21.3.05

Jan Wolkers. Zomerhitte.

Jan Wolkers. Zomerhitte. Stichting CPNB, 2005.

Een fotograaf bewondert de natuur en een vrouw op een (wadden-)eiland, en wordt zo gaandeweg getuige van drugssmokkel door een minimale bende, die bestaat uit de vrouw en twee mannen. Eind goed, al goed: de mannen gaan dood, de vrouw gaat met de fotograaf op 'huwelijksreis' naar Zuid-Frankrijk.

Merkwaardig: dat de hoofdpersoon herhaaldelijk aan andere personen vertelt wat hij heeft meegemaakt: iets wat je zelf ook al gelezen had, behalve dat de fotograaf er elke keer weer een draai aan geeft. Het zal wel over realisme gaan.

Als een oude schrijver na jaren van zwijgen ineens weer opduikt, kun je dat werk vergelijken met zijn oudere werk (ik heb eigenlijk ook alleen het oudste werk gelezen: Kort Amerikaans, Serpentina's Petticoat, Terug naar Oegstgeest, Turks fruit .) Maar opvallender vond ik de gelijkenis met andere schrijvers.

Het meest in het oog springt de overeenkomst met Maarten 't Hart, bijvoorbeeld met diens laatste boek Lotte Weeda. Als je ze gaat opsommen zijn de overeenkomsten zelfs verbijsterend: twee misdaadromans, twee hoofdpersonen met obsessies voor de natuur, voor kunst (beeldende kunst of muziek), voor vrouwen en vooral voor de natuur. Uitwijdingen als de volgende zouden uit allebei de oeuvres kunnen komen (een veldwachter spreekt):

[M]omenteel heb ik iets bijzonders onder mijn hoede. Een broedende velduil. Over die duinenrij daar is een dal met duindoorns en lage begroeiing. Daar broedt een velduil. Dat heb ik in jaren niet meer meegemaakt. Er is ook weinig prooi voor ze. Konijnen zijn een zeldzaamheid geworden sinds het VHS-virus ze heeft gedecimeerd.

Natuurlijk, Wolkers besteedt veel meer aandacht aan kots en seks, maar toch vertegenwoordigen deze twee heren de stroming van het vitalisme, het houden van het rauwe leven én van boeken en kunst.

Op een paar plekken klinkt trouwens ook een andere toon. Op bladzijde 74 laat Wolkers iemand zeggen:

En nu gaan we koffie drinken. Het is me zelfs gelukt om zonder doopsel van koffieroom u een kop koffie te offreren.

Dat soort in de mond leggen van diepzinnigheden over alledaagsheden (koffieroom een doopsel noemen), dat associeer ik met A.F.Th. van der Heijden -- maar die zou ik weer niet zo vitaal willen noemen.

Zijn 't Hart en Van der Heijden beïnvloed door Wolkers? Of heeft deze zich op zijn beurt door zijn jongere collega's laten inspireren? Wie zal het zeggen. Nauwkeurig overlezen van het oudere werk zou uitsluitsel kunnen geven. Waarschijnlijk lijkt mij dat het allebei de kanten op is gegaan: Wolkers heeft zijn invloed gehad, en die invloeden bij anderen ook weer opgeslorpt.

Geen opmerkingen: