30.1.11

Stanislas Dehaene. Reading in the Brain. The Science and Evolution of a Human Invention. New York: Viking, 2009.

Stanislas Dehaene. Reading in the Brain Alles wat de mens doet en kan is een wonder, als je erover nadenkt. Neem nu lezen. In allerlei kronkelige lijntjes zie je razendsnel en zonder moeite te doen abstracte letters. Dat een a en een A er bijvoorbeeld heel anders uitzien, doet er kennelijk niet eens toe: hAlLo is niet veel moeilijker te lezen dan hallo. Die letters verbind je bovendien al even razendsnel met de klanken waaruit woorden zijn opgebouwd.

Reading in the Brain gaat over dat wonder, het wonder van het lezen, en vooral van de 'laagste' niveaus van lezen - hoe die woorden gedachten vormen, hoe je in je hersenen ingewikkelde betogen als dat van Dehaene kunt onthouden en verwerken, zo ver is de wetenschap nog lang niet. Maar die onderste niveaus zijn fascinerend genoeg.

Zo laat Dehaene zien dat de centra voor het herkennen van letters bij iedereen die lezen kan in hetzelfde hersendeel lijkt te zitten - of het nu Chinezen, Koreanen, Arabieren of Amerikanen zijn. Hoe kan dat? Lezen is duidelijk een menselijke uitvinding en de hersenen een plastisch orgaan? Hoe eindigt het leesgebiedje dan toch altijd op dezelfde plaats? Volgens Dehaene omdat dit een regio is waar mensen van nature driedimensionale eigenschappen van de natuurlijke omgeving mee herkennen. En bijvoorbeeld een T-achtige structuur kunnen zien is heel nuttig als je wil observeren dat iets voor iets anders staat. Zo bestaan alle lettertekens - ook de Chinese karakters - uit kleine primitieve elementjes die terug te voeren zijn op waarschijnlijk aangeboren talenten om de wereld visueel te kunnen ontleden. Het gebied waar die hersencellen zitten, heeft bovendien goede verbindingen met de menselijke spraakcentra. We zijn ook heel goed in het herkennen van gezichten, maar de gezichtscellen zijn minder goed verbonden met spraakcentra, en daarom spelen gezichtsvormen geen rol van betekenis in enig bekend menselijk schriftsysteem.

Dat zijn fascinerende gedachten, en terecht zegt Dehaene op het eind dat het een heel ander licht werpt op de biologie van cultuur. Als zelfs zo'n duidelijke menselijke uitvinding als het lezen zo aantoonbaar ingeperkt wordt door de eigenschappen van onze hersenen, is ook voor andere elementen van de cultuur de gedachte dat 'anything goes' niet haalbaar.

Alles bij elkaar is Reading in the Brain een verrukkelijk boek, al gaat Dehaene naar mijn smaak soms wel erg gedetailleerd in op de hersengeografie of op de juiste methoden om kinderen te laten leren lezen en dyslectici te behandelen. Hij laat bovendien allerlei vragen open. In een hoofdstuk ergens aan het eind behandelt hij het verschijnsel dat jonge kinderen in eerste instantie soms in spiegelschrift schrijven. Evolutionair gezien is het verschil tussen links en rechts niet zo belangrijk (een tijger is links even gevaarlijk als rechts, en vrijwel alles in de natuur is sowieso min of meer symmetrisch) en dus moeten we extra ons best doen om het verschil tussen p en q te leren. Eén vraag beantwoordt Dehaene daarbij niet: als de vorm van onze letters zo is aangepast aan onze aangeboren visuele vermogens, waarom zijn dan niet alle letters symmetrisch, of hebben we paren als p en q niet ergens allang afgeschaft? Er is zoveel om je over te verbazen.

24.1.11

Martijn den Ouden. Melktanden. Amsterdam: Querido, 2010.

Martijn den Ouden. Melktanden Het heeft tot 2010 geduurd voordat iemand eens op het idee kwam om het woord 'zwerfkeitjesetend' te gebruiken. Uiteindelijk deed Martijn den Ouden het, in zijn bundel Melktanden, zo'n bundel waar je vrolijk van wordt en die vol staat met regels die een mens onthoudt:

als je misselijk bent moet je zwerfkeitjes eten
ze zijn overal goed voor
zie Jolanda
zij eet zwerfkeitjes

zo'n brede zoete lach op een staatsienekje
het hoffelijk lijfje
hoe hop huppel hop
Va Den Helder
sleept ze haar struikelhaar
naar een natgeregend plein in Driebergen
zwerfkeitjesetend

Het gedicht is heel kenmerkend voor deze bundel, bijvoorbeeld in het achteloos noemen van eigennamen (de enige elementen die met hoofdletters geschreven worden) en vooral in de vrolijkheid. Den Ouden is van 1983, blijkens het omslag net afgestudeerd. Hij heeft dan misschien een beetje lang over zijn studie gedaan, maar er is nog tijd genoeg om zwerfkeitjes te eten.

Ik kreeg deze bundel van de Poëzieclub. Er zat een brief bij van de baas van die club, Ron Rijghard, een generatiegenoot van mij (we hebben één jaar samen college gelopen) die tegenwoordig geloof ik de hoogste bobo in het Nederlandse poëzieland is.

Helaas is Ron Rijghard wel een beetje aan het zeuren. Hij kan het bijvoorbeeld niet nalaten te wijzen op een gedicht waarin het volgens hem 'misgaat' met Den Oudens Sturm und Drang, hij kan het niet nalaten om op te merken dat het bovenstaande gedicht 'hangt op deze openingsregel' en hij spreekt Astrid Lampe tegen die op de achterflap Den Ouden claimt. En dat alles in een brief die zou moeten motiveren waarom wij als trouwe Poëzieclubleden nu uitgerekend deze bundel krijgen toegestuurd. Nee, dan liever Den Ouden:

Lieve vrienden,

Ik weet het, het is koud en het waait hard mar we gaan gewoon, zoals afgesproken, om vier uur naar de speculaasfabriek. Neemt iedereen zijn vriestas met worsten mee! O ja, voor ik het vergeet, het was een cactus. Berta is overleden aan een cactus.

16.1.11

Alexis de Roode. Gratis tijd voor iedereen. Amsterdam: Podium, 2010.

Alexis de Roode. Gratis tijd voor iedereen Over de tijd maak ik me geen zorgen. "Wat is de tijd?" schreef Augustinus. "Wanneer maar niemand het me vraagt, weet ik het; wil ik het echter uitleggen aan iemand die het vraagt, dan weet ik het niet." Het is, vrees ik, een deel van mijn oppervlakkige natuur dat ik mezelf die vraag nooit stel, en dus eigenlijk altijd in de veronderstelling leef dat ik wel zo'n beetje weet wat de tijd is.

Alexis de Roode stelt zich de vraag wel, in zijn onlangs verschenen bundel Gratis tijd voor iedereen. Ieder gedicht in de bundel benadert een ander aspect van de tijd - het verstrijken van de seizoenen, de vraag wat God bewoog om de aarde op een zondag te scheppen (ik dacht eigenlijk dat hij dit op een maandag deed), de neurose van iemand die zich de hele tijd afvraagt wat voor rampen er in de komende vijf minuten kunnen plaatsgrijpen. Het levert gedichten op die niet heel erg diep gaan (gelukkig voor mij, he) en waarvan de toon vooral tamelijk luchtig is, al worden er een aantal beklemmende beelden in opgeroepen – een oude vrouw die in een vreemde houding bij haar tv in haar eenzame appartement ligt. De bundel is vooral heel prettig om te lezen en te herlezen. Alles is mooi geformuleerd en knap gezegd, er zijn wat aardige gedachtes, wat wil je nog meer. Het gedicht klok is bijvoorbeeld tamelijk kenmerkend voor de bundel. Het begint zo:

Het klopkevertje in de borstkas telt
levenslang af tot de liftoff,
trouw aan het lijf tot de laatste dag.

In mijn longen zwelt en slinkt
een stukje blauwe hemel
ruimte aan het hart gedragen.

Beneden in duisternis offeren
de ingewanden in hun trage aardritme
onverstoorbaar het voedsel

Er volgen nog vijf coupletten waarin verder wordt uitgelegd hoe ons lichaam een tikkende klok is en we bovendien bestaan uit sterrenstof, maar het eindigt wat mij betreft in een sisser: de op zichzelf staande regel "We hebben alle tijd". Ja, dat konden we inderdaad concluderen uit het voorafgaande.

Gratis tijd voor iedereen heb ik met veel plezier gelezen, maar ik zal er niet vaak uit citeren. Ik vond het een mooie bundel, maar het had net niet datgene waarvan ik alleen weet wat het is als niemand ernaar vraagt.

8.1.11

Ulrich Matthias. Fajron sentas mi interne. Vieno: Pro Esperanto, 2001 (1990).

Ulrich Matthias. Fajron sentas mi interne Een jongen heeft op school grote moeite met het leggen van sociale contacten. Hij wil wel, maar het lukt hem niet om een gesprekje te voeren. Af en toe uit hij zich daarom schriftelijk, maar doet dat steeds vreselijk onhandig - in een brief aan een meisje op school aan die hij uit het niets voorstelt om een verhouding te beginnen, in een artikel voor de schoolkrant waarin hij uitlegt hoe oppervlakkig alle andere leerlingen zijn. Ook op de universiteit gaat het niet veel beter, totdat hij in aanraking komt met de Esperanto-beweging. Hij leert de taal, en hoewel hij nog steeds met niemand een normale verhouding aanknoopt, ook met de andere esperantisten niet, geeft het ideaal hem een doel in zijn leven.

Fajron sentas mi interne ('Vuur voel ik van binnnen', een regel uit een gedicht van Zamenhof, de bedenker van het Esperanto, dat ook gaat over iemand die zich niet kan uitdrukken tegenover zijn vrienden) wordt in de stukken die ik erover gelezen heb niet alleen beschouwd Alessandro een moderne klassieker van de Espernato-literatuur, maar ook autobiografisch. Dat laatste moet en twijfelachtig genoegen zijn voor de auteur, die zichzelf neer zet als arrogant én labiel - als hij tegen een andere informatiserend was aangelopen, was hij missschien geroeide geworden. Iemand die zich aangetrokken voelt tot een ideaal van ongelimiteerde internationale communicatie terwijl hij in zijn eigen leven niet tot stand brengt. Tegelijkertijd is het natuurlijk knap dat iemand met zoveel eerlijkheid zo'n inkijkje kan geven in zijn eigen enigszins verwrongen en gefrustreerde geest. En daarmee tegelijkertijd in een beweging voor internationaal begrip die meer leden heeft voor wie het begrip in het dagelijks leven moeilijk is. Fajron sentas mi interne doet daarin een beetje denken aan Het Bureau : het is zo eerlijk opgeschreven dast je soms meer begrip krijgt voor de andere personen dan voor de hoofdpersoon.

4.1.11

Gerard Reve. De avonden. Amsterdam: Rubinstein, 2000 (1949).

Gerard Reve. De avonden Wij zijn betekenisjunkies. Althans, dat vond Nietzsche. Althans, zo vat de Amerikaanse filosoof Hubert Dreyfus Nietzsche samen. Niets is zo belangrijk als betekenis, alles moet betekenis hebben, doorlopend proberen we sinds de grote God ons niet meer dealt, omdat hij immers dood is, ergens anders ons felbegeerde shotje betekenis te vinden.

Het lijkt me dat er altijd mensen zijn geweest die meer of minder afhankelijk waren van die betekenis, maar het woord betekenisjunkie lijkt me van uitstek van toepassing op Frits van Egters, de 'held' van De Avonden. Hij leeft temidden van zijn ouders en zijn vrienden die geen van allen erg gelovig lijken te zijn maar ook geen van allen erg lijken te lijden onder de totale betekenisloosheid van het bestaan. Maar Frits lukt dat niet - hij lijdt zoals een junk lijdt die zijn shotje niet kan krijgen, hij loopt rusteloos over straat, gaat het ene na het andere huis binnen, wanhopig op zoek naar iemand die ervoor kan zorgen dat het allemaal niet zo doelloos is. Op het eind wil hij iets zeggen, maar er komt alleen maar onzin uit: alleen mensen kunnen zingen. Is dat wel onzin? Voor een religieuze ziel misschien niet, maar eigenlijk is het toch onzin. Er is geen betekenis.

Het moet inmiddels een jaar of vijftien geleden zijn dat ik De Avonden gelezen heb - wat betreur ik het dat ik niet mijn hele leven een leesdagboekje heb bijgehouden, dan kon ik het nu even nazoeken - maar ik werd getroffen door hoe steengoed dit boek is, hoe rijk van inhoud, hoe subtiel van psychologie (al die vrienden en familieleden, heb ik ooit gezien hoe veel ze eigenlijk van elkaar verschillen) en natuurlijk ook hoe prachtig van taalgebruik. Afgezien van Multatuli is er niemand geweest die zulk fraai Nederlands schreef als Reve. En wat leest hij het trouwens ook mooi voor. Er zijn mensen die ieder jaar rond de kerstdagen De Avonden lezen - ik zou het me eigenlijk ieder jaar willen laten voorlezen.