gestalt-psychologie, de semiotiek en de visuele retorica. De kernbegrippen uit alle drie deze gebieden worden helder en kort uiteengezet, waarna ze worden toegepast op ‘basiselementen van de beeldtaal’ zoals typografie en kleur en op ‘toepassingen van beeld’ zoals fotografie, grafieken en tijdschriften. Die laatste hoofdstukken worden onder het hoofdje ‘praktijk’ geplaatst, maar alleen al doordat er zoveel aan bod komt, blijft alles toch vooral enigszins beschouwend – wat overigens ook niet zo heel raar is voor een auteursteam van Leidse onderzoekers.

Ook aan de vormgeving van Beeldtaal zie je dat af. Er zijn bijzonder veel plaatjes van al dan niet dode en opgezette dieren in Naturalis te zien, en ook redelijk wat foto’s over binnen- en buitenlandse politieke onderwerpen. Het eerste weerspiegelt ongetwijfeld het feit dat de meeste foto’s gemaakt zijn door Van den Broek, die wetenschapscommunicator is, en het tweede de belangstelling van de auteurs. Foto’s van sportevenementen zijn er bijvoorbeeld nauwelijks in het boek, en je kunt ook meer leren over de structuur van een tabel voor de economische pagina dan over de vraag waarom in een roddelblad de koppen over elkaar buitelen.

Overigens ziet Beeldtaal er heel prettig uit: vriendelijke kleuren, een verzorgde opmaak die het juiste midden houdt tussen braaf en knallerig. De tekst is ook zo: prettig leesbaar, levendig en tegelijkertijd didactisch verantwoord. Eigenlijk zijn de enige dingen die minder geslaagd zijn aan Beeldtaal de dingen die in het boek niet besproken worden. Zo slaat het boek zeker in het midden niet zo prettig open, en is het papier net iets te vet om er met een potlood aantekeningen op te kunnen maken. De psychologie, de semiotiek en de retorica hebben nu eenmaal vooralsnog maar weinig te zeggen over bindwijze en vetgehalte.

Een langere versie staat op de website van de Leidse faculteit Geesteswetenschappen