29.6.14

Ernest van der Kwast. Mama Tandoori. Amsterdam: Nijgh en Van Ditmar, 2010.

Alweer een boek dat ik misschien niet gelezen zou hebben als de onvolprezen Luisterbieb niet bestond: wanneer die app ooit geld gaat vragen (voor een groter aanbod, dat wel), dan weet ik niet hoe snel ik naar mijn portemonnee moet grijpen.

Mama Tandoori is een aardig boek. Het past op een bepaalde manier in een Engelstalige traditie van romans over Indiase personen – denk aan Salmon Rushdie, maar denk nog liever aan Adiga Aravind – die bigger than life zijn: hysterisch, niet geneigd tot enige rede, maar wel tot het vertonen van gedrag dat de lezer laat lachen.

Er is iets ongemakkelijks aan dat soort verhalen. Is dit niet een vorm van zelf opgelegd oriëntalisme, van mensen die weten hoe raar er door andere mensen ('westerlingen') naar hun cultuur wordt gekeken, die zelf misschien die verbaasde blik hebben geïnternaliseerd, en die nu alles maar als raar en exotische en magisch realistisch voorstellen omdat het verhaal zo makkelijker te accepteren zal zijn?

Maar dan moet ik ook onmiddellijk toegeven: Mama Tandoori, de Indiase moeder van Ernest van der Kwast in dit boek (zijn vader is een Nederlander), is een mooi personage. Bigger than life, jazeker, maar daardoor ook iemand die je niet vergeet. Ik geloof geen moment dat iemand in het leven kan functioneren die haar man, een medisch specialist, kan doen geloven dat hij maar een arme sloeber is en beter af zou zijn wanneer hij een rat was in Delhi. Maar Van der Kwast weet er mooie verhalen over vertellen.

Bovendien zit aan het boek ook nog een staart. Uitgerekend wanneer Ernest van der Kwast naar India gaat, om zijn tantes te ontmoeten, ontdekt hij dat zijn moeder meer is dan alleen hysterisch en niet geneigd tot enige rede. Zijn ene tante is een rustiger versie van zijn moeder, de andere is nóg bizarder. Maar die andere tante is dan ook alleen en moet het allemaal maar zien te rooien in de moeilijke omstandigheden waarin ze verkeert.

Ineens ontdekt Ernest, en ontdekt de lezer, dat er meer is dan dit bizarre gedrag – dat het een functie heeft, een bezwerende, dat het een manier is om te overleven in een wereld waarin 'westerlingen' wel naar je cultuur kijken, maar er nauwelijks deel aan nemen.

En daardoor komt het met het boek Mama Tandoori allemaal goed: fijn om naar te luisteren, zonder bijgedachten.

23.6.14

Harry Mulisch. De aanslag. De Bezige Bij, 2007 (1982)

Het is maar minder dan drie jaar geleden dat ik De aanslag voor het laatst gelezen heb (ik schreef er hier over), maar het stond nu als luisterboek in de luisterbieb-app van de bibliotheek, dus ik luisterde er nog een keer naar.

En hoorde weer iets heel anders dan de vorige keer, kennelijk. Waar ik toen erg onder de indruk was van de literaire trucs die de schrijver uithaalt, viel me deze keer vooral een nogal uitgebreide passage op waarin Anton nadenkt over de vraag wat de relatie precies is tussen de verzetstrijdster Truus Coster met wie hij een nacht in een cel heeft gezeten nadat zij een collaborateur bij hem thuis had doodgeschoten, waardoor Antons familie bij wijze van represaille is vermoord, en zijn vrouw Saskia. Hij merkt ineens dat Truus lijkt op Saskia, of Saskia op Truus. Heeft hij in zijn vrouw onbewust Truus gezocht? Maar hij had Truus door het donker helemaal niet gezien! Saskia lijkt dus alleen maar op het beeld dat hij van Truus had.

Nu was Truus ook nog weer de geliefde van de verzetsstrijder die Anton later ontmoet. Die man, Cor Takes, was verliefd op haar, terwijl hij eigenlijk getrouwd was en heeft haar, na haar executie en na de oorlog, nooit kunnen loslaten. De oorlog was voor hem de periode waarin hij gelukkig was met Truus.

Wat betekent dat? En wat betekent het dat Anton later alsnog van Saskia scheidt en met Liesbeth trouwt? Hij is een rare, gevoelsarme man, en vooral met vrouwen kan hij – zoals veel van Mulisch' personages – niet overweg. Je kunt hem daarover berispen, je kunt de male chauvinist pig in Mulish erin zien. Maar in die lange passage, die zoektocht naar begrip hoe het nu eigenlijk zit, of hij Saskia niet verraadt met Truus of Truus met Saskia, zit ook iets wanhopigs, iets van een man die wel liefde wil voelen voor vrouwen maar dat niet kan – die zich natuurlijk nooit zal binden, nooit zal veilig voelen omdat hij helemaal aan het begin in een vredig, gebonden, veilig tafereeltje zat dat door de aanslag uiteengereten is.

Intussen is De aanslag toch wel een juweeltje, alles bij elkaar waarschijnlijk Mulish' onvergankelijkste boek, wie weet het enige boek waardoor hij écht herinnerd gaat worden. Je kunt het tal van keren lezen en er iedere keer wat anders in zien.

21.6.14

Peter Unger. Empty Ideas. A Critique of Analytic Philosophy. Oxford: Oxford University Press, 2014.

Ik ben dit boek vooral gaan lezen omdat een vriendin van me zich er deze week heel boos over maakte. Niet dat die vriendin het boek gelezen had: ze had alleen dit interview met de auteur gelezen, waarin Peter Unger zich doet kennen als iemand die zichzelf vreselijk intelligent vond, veel slimmer dan vrijwel al zijn collega-filosofen. Maar de boosheid kwam vooral doordat die Unger zich nu, na een lange carrière met goedbetaalde banen in de analytische filosofie, ineens zo vreselijk begon af te geven op diezelfde filosofie zonder zijn baan op te geven.

Ja, dat is allemaal leuk en aardig, maar dat stuk is natuurlijk maar een geschreven weergave van een interview, waarin een ironisch grapje zomaar ineens tot een teken kan worden van opgeblazen zelfingenomenheid.

Dus moest ik dit boek lezen. En constateren dat het eigenlijk niet meer inhoud heeft dan het interview.

Nee, de zelfingenomenheid staat er niet in: Unger beweert in het boek niet expliciet dat hij slimmer is dan zijn collega's. Wel valt hij allerlei collega's aan – de beroemdste Amerikaanse filosofen krijgen allemaal een keer een beurt –, maar dat lijkt me iets anders.

Het probleem is vooral dat het zo onduidelijk is waar de aanval over gaat. Unger begint zijn boek met een technisch verschil te maken tussen (concreet) lege ideeën en substantiële ideeën. De laatste gaan over zaken die op de een of andere manier in de tijd bestaan, de eerste niet.  Oké, fijn, waarom niet. De meeste natuurwetenschappen gaan in dat opzicht over substantiële ideeën, want ze zeggen iets over de zich in de tijd ontwikkelende werkelijkheid.

Vervolgens verwijt Unger zijn collega's echter dat ze zich vooral met lege ideeën bezig houden, ideeën die niet onmiddellijk betrekking hebben op de 'concrete' werkelijkheid. Dan is het begrip 'leeg' dus zonder overgang ineens een scheldwoord geworden. Terwijl je natuurlijk kunt zeggen: ideeën over hoe we de zaken die zich aan ons voordoen het beste kunnen bezien, hoe we het beste kunnen nadenken, enz., dat alles heeft ook een zeker bestaansrecht. Unger verwijt de filosofie dus eigenlijk alleen dat ze geen wetenschap is, maar dat is nogal vreemd, een beetje alsof je de literatuur zou verwijten dat ze verslag doet van zaken die helemaal niet echt gebeurd zijn.

In het interview, maar niet in het boek, zegt hij dat filosofie dus ook een soort literatuur is, maar dat lijkt hij eigenlijk als een disqualificatie te zien, het komt op hetzelfde neer als zeggen dat het een spelletje is, een tijdverdrijf. Bovendien verwijt hij de filosofen dan weer dat ze zo wetenschappelijk schrijven, zo weinig toegankelijk. Tja.

Zijn eigen stijl is trouwens opvallend: die is vooral heel levendig, vol details die weinig met het argument te maken hebben en er alleen lijken te staan om de levendigheid te vergroten. (Hij heeft het over een idee van Kripke dat een tafel die van hout is niet net zo goed eerst van ijs kan zijn gemaakt, en dan gaat hij dat beeld van die ijstafel in een ijskamer helemaal invullen, inclusief slagers die op die ijstafel hun hakwerk doen.)

Al met al een curieus boek. Ik kan me voorstellen dat een enkele collega van Unger, voor zover die niet van woede stikt, er wat aan kan hebben om kritisch over het eigen vak na te denken. Maar op de buitenstaander maakt het vooral de indruk van een hoogleraar op leeftijd die enerzijds teleurgesteld is geraakt in zijn idealen uit het verleden, en anderzijds graag de aandacht op zichzelf gevestigd ziet.

Precies zoals mijn vriendin al zei op basis van dat interview.

19.6.14

Willem Otterspeer. De mislukkingskunstenaar. Willem Frederik Hermans. Biografie, deel I (1921-1952). Amsterdam: De Bezige Bij, 2013.

Over deze biografie is nogal mot ontstaan. Die mot is lastig te begrijpen voor wie dit boek leest: aan de ene kant van de mot had je figuren als Max Pam die de auteur Otterspeer verweten allerlei feitelijke foutjes te hebben gemaakt (Hermans heeft zijn paspoort een jaar eerder of later gehaald dan hier gezegd wordt). Aan de andere kant stond de auteur die beweerde dat een goede biograaf boven zulke nietigheden stond.

Het eerste valt niet goed te begijpen omdat je denkt: waar maak je je druk om. Stuur de schrijver een briefje, dan verandert hij het in de volgende druk. Het standpunt van de biograaf valt anderszins moeilijk te begrijpen omdat er in deze biografie toch vooral in de eerste plaats een enorme hoeveelheid feitelijkheden over de lezer wordt uitgestort: welke punten de scholier haalde voor welke vakken, wanneer hij een meisje precies ging ophalen, welke boeken hij tijdens de hongerwinter las.

Dat is allemaal heus interessant, maar groots en meeslepend wordt het niet. Nu ligt dat minstens voor een deel ook aan de hoofdpersoon van dit boek, want Willem Frederik Hermans lijkt me eigenlijk niet zo'n heel interesssant leven te hebben geleid. Zijn ongelukkige jeugd bestond er toch vooral in dat hij niet zo goed met zijn ouders kon opschieten, zijn kunstzinnige baldadigheid als jonge man was dat hij op de rand van het bed van een meisje ging zitten.

Tegelijkertijd was hij een groot romanschrijver, en als een ding duidelijk was: vanaf jonge leeftijd was ook vrijwel alles bij Hermans op dat romanschrijven gericht. Wanneer dit eerste deel eindigt is hij pas 32, maar heeft hij al wel Tranen der acacia's en Ik heb altijd gelijk geschreven, en daarnaast nog enkele briljante verhalen, gedichten en kritieken. In de biografie staan bovendien enkele fragmenten van brieven afgedrukt die vaak naar meer smaken, want formuleren kon de mislukkingskunstenaar wel.

En zorgen dat overal mot ontstond natuurlijk. Tot over zijn graf, door zijn rijbewijs op zo'n onduidelijk moment te halen.

 

16.6.14

Thomas Nagel. Mind and Cosmos. Why the Materialist Neo-Darwinian Conception of Nature is Almost Certainly False. Oxford University Press, 2012.

Dit boek van de beroemde Amerikaanse filosoof Thomas Nagel heeft, net als een eerdere kritiek op de evolutietheorie door de al even beroemde Amerikaanse filosoof Jerry Fodor, veel kritiek over zich heen gekregen. Lees het internet er maar op na: er wordt nog net niet helemaal expliciet gezegd dat die Nagel nu wel echt een seniele oude man geworden is. Maar het scheelt niet veel.

Wat vindt Nagel? Volgens hem zijn er grote problemen met het materialistische naturalistische wereldbeeld dat de meeste wetenschappers impliciet lijken aan te hangen: het idee dat de werkelijkheid uiteindelijk helemaal verklaard kan worden in termen van enorm complexe interacties tussen de kleinste fysieke deeltjes: scheikunde wordt tot natuurkunde, biologie wordt tot scheikunde, psychologie wordt tot biologie. Ook het menselijk bewustzijn is volgens dat wereldbeeld uiteindelijk alleen maar te verklaren uit de enorm complexe interactie van talloze elementaire deeltjes.

Sommige van die problemen die Nagel noemt zijn moeilijker te volgen dan andere, en waarschijnlijk ook daarom vaak vooral het doelwit van hekel bij zijn critici. Zo lijkt hij herhaaldelijk te zeggen dat het naturalistische wereldbeeld teveel in conflict is met zijn intuïties: het voelt bijzonder om bewust te zijn, hoe zou dat ooit door die deeltjes verklaard kunnen worden? Je kunt daar makkelijk tegenin brengen dat het soms ook zo voelt alsof het perron begint te rijden wanneer je in de trein zit, en hebben mensen in het algemeen allerlei volkomen verkeerde intuïties over van alles en nog wat. Sterker nog: de natuurwetenschap zit vol met tegenintuïtieve aannamen die toch lijken te werken.

Een veel sterker argument, misschien wel het enige echt sterke, voor mij, komt uit het domein van de rede. De menselijke ratio zou volgens het naturalistische wereldbeeld ontstaan moeten zijn uit de evolutie: mensen die logisch konden nadenken hadden meer kans op nakomelingen. Het probleem is nu dat we tegelijk moeten aannemen dat die ratio enorm krachtig is en op de een of andere manier achter de waarheid kan komen: de natuurkunde en de evolutionaire biologie kan uitvinden. Maar wat voor evolutionair voordeel heeft de mens bij zo'n krachtige logica? Uiteindelijk bijt de redenering zich dus in de staart: om de ratio te verklaren hebben we de biologie nodig. Maar die biologie steunt uiteindelijk helemaal op de ratio.

Of misschien is het volgende een ander punt. Dan is dat ook vrij sterk, vind ik. Sinds Descartes weten we (nou ja) dat het enige waar ik echt zeker weet is dat ik denk. De rest kan allemaal op illusie en bedrog berusten: wat ik meen te zien, te horen, te ruiken. Maar dat ik denk, dat kan echt geen bedrog zijn. En precies dat, dat denken, is volgens het naturalistisch wereldbeeld eigenlijk een ongelukje in de evolutie: het had net zo goed niet gebeurd kunnen zijn.

Nu is een zwak punt van Nagel dat hij, zoals hijzelf omstandig toegeeft, niet echt een alternatief heeft. Ja, teleologie. Zoals Aristoteles meende dat een steen naar beneden viel en stoom omhoog ging omdat alles zijn natuurlijke plaats had, zo wil Nagel een principe in de wetenschap introduceren dat zegt dat de kosmologische ontwikkeling wel in de richting van het leven moest bewegen, en het leven in de richting van bewustzijn en redelijkheid. Maar hoe dat principe eruit zou moeten zien, en wat voor probleem het uiteindelijk op zou lossen, daar komt Nagel ook niet uit.

En toch, toch is het probleem van de rede er. Critici zeggen: ja, maar al ons weten is dan ook maar voorlopig, de rede is niet perfect. Maar dat laat voor Nagel natuurlijk alleen maar zien dat het materialistisch naturalisme nooit een dogma kan zijn. En ik geloof dat hij daar gelijk in heeft.

8.6.14

Arthur Conan Doyle. A study in scarlet. 1887.

Dit eerste boek over Sherlock Holmes is een totale mislukking, en dat op een interessante manier: het laat zien hoe een genre ontstaat.

In dit boek ontmoet Dr. Watson zijn kamergenoot Holmes voor de eerste keer, en is er meteen getuige van hoe deze een moord oplost. Een man ligt badend in andersman bloed dood in een kamer, en uit de omstandigheden ter plekke (het stof, de manier waarop het woord RACHE in bloed op de muur is geschreven, en dat soort details) leidt Holmes binnen de kortste keren af wat er aan de hand is: de man moet een Mormoon geweest zijn die zich vergrepen heeft aan een jong meisje. Dit was een wraakneming door de man een vergiftigde pil te laten slikken. Holmes blijkt ineens zelfs de naam van de man te weten.

Dat is de eerste reden waarom A study in Scarlet mislukt is: Holmes blijkt wanneer hij het raadsel ontsluiert ineens over allerlei kennis te beschikken waarover jij als lezer niet beschikt. Dat voelt als verraad. De tweede reden is dat er onmiddellijk nadat Holmes de identiteit van de dader onthuld heeft (zonder te zeggen waarom hij dat weet) ineens vele hoofdstukken lang het verhaal van de Mormoonse gemeenschap wordt verteld, zonder dat je op dat moment weet wat dit alles te maken heeft met wat er in Londen is gebeurd. Dat wil je op dat moment helemaal niet weten! Ik niet, in ieder geval – ik wil weten hoe Holmes het allemaal heeft gedaan.

Tegelijkertijd kun je zien waarom Conan Doyle toch op die onthulling door is gegaan. Holmes is meteen een zeer interessante figuur: iemand die alles op alles heeft gezet om misdaden op te lossen; hij is niet alleen heel intelligent met zijn deducties, maar hij beschikt ook over specifieke encyclopedische kennis op het gebied van de geschiedenis van de misdaad, ongeveer zoals een schaakgrootmeester duizenden openingen kent. Andere zaken interesseren hem niet: Watson komt erachter dat Holmes eigenlijk niet weet dat de aarde om de zon draait, en dat hem dit ook niets uitmaakt. Daar valt toch nooit een misdaad mee op te lossen.

Holmes is daarmee een prototypische beroepsidioot – zijn enige andere activiteit is vioolspelen, dat hij gebruikt om na te denken. Ik ken de literatuur op dit vlak niet, maar ik kan me voorstellen dat hij wat dit betreft misschien wel een van de eerste is. Openlijke eer kan hem daarbij nog niet eens zoveel schelen – die gaat uiteindelijk naar de wat suffe politieagenten die op de zaak zaten.

Die man, daar zat meer in, moet Conan Doyle gevoeld hebben. En toch heeft hij hem uit A study in scarlet gered.

Download van Gutenberg.

Rogi Wieg. Afgekapt dichtwerk. Amsterdam: Inde Knipscheer, 2014.

Het eerste gedicht van de nieuwe bundel van Rogi Wieg heet 'takken die geen takken zijn' en fungeert als een soort single voor de bundel: hij duikt op allerlei plaatsen op. Dat is ook terecht, want het gedicht wordt een klassieker, wat ik je brom. Hier gaan generaties van geleerden, liefhebbers en schoolkinderen zich nog het poezelige hoofdje over breken:

Takken die geen takken zijn

Er zijn meer vragen dan liefdes en klanken in
de kleine tuinen van gewone en ongewone mensen.
Woorden zijn de nog niet verschroeide heksen
die benoemen wie in dit leven anders
is dan een wandelende tak. Woorden downloaden
liefdes. Maar het blijft weinig werkelijkheid.
Er blijven altijd meer vragen dan woorden,
neem dat maar aan van het woord ‘dichter’.

Het gedicht kondigt van alles aan uit de rest van de bundel; in de eerste plaats natuurlijk de moeizame relatie van taal met de werkelijkheid. Die taal neemt hier de vorm aan van 'woorden', die allereerst 'nog niet verschroeide heksen' zijn, en dan aan het downloaden slaan, maar het blijft allemaal vele stappen verwijderd van wat er écht aan de hand is.

Werkelijk zijn: liefdes en takken (en mogelijk klanken in kleine tuinen, daar wil ik even vanaf wezen). Wandelende takken zijn takken die geen takken zijn, daar verwijst de titel naar. Maar de woorden zijn in hun nognietverschroeideheksengedaante bezig met benoemen wie er ánders is dan een wandelende tak, dat wil zeggen anders dan een tak die geen tak is. Je zou nog kunnen zeggen: dat zijn dus echte takken, maar het gaat erom wie zo is. En wie verwijst altijd naar mensen, nooit naar takken. Dus benoemen die heksen mensen die enkele stappen verwijderd zijn van de werkelijkheid. Nu zijn heksen zelf ook al sprookjesfiguren, en in dit geval staan ze kennelijk ook nog op het punt van verschroeien.

Niet-bestaande, bijna verloren gaande personen benoemen wie net-niet zijn zoals namaakwezens. Zo goed kun je met taal de werkelijkheid aanraken.

In de volgende zin wordt dat nog een keer gezegd, maar nu veel aardser en directer en minder poëtisch, met woorden erin als downloaden.

En terwijl die woorden er niks van bakken, zijn ze ook nog eens kleiner in aantal dan het aantal vragen dat je zou kunnen stellen. En zelfs degene van wie de woorden in het gedicht allemaal komen blijkt geen werkelijke levende persoon. Ook hij is niet meer dan een woord, 'dichter'.

Elders in de bundel zet dat woord 'dichter' nog allerlei andere middelen om wel aan de waarheid te kunnen raken. De godsdienst bijvoorbeeld ('ik besta vanuit een God / het was een job rapido van hem om mij te maken'; geen idee waar job rapido op slaat, ik kan alleen een uitzendbureau vinden dat zo heet). Of de exacte wetenschappen:

Ik tel van honderd naar nul. Zoek
priemgetallen, 41, 19, 5. Is de mens
alleen deelbaar door zichzelf en 1?
Worden we een lelijke botbreuk als
je ons door God deelt?

Het rare is, dat het ondanks al die afstand die er wordt geschapen, toch niet dor en droog en, eh, afgekapt, wordt, in deze bundel. Je ziet achter dat woord 'dichter' toch een man voor je, die net als jij wanhopig probeert iets dichterbij te komen, die staat te beuken op de taal en God en de priemgetallen, omdat hij naar binnen wil.

Dat komt natuurlijk ook doordat er in deze bundel niet álleen maar aan de tralies wordt gemorreld. Er zijn een aantal gedichten over de 50e verjaardag en het 30-jarige jubileum als dichter, er zijn gedichten over allerlei andere dichters, zoals René Stoute, Gerrit Achterberg en Attila József (de dichter van een bundel met de naam 'Het doet zo'n pijn'), en er is zelfs een wonderlijk naief sonnetje voor een meisje dat bar mitswa doet ('Je was een baby, een meisje / nu ben je een beginnend vrouwtje. / Je klimt omhoog aan een touwtje / dat wij 'tijd' noemen,').

Het komt ook denk ik hierdoor: je ziet de dichter wanhopig proberen iets te zeggen, en daardoor krijg je in de gaten dat er inderdaad iets te zeggen is, iets, wat uiteindelijk niet echt gezegd kan worden, maar dat jij natuurlijk net zo goed weet. Al kun jij, namaak-wandelende tak, het ook niet zeggen.

7.6.14

Corrado Augias en Mauro Pesce. Inchiesta su Gesù. Chi era l'uomo che ha cambiato il mondo. Mondadori, 2006

Ik heb al heel wat boeken over Jezus van Nazareth gelezen, maar inmiddels is het geloof ik wel een beetje genoeg. Uit dit boek, dat geschreven is door de journalist Corrado Augias en de bijbeldeskundige Mauro Pesce, begon ik te begrijpen dat ik inmiddels wel zo'n beetje weet wat er te weten valt.

Nu is dat ook niet zoveel. We hebben eigenlijk alleen de evangelieën, en een paar niet in de bijbel opgenomen teksten. Al die verhalen zijn minstens enkele tientallen jaren na Jezus' dood geschreven, en allemaal met een eigen politiek of religieus doel. Het aantal feiten waarover we zeker kunnen zijn, is dan ook beperkt: een man, die ergens begin jaren dertig door de Romeinen gekruisigd was, een joodse man met een radicale boodschap.

Toch is Inchiesta su Gesù weer een beetje anders dan de andere boeken die ik gelezen heb – bijvoorbeeld doordat het geen duidelijke en eenduidige interpretatie probeert te geven van wie Jezus is. De journalist Augias en de wetenschapper Pesce zijn allebei vooral geïntrigeerd door de feiten. Waar in andere boeken onvermijdelijk bepaalde passages in sommige bijbelboeken worden genegeerd, of anders afgedaan als minder belangrijk, of historisch minder juist, of gekleurd, nemen Augias en Pesce bij wijze van spreken iedere passage even serieus.

Het resultaat is vooral een veelzijdig beeld – van de joodse Jezus, van Jezus de wonderdoener, van Jezus de man onder de mannen, van Jezus de opstandeling, en zo voorts –, waarbij niet gekozen wordt tussen alle beelden die er al in de eerste eeuw van Jezus gemaakt worden. Er wordt niet geprobeerd de kleine opstandige joodse man onder alle mythologieën weg te blazen: die man is net zo goed een facet van de figuur als de Messias.

De vorm van het boek vond ik in eerste instantie wat wonderlijk: het is een 200 pagina's tellend interview van Augias met Pesce: korte, cursieve vragen en wat langere antwoorden. Waarom zo'n interview? Waarom de antwoorden niet aaneengeschreven en tot een lopend verhaal gemaakt? Maar uiteindelijk werkt die vorm juist goed, het maakt het makkelijker te accepteren dat hier geen compleet beeld geschetst wordt, maar slechts facetten worden getoond. Een objectieve journalist vraagt een wetenschapper hoe de stand van zaken in zijn vakgebied is. (Al had ik geloof ik wel iets meer over Pesce te weten willen komen.)


David Hume. An Enquiry Concerning Human Understanding. 1748.

Wat kun je weten? Wat kun je zeker weten? Ach. Ik dacht te weten dat David Hume nu niet echt een filosoof voor mij was. Ik ben herhaaldelijk in Edinburgh geweest, ik heb er zijn beeld gezien. Ik vond het beeld lelijke en dacht dat Hume een wat minderwaardige zoon van die stad was: een empirist! Iemand die denkt dat we alleen de dingen kunnen weten door zintuiglijke waarneming! De vader van het meten is weten-achtige denken. Een domkop.

Maar de laatste tijd hoorde ik toevallig verschillende mensen heel positief praten over Hume. En dus besloot ik zijn korte, min of meer populariserende boek An Enquiry Concerning Human Understanding te lezen. Ik werd erdoor overweldigend, ik heb me al die jaren vergist.

Vrijwel aan het begin van zijn Enquiry grijpt Hume me meteen beet. Hij wijst erop dat een rechtstreekse ervaring altijd veel levendiger is dan bijvoorbeeld een herinnering aan die ervaring, of een voorstelling ervan. Ik kan me herinneren dat ik kiespijn had, maar zo heftig als die kiespijn kan ik die herinnering niet maken. Ik kan ontroerd raken door het verhaal over iemand die zijn vrouw verliest, maar hoe goed geschreven dat boek ook is, zo ontroerd raak ik nooit.

Het laat natuurlijk niet zien dat de rechtstreekse ervaring nu meteen de werkelijke waarheid ongefilterd doorgeeft. Maar wel dat hij altijd beter doorvoeld is dan wat je kunt bedenken. Zo zit het boek vol kleine, sprekende voorbeelden.

Wat ook fijn is: dat het boek je uitnodigt om Hume steeds tegen te spreken, het niet met hem eens te zijn. Hier wordt geen gesloten systeem gepresenteerd, hier wordt een essay geschreven, waar zelfs een eenvoudige geest als de mijne enkele eeuwen later van kan menen dat hij er nog aan bij kan dragen.

Hume zegt bijvoorbeeld dat je nooit in wonderen moet geloven, omdat de kans dat degene die je het wonder vertelt liegt altijd veel groter is dan de kans dat zo'n wonder is gebeurd. En van twee onwaarschijnlijke scenario's moet je altijd de minst onwaarschijnlijke nemen. De vraag is echter hoe je aan die waarschijnlijkheidsrekening komt, zeker in het geval van wonderen. Hoe kun je bepalen hoe waarschijnlijk of onwaarschijnlijk een gebeurtenis is waarvan je maar één voorbeeld kent? (Is iedere gebeurtenis niet in zekere zin uniek en nooit eerder voorgekomen? Ik heb deze zin bijvoorbeeld nog nooit eerder opgeschreven: een wonder?)

Wat goed dat die mensen de laatste tijd zo positief spraken tegen mij over Hume. Nu heb ik mezelf weer een beetje kunnen uitbreiden. De volgende keer dat ik in Edinburgh ben, ga ik even naar zijn standpunt kijken: dat is vast prachtig.


Downloaden van Gutenberg

1.6.14

Isa Hoes. Toen ik je zag. Artemis & Co, 2013.

Ik ken Isa Hoes. Een beetje. Of nou ja, ik heb op dezelfde lagere én dezelfde middelbare school gezeten in Den Bosch als zij. Een jaar zaten we zelfs in dezelfde klas – omdat de vierde en de vijfde waren samengevoegd in hetzelfde lokaal (bizar, ik weet eigenlijk niet meer precies hoe dat ging). Niet dat ik me veel van haar herinner, maar ze was toen al op de een of andere manier een soort beroemdheid, vanwege haar moeder die een tamelijk bekende politicus was in de stad en bovendien een nogal prominente aanwezigheid waar ze ook maar verscheen, en ook wel een beetje doordat Isa zelf de aandacht wist te trekken. Er moeten exemplaren zijn van de schoolkrant van het St. Janslyceum waar we allebei instaan – maar ik heb die niet.

Ik kan niet zeggen dat ik Isa's carrière op de voet heb gevolgd. Ik heb ooit de eerste aflevering van Goede Tijden Slechte Tijden gezien; daar heb ik het bij gelaten. Ik wist wel dat ze getrouwd was met een andere acteur uit die serie, en dat die acteur zelfmoord pleegde. De krant wijdde daar een voorpagina aan.

Hoes heeft nu een boek geschreven over haar leven met die man, Antonie Kamerling. Ik heb ernaar geluisterd als luisterboek, waarop ze het zelf, ingehouden, voorleest. Ik vond het bijzonder ontroerend en indrukwekkend.

Toen ik je zag is een boek over twee mensen. Zij is een Bossche die op school heel onzeker is, maar niets anders wil dan toneelspelen; iemand die onzeker is, zich door haar moeder niet begrepen voelt, en daarom graag op het toneel wil staan. Iemand die de Havo maar met heel veel moeite afmaakt, maar voldoende praktisch verstand heeft om zich te handhaven. Hij is een jongen die rechten gaat studeren, maar die graag een beetje op de piano pingelt en bij toeval vanwege zijn charisma bij de soap terechtkomt. Ze vallen voor elkaar in het kleine kringetje van jonge acteurs die ineens overvallen worden door de populariteit – GTST was de eerste echt Nederlandse soap ooit.

Het is een verhaal van twee mensen die allebei enigszins ambitieus zijn, zij het ook weer niet té (hoewel ze er in verloren minuutjes wel over dromen om in Amerika te gaan werken, zetten ze geen serieuze stappen); mensen die verwend zijn door het succes op jonge leeftijd, maar later toch wel een beetje tegen de grenzen van hun talent oplopen. Van een vrouw die zich losworstelt van haar moeder. Van een man die gaandeweg wegglijdt in steeds ernstiger wordende manisch-depressieve perioden, en daarbij alle hulp weigert. Die ruzie maakt met zijn vrouw, die wegglijdt van zijn vrouw, die af en toe dan toch ineens weer de lieve, attente man is – en die dan een einde aan zijn leven maakt.

Het is een ontroerend verhaal omdat het droog is opgeschreven, zonder veel pathetiek en zonder veel stijlmiddelen. Sterker nog, het wordt gaandeweg, vermoedelijk deels onbedoeld, duidelijk dat de schrijfster het bijzonder moeilijk vindt om gevoelens te benoemen. Wanneer mensen lachen, of zich prettig voelen bij elkaar, of zich van hun zonnige zijde laten zien, of uitgelaten zijn, schrijft Hoes iedere keer weer dat ze "de grootste lol" hebben. Wanneer ze kinderen moet krijgen, of in een nieuw huis gaat wonen, of een relatie verbreekt, is dat telkens "spannend". Dat zijn allemaal heel moderne woorden, woorden die veel gebruikt worden door een bepaalde generatie (de mijne) en die dus veel afdekken.

En die precies door dat afdekken in dit geval veel onthullen: je hebt het gevoel dat je met de schrijfster meedenkt over wat er mis gaat, dat jij als lezer sommige dingen misschien duidelijker ziet dan zij. Totdat er ineens het verschrikkelijke gebeurt dat ook jij niet had kunnen voorzien of voorspellen, maar dat zij in ieder geval weet te accepteren.

Toen ik je zag is een verhaal over een vrouw die haar onzekerheid lang heeft verborgen achter een soort hooghartigheid en die een man heeft gevonden van wie ze zielsveel moet hebben gehouden. Een man die ze in zijn laatste periode niet begrepen heeft, waar ze zich nu schuldig over moet voelen.

Vermoedelijk komt de ontroering natuurlijk ook wel doordat ik Isa Hoes een beetje ken, doordat ik herinneringen aan haar heb. Het zijn er maar een paar (in een ervan zat ze in de klas een prinsesje te tekenen), maar ineens worden die herinneringen nu verbonden aan die van een vrouw van mijn leeftijd die iets heel ergs heeft meegemaakt. Het is raar en vreemd en aangrijpend om te zien dat andere mensen parallel aan het jouwe een leven hebben geleid dat in allerlei opzicht anders was, waarin heel andere keuzes zijn gemaakt, en dat toch op hetzelfde neerkomt: eindeloos getob.

Maar wat kan mij het schelen: andere mensen moeten Toen ik je zag maar om hun eigen redenen lezen. Of niet. Het is een hartverscheurende geschiedenis over iemand die je je leven lang op de achtergrond hebt waargenomen en die nu ineens een mens blijkt te zijn.