28.3.05

Tonino Benacquista. Quelqu'un d'autre

Tonino Benacquista. Quelqu'un d'autre. Paris: Gallimard, 2002.

Twee mannen komen elkaar tegen op de tennisbaan, spelen een wedstrijd en zakken daarna door. In hun dronkenschap besluiten ze dat ze elkaar over drie jaar weer zullen ontmoeten, maar dat ze dan geworden zijn wie ze altijd al wilden worden: iemand anders, de man van hun dromen. De een verdwijnt uit zijn leven van lijstenmaker, meet zich een nieuw gezicht aan en wordt prové-detective. De ander ontdekt de verlokkingen van de wodka en de vrouw van zijn dromen, en doet en passant een uitvinding die hem slapende rijk maakt.

Dit is een voorbeeld van een onwaarschijnlijk genre - een literair feel-goodbook over de midlife crisis, geschreven door een Fransman met een Italiaanse naam. Maar het is al die dingen: literair omdat het zo goed geschreven is en ieder persoon op zijn eigen wijze iets van het thema -- ‘Al siet men de luy men kensse niet' -- laat zien; feel-good omdat er werkelijk helemaal niets misgaat, tot in het absurde toe, zelfs als je doodgeschoten wordt, sta je daarna nog op; en midlife omdat het niet alleen gaat over twee mannen van rond de veertig, maar vooral over twee mannen die binnen een paar jaar hun doel verwerkelijken en voor de rest van hun leven degene worden die ze altijd al wilden zijn. Op het omslag en ook in sommige recensies op het Internet wordt gesuggereerd dat er onder deze onbezorgde verwisseling van identiteit een donkere onderstroom zit: kun je wel ongestrafd iemand anders worden? Blijft je verleden je toch niet achtervolgen? Ik heb van die onderstroom weinig gemerkt. Heel even zou je misschien kunnen denken dat de privé-detective even spijt krijgt, als hij merkt dat zijn boekhoudster altijd veel meer van hem gehouden heeft dan ze ooit heeft laten merken. Maar die spijt drukt hij effectief de kop in, om verder te gaan met het leven van zijn keuze.

21.3.05

Ingmar Heytze. Schaduwboekhouding

Ingmar Heytze. Schaduwboekhouding. Gedichten en miniaturen. Amsterdam: Podium, 2005.

Ik denk dat Ingmar Heytze onderschat is, al weet ik niet zo goed waarom. Deze bundel vind ik in ieder geval prachtig, prachtig, prachtig. Toen ik Heytzes vorige bundel gelezen had (met gedichten over filosofen), schreef ik dat ik hoopte dat er snel een 'echte bundel' zou komen. Die is er nu. En hoe!

Het is vooral een bundel over de gewone, alledaagse liefde. Dat is een kneuterig onderwerp, maar Heytze maakt er iets prachtigs en ontroerends van. Het lijkt iets te zijn van samen slapen -- en dan echt slapen, met de oogjes toe, al wordt er af en toe ook nog wel iets gezegd:

M. schudt me wakker en vraagt:
'Meuwefe wazzemas agelef draam?'
of iets anders wat ik niet eens
bij benadering kan verstaan.

Misschien onderschat Heytze zichzelf wel door van die kleine onderwerpen te nemen. Nee, dat is onzin. Ik denk dat hij hier precies de beste onderwerpen voor zichzelf heeft. Het is ook prettig, zo'n dichter die met je meegroeit. Heel fraai vind ik ook de 'miniaturen', de prozagedichten die de tweede helft van het boek vormen:

Iemand die het nog niet wist vroeg aan M.: 'Hoe gaat het met je moeder?'

'Goed', zei M., 'ze is schilder geworden. Ze doet tegenwoordig onze zonsondergangen.'

Op de website van de dichter staat eenvoorproefje (pdf-bestand).

Jan Wolkers. Zomerhitte.

Jan Wolkers. Zomerhitte. Stichting CPNB, 2005.

Een fotograaf bewondert de natuur en een vrouw op een (wadden-)eiland, en wordt zo gaandeweg getuige van drugssmokkel door een minimale bende, die bestaat uit de vrouw en twee mannen. Eind goed, al goed: de mannen gaan dood, de vrouw gaat met de fotograaf op 'huwelijksreis' naar Zuid-Frankrijk.

Merkwaardig: dat de hoofdpersoon herhaaldelijk aan andere personen vertelt wat hij heeft meegemaakt: iets wat je zelf ook al gelezen had, behalve dat de fotograaf er elke keer weer een draai aan geeft. Het zal wel over realisme gaan.

Als een oude schrijver na jaren van zwijgen ineens weer opduikt, kun je dat werk vergelijken met zijn oudere werk (ik heb eigenlijk ook alleen het oudste werk gelezen: Kort Amerikaans, Serpentina's Petticoat, Terug naar Oegstgeest, Turks fruit .) Maar opvallender vond ik de gelijkenis met andere schrijvers.

Het meest in het oog springt de overeenkomst met Maarten 't Hart, bijvoorbeeld met diens laatste boek Lotte Weeda. Als je ze gaat opsommen zijn de overeenkomsten zelfs verbijsterend: twee misdaadromans, twee hoofdpersonen met obsessies voor de natuur, voor kunst (beeldende kunst of muziek), voor vrouwen en vooral voor de natuur. Uitwijdingen als de volgende zouden uit allebei de oeuvres kunnen komen (een veldwachter spreekt):

[M]omenteel heb ik iets bijzonders onder mijn hoede. Een broedende velduil. Over die duinenrij daar is een dal met duindoorns en lage begroeiing. Daar broedt een velduil. Dat heb ik in jaren niet meer meegemaakt. Er is ook weinig prooi voor ze. Konijnen zijn een zeldzaamheid geworden sinds het VHS-virus ze heeft gedecimeerd.

Natuurlijk, Wolkers besteedt veel meer aandacht aan kots en seks, maar toch vertegenwoordigen deze twee heren de stroming van het vitalisme, het houden van het rauwe leven én van boeken en kunst.

Op een paar plekken klinkt trouwens ook een andere toon. Op bladzijde 74 laat Wolkers iemand zeggen:

En nu gaan we koffie drinken. Het is me zelfs gelukt om zonder doopsel van koffieroom u een kop koffie te offreren.

Dat soort in de mond leggen van diepzinnigheden over alledaagsheden (koffieroom een doopsel noemen), dat associeer ik met A.F.Th. van der Heijden -- maar die zou ik weer niet zo vitaal willen noemen.

Zijn 't Hart en Van der Heijden beïnvloed door Wolkers? Of heeft deze zich op zijn beurt door zijn jongere collega's laten inspireren? Wie zal het zeggen. Nauwkeurig overlezen van het oudere werk zou uitsluitsel kunnen geven. Waarschijnlijk lijkt mij dat het allebei de kanten op is gegaan: Wolkers heeft zijn invloed gehad, en die invloeden bij anderen ook weer opgeslorpt.

19.3.05

Wim Emmerik en Giselle Meyer. Bewogen. FIlmgedichten in gebarentaal

Wim Emmerik en Giselle Meyer. Bewogen. FIlmgedichten in gebarentaal. Amsterdam: Rubinstein: 2005.

In de Nederlandse gebarentaal kan ik hallo! zeggen, vertellen wie ik ben en in welke stad ik woon, en een kopje thee bestellen. Dat is nauwelijks het niveau waarop je gedichten kunt begrijpen -- met talen die ik veel beter spreek heb ik het wat dit betreft wel moeilijk. Toch is dit een mooie dvd: omdat alles zo mooi en met zoveel zorg is uitgevoerd, de filmpjes, het begeleidende boekje, de vertalingen, maar toch ook omdat die gedichten op een bepaalde manier inderdaad mooi zijn om te zien. Bovendien legt Wim Emmerik in een filmpje heel duidelijk en aantrekkelijk uit op welke principes gebarentaalpoëzie gebaseerd is. Poetry International gaat dit jaar speciale aandacht besteden aan gebarentaalgedichten. Ik ga zeker luisteren!

Tommy Wieringa. Joe Speedboot

Tommy Wieringa. Joe Speedboot. Amsterdam: De Bezige Bij, 2005.

Er wordt wel beweerd dat je je spieren al kunt trainen door alleen maar aan lichamelijke activiteit te denken. Als dat zo is, heb ik sinds ik Joe Speedboot gelezen heb, een enorm krachtige rechterarm ontwikkeld. De verteller, Frans Hermans ofwel François le Bras, kan sinds een ongeluk geen lichaamsdeel meer controleren, behalve zijn rechterarm. Met die ene arm moet hij het leven pakken, en dat doet hij ook uit alle macht: hij draait er papierbriketten mee, schrijft de geschiedenis van zijn dorp Lomark en wordt een succesvol armworstelaar.

De geschiedenis gaat vooral over een jongen die als nieuwkomer het dorp inkomt, die bommen maakt en een echt werkend vliegtuig, en die zichzelf een naam gegeven heeft: Joe Speedboot. Ook Fransjes carrière als armworstelaar geschiedt onder aanvoering en training van Joe.

Doordat de personages zo excentriek zijn, doordat een ervan lichamelijk gehandicapt is, doordat het (arm)worstelen er zo'n belangrijke rol in speelt, doordat er zo'n sterk vitaal gevoel uit spreekt, doet Joe Speedboot me af en toe denken aan de boeken van John Irving, waarin die ingrediënten ook allemaal een rol spelen. Toch is de sfeer anders, Hollandser, je voelt het leven in een dorp aan de rivier:

- Dag jongen, zegt ma wanneer ze 's morgens binnenkomt. Eerst maar 's een lekker bakje.

Daartoe brengt zij een thermoskan van verbleekt plastic mee waaruit zij sterke koffie schenkt. Koffie drink ik met een rietje, evenals andere hete dranken die brandwonden veroorzaken wanneer ze omvallen in je schoot. Het liefst heb ik rietjes met ribbels die zich laten buigen tot een hoek van vijfenveertig graden. Ma heeft mijn bed opgemaakt en komt aan tafel zitten.

15.3.05

Ben Elton. Past mortem

Ben Elton. Past mortem. London: Bantam Press, 2004.

Een vrijgezelle privé-detective gaat via internet op zoek naar verloren liefdes van de middelbare school en komt zo in aanraking met hun mislukte levens. Hij merkt dat sommige mensen nooit van die middelbare school los komen; ook in zijn werk, waar hij ontdekt dat er een seriemoordenaar aan het werk is die allerlei voormalige pestkoppen op een gruwelijke manier vermoordt: door precies dat te doen wat zij ooit hun slachtoffers aandeden, tot de dood erop volgt. Dat raakt ook aan zijn eigen leven, want hij gaat ondertussen naar bed met zowel het populairste meisje van zijn klas indertijd, in de jaren tachtig, als met een punkerig meisje dat hij indertijd als zijn beste vriendin beschouwde. De laatste blijkt getreiterd te zijn door de eerste, en de eerste moet dit nu met de dood bekopen. De seriemoordenaar vindt zijn slachtoffers via het Engelse equivalent van schoolbanken.nl, waar sommige scholieren hun beklag doen over het gedrag van anderen.

Nu heb ik warempel een Engelse detective gelezen, met zo'n echt Britse Detective Inspector met al zijn frustratietjes en wanhoopjes die het raadsel uiteindelijk toch nog ontsluiert. Een waarbij je de ontknoping al ver van te voren ziet aan komen bovendien. Een die wordt opgeluisterd met zeer onsmakelijke moorden en zo mogelijk nog onsmakelijker seks. Toch leest het boek als een trein, ik heb het in anderhalve avond uitgelezen en zodra er een nieuwe Ben Elton is grijp ik er ook naar. Hij schrijft grappig en onderhoudend en er is weinig waar je over valt omdat het zo onlogisch is of raar opgeschreven. (Het vorige boek dat ik van hem las was Popcorn).

Bill Bryson. A short history of nearly everything.

Bill Bryson. A short history of nearly everything. London: Black Swan, 2004.

In vijfhonderd pagina's (pocketeditie) beschrijft Bryson de geschiedenis van het universum, van de wereld, van het leven op aarde en van de voorouders van de mens.

Op het omslag staat de volgende aanbeveling:

He never loses sight of his subject's power to astonish; he has a nose for the sort of fact that causes people to open their mouths wide in wonder. Every single page of his book contains three or four utterly bizarre facts... Deserves to sell as many copies as there are protons in the full stop that ends this review (at least 500,000,000,000).'
Craig Brown, Mail on Sunday

Dat slaat de spijker op de kop, niet alleen omdat het beschrijft wat je aan dit boek kunt bewonderen — iemand anders noemt het een bravourestukje, het is het populair-wetenschappelijke boek dat alle andere populair=wetenschappelijke boeken overbodig moet maken &mdash maar ook wat er uiteindelijk zo vermoeiend aan is. Het wetenschappelijke bedrijf is voor Bryson een parade van zeer excentrieke figuren die onder de onmogelijkste omstandigheden de vreemdste ontdekkingen doen. De hele tijd wordt je om de oren geslagen met vreemde feiten. Maar het is een beetje vermoeiend om honderden pagina's lang met je mond open te zitten en ook de humor is een beetje luidruchtig.

Bovendien kom je alle truukjes tegen uit de populair-wetenschappelijk trukendoos, maar dan zo copieus opgediend dat ook dat allemaal te veel wordt: al die grapjes over de verschillen tussen Engelsen en Fransen, al dat droge commentaar op het gebruik van geleerde woorden in geleerde teksten, al die pogingen de hele tijd om heel grote getallen aanschouwelijk te maken -- dat van die protonen in de punt is er een treffend voorbeeld van, 'als alle sterrenstelsels in het universum doperwtjes zouden zijn, kon je er de Royal Albert Hall mee vullen.

Er valt veel te leren uit dit boek, want Bryson heeft ontegenzeggenlijk heel veel populair-wetenschappelijke boeken gelezen (als het doperwtjes waren...) Het valt ook niet te ontkennen dat hij onderhoudend schrijft, maar je moet het niet allemaal achter elkaar lezen. En hierna heb je ook wel behoefte aan weer een wat serieuzer populair-wetenschappelijk boek. (Het vorige boek dat ik van Bryson las was Aantekeningen uit een groot land. Ik was trouwens vergeten dat dit dezelfde schrijver was, tot ik zijn biootje las op de cover.)

4.3.05

Erik Menkveld. Prime time.

Erik Menkveld. Prime time. Amsterdam: Van Oorschot, 2005.

Zijn vorige bundel heb ik aan heel veel mensen cadeau gegeven, maar met de nieuwe Menkveld zal ik dat niet zo snel doen. Het is wat minder woest allemaal, wat bedaagder en vooral wat minder vrolijk. Een gedicht -- een gelegenheidsgedicht -- is een uitzondering. Dat wilde ik aan 1 persoon cadeau doen, en dat heb ik ook gedaan.


Zo'n vriendschap


Zo'n vriendschap die zich aanvankelijk even
verliefd waant niet lang alsof een jonge eik
zich even roos zo'n jong begonnen vriendschap
toevallig ontsproten aan een onvoorziene
avond eten onvoorziene disgenoten jong
beginnend allemaal collega's gelachten dat we
toen en later vaak ook weer weet jij nog waarom
iets met omgestoten water ijsklontjes
op iemands ik geloof mijn schoot

zo'n vriendschap die huisraad een huwelijk
uit helpt takelen bel me als je het niet meer dag
en nacht wat je nooit deed toen tot mijn spijt
geloof ik achteraf zo'n vriendschap die soms
even zit te eten of in zeeland is maar altijd graag
omhelst zeepbakjes een roekeloos nieuw huis
in schroeft spreekt op de volgende roekeloze
bruiloft de laatste de beste zo'n vriendschap

die soms even onder de voet door carrièrestappen
directeurschappen raken kan de kinderen schrijven
anderzijds maar graag en innig omhelzen blijft
en over ouders weten wil de liefde werk zich
regelmatig voorneemt eens gevieren te gaan
en dat uiteindelijk doet zo'n vriendschap

en hoe anders gekleed gehuwd gehuisvest ook
inmiddels altijd is gebleven en met jeugdig ongeloof
verneemt dat jij nu vijftig en zijn eigen jaarringen
begint te tellen en zich met geen woorden drukte
geschil nog laat vellen zo'n vriendschap?

Erik Menkveld, 2005

Gijs Groenteman. Ischa. Verhalen van verwanten, vrienden en vrouwen

Gijs Groenteman. Ischa. Verhalen van verwanten, vrienden en vrouwen. Amsterdam: Prometheus, 2005.

Het is wel raar dat de tienjarige sterfdag van Ischa Meijer vooral herdacht wordt met zoveel reportages over zijn leven -- een radioprogramma, een televisiedocumentaire en dit boek -- en met zo weinig werk. Nee, dat klopt niet, ik lees ineens dat al zijn radiointerviews op internet komen. Nou, daar gaan we dan naar luisteren.

De man heeft dan ook wel een zeer opmerkelijk leven gehad, of beter nog, een zeer opmerkelijk karakter: tegelijkertijd trouweloos en gezellig, boosaardig en aardig. Daarom kun je er ook geen genoeg van krijgen. Dit boek is in ieder geval mooi gedaan, het bestaat uit aan elkaar gelaste citaten, waarbij je de lassen niet meer ziet. Ik herinner me dat Ischa Meijer zoiets ook weleens geprobeerd heeft, op de radio: dat hij een collage wilde maken van de reacties die mensen via de telefoon op een bepaalde stelling gaven. Maar dit boek is beter.