30.1.06

Albert Sánchez Piñol. Nachtlicht. Amsterdam: Cossee, 2005 (La pell freda, 2003).

Een jonge Ier zal na de onafhankelijkheid van Ierland een jaar als 'weerkundige' doorbrengen op een klein eiland in het Zuidpoolgebied. De enige andere levende ziel die hij er aantreft op de dag dat hij aankomt is een enigszins gestoorde vuurtorenwachter. De Ier gaat gezellig in zijn hut bij het strand zitten, maar 's nachts wordt hij belaagd door mansgrote kikkerachtige monsters die hem willen vermorzelen. Hij kan niet overleven dan wanneer hij intrekt in de vuurtoren, waar hij erachter komt dat de vuurtorenwachter met een vrouwtjesreuzenkikker naar bed gaat. Die vuurtorenwachter is trouwens een Oostenrijker die luistert naar de naam Battís Caffó. Toch wordt ook de vuurtoren steeds meer belaagd door duizenden van die reuzenkikkers.

Nooit gedacht dat ik ooit een boek met een dergelijk verhaal zou lezen – ik die altijd te pas en te onpas verkondig dat ik niet van sprookjes houd. Maar dit heb ik in anderhalve avond verslonden: wat een wonderlijke schrijver van wie je alles aanneemt, en die ook overal uiteindelijk een geloofwaardige draai aan weet te geven.

Het gaat ook nog niet eens zozeer om de 'boodschap'. Voor zover die er is, is die flauw. De Ier komt er bijvoorbeeld gaandeweg achter dat die reuzenkikkers eigenlijk net mensen zijn, en dat de voortdurende slag om de vuurtoren alleen kan worden opgelost als dat erkend wordt. Dat zou je kunnen lezen als een gedachtegang over het terrorisme. Op het omslag wordt El País geciteerd, die zegt dat dit boek 'een spiegel van deze tijd' geeft. Maar ik vind dat onzin. Je kunt in dit boek van alles zien, maar het is toch vooral in de eerste plaats een ijzersterk verhaal over een heel merkwaardig onderwerp: een inktzwarte tegenhanger van Life of Pi, zou ik willen zeggen.

De vertaling (of de redactie van de vertaling) is trouwens niet best. Het begint al met de titel. De koude huid heet het boek in het Catalaans, een verwijzing naar onder andere de huid van dat reuzenkikkervrouwtje. Waarom moest dat Nachtlicht worden, en waarnaar verwijst dat? (Ja, naar de vuurtoren, dat snap ik ook.) Binnenin staan af en toe echt storende foutjes. Zo meldt de Ier ergens dat hij drie keer tegen de vuurtorenwachter moest spelen, en dat de uitslag was, in de Nederlandse vertaling: "Twee keer schaakmat en een keer gewonnen." Mijn kop eraf als daar in het origineel geen pat stond, in plaats van schaakmat.

Maar deze schrijver gloeit door de slechte vertaling heen. En gaandeweg vallen alle puzzelstukjes in elkaar; wie goed oplet begrijpt aan het eind zelfs, zonder dat dit wordt uitgelegd, hoe een Oostenrijker kan komen aan een on-Oostenrijkse naam als Battís Caffó.

29.1.06

Rouke van der Hoek. Bodemdaling. Gedichten. Amsterdam/Antwerpen: Atlas, 2005

Ik was een tijdje lid van de Poëzieclub, en daarna was ik een tijdje (een jaar? twee jaar?) geen lid meer, waarschijnlijk omdat ik vergeten was de contributie te betalen. Nu ben ik weer lid geworden, en kreeg de eerste clubkeuze toegestuurd: deze bundel. Het is wel een aardig idee, zo'n club, met van die boeken die ze je ongevraagd toesturen. Uit mezelf zou ik Bodemdaling nooit gekocht hebben. Ik zou de bundel in de winkel in mijn hand genomen hebben, het eerste gedicht gelezen hebben, en hem daarna weer gedachteloos hebben teruggelegd om op zoek te gaan naar iets ander. (Hieronder staan de laatste regels uit een gedicht over oude ansichtkaarten, het hele gedicht is te vinden op Van der Hoeks eigen website

Achterop karig beschreven.
Groeten van …
Gefeliciteerd.
Via deze kernachtige communicatie
vulde zich het beeld van ons land.
Een land van zachte grijstinten
en ordelijke lijnen.

Een dichter die in zijn allerleerste gedicht de woorden 'kernachtige communicatie' gebruikt, van zo'n dichter zou ik uit eigen vrije wil niet snel een bundel aanschaffen. Van der Hoek gebruikt die woorden op een volkomen overbodige manier (eerder is al gezegd dat de kaarten karig beschreven zijn, daarna volgden er voorbeelden van deze karigheid, dus de hele zin had weggekund, inclusief dat ook al zo lelijke 'vulde zich het beeld van ons land', dat immers in de allerlaatste regels eigenlijk ook al wordt geëxpliciteerd). Bovendien lijkt het me geen ironie: het is mij in ieder geval niet duidelijk wat de functie is van deze hypermoderne uitdrukking in een verder ongegeneerd nostalgisch gedicht – op het kitscherige af. De uitdrukking lijkt me dus vooral een heel onhandige, en dat belooft weinig goeds voor de rest van de bundel.

Nu kreeg ik de hele bundel opgestuurd, en heb er dus wat uitgebreider kennis van genomen. Dat betekent niet dat ik snel nog een bundel van deze dichter ter hand ga nemen, want de rest van de gedichten bevallen mij niet veel beter.

Toch is dat voor een eenvoudige lezer ook wel eens aardig, want het doet je nadenken over wat je eigenlijk zoekt in een gedicht. Voor mij is dat toch vooral wel taal, en met de taal weet Van der Hoek zich niet goed raad. De laatste gedichten gaan om de een of andere reden allemaal over sperwers. Het woord sperwer is verrukkelijk, maar Van der Hoek doet er niets mee. Een van die gedichten begint bijvoorbeeld als volgt:

Wat de sperwers troost geeft, trots
is het omhoog cirkelen
op de vuist van de wind.

Dat is vooral een zin die blijft hangen vanwege zijn syntactische onhandigheid. Merkwaardig dat zo'n bundel niet alleen uitgegeven wordt, maar ook nog eens genomineerd is voor de Publieksprijs, en door de Poëzieclub wordt rondgestuurd als de keuze van het kwartaal. Dat laat zien dat veel mensen heel andere dingen in dichtbundels zoeken dan ik.

Jared Diamond. Collapse. How societies choose to fail or succeed. London: Penguin, 2006 (2005).

De samenlevingen van de Paaseilanden, van de Vikingen op Noorwegen en van de Maya's: allemaal zijn ze op een bepaald moment ten onder gegaan. Waarom? Volgens de Amerikaanse hoogleraar Aardrijkskunde Jared Diamond ligt er telkens min of meer hetzelfde pakket oorzaken aan te grondslag, zij het dat de relatieve bijdrage van ieder ingrediënt van keer tot keer kan verschillen: de mensen putten hun natuurlijke bronnen uit, bijvoorbeeld omdat ze dat gewend raken in relatieve gunstige tijden; er ontstaat een grotere of kleinere schommeling in het klimaat; er is onderlinge onenigheid of oorlog met buren; handels- of andere partners vallen weg.

Diamonds boek bestaat allereerst uit een reeks ilustraties van deze 'theorie' uit het verleden; het is natuurlijk maar de vraag in hoeverre dit echt een theorie is, omdat het moeilijk is om te bedenken wat voor factoren er nog meer een rol zouden kunnen spelen, als we er even vanuit gaan dat het onwaarschijnlijk is dat samenlevingen zomaar uit zichzelf in elkaar storten. Het is wel aardig om die verhalen te lezen, maar dat is meer omdat je er iets uit leert over de geschiedenis - ik wist bijvoorbeeld niet dat de Vikingen zichzelf in de eerste plaats als boeren zagen.

Zoiets geldt ook voor het tweede hoofddeel, waarin de huidige samenlevingen van Rwanda, Haiti, China en Australië worden beschreven. Ook daar leer je van alles uit over de ecologische problemen van de huidige tijd, maar om nu te zeggen dat er echt een grote lijn inzit, is volgens mij overdregen.

Diamond schrijft af en toe behoorlijk schools. Het eerste hoofdstuk eindigt nota bene met een overzicht over wat hij van plan is in hoofdstuk 2, 3, enz. te gaan doen. Het laatste deel van het boek - waarin lessen getrokken worden over hoe het nu verder met de wereld, heb ik, vooral om die reden, niet meer helemaal in detail gelezen. We moeten beter op onze aarde passen, en voorzichtig zijn!

20.1.06

Herman Koch. Eten met Emma. Amsterdam: Pandora, 2005 (2000).

Een man is ooit veelbelovend geweest en zelfs in Barcelona gaan wonen om daar een boek te schrijven 'zoals dat nog nooit in Nederland verschenen is'. Tot zijn schrik merkt hij elke jaren later dat een vriendin van hem (Emma, dus) veel beroemder wordt, met een boek over haar bezoek aan Barcelona, waarbij het haar ook nog eens niet eens echt om hem te doen bleek. Eten met Emma kocht ik als een pocket op een station omdat ik snel (snel! snel!) iets te lezen nodig had. Ik werd al snel meegesleurd door de aanstekelijke schrijfstijl:

Voordat Emma Carvalho in mijn leven verscheen had ik het nooit zo op zogenaamde femmes fatales. Ik hield het liever bij iets gewoners. Iets gewoners liep ook niet zo gemakkelijk weg, redeneerde ik. In elk geval hoefde je niet voortdurend om je heen te kijken of er al weer een volgende kaper aan de horizon was opgedoken. Een kaper die de femme fatale van je af zou pakken — waarna deze voorgoed achter diezelfde horizon zou verdwijnen.

Ik moet er wel bijzeggen dat het boekje gaandeweg wel wat cabaretesk wordt, met het eeuwige gesmaal van de hoofdpersoon op Nederland. Op het eind gaat de zelfbenoemde schrijver ook nog eens in de openbare bibliotheek van een Nederlands dorp naar een lezing van Emma luisteren. Dat ging me eigenlijk te ver, maar ja: toen had ik het boek ineens ook al weer uit.

15.1.06

Jean-Pierre Amette. La maîtresse de Brecht. Paris: Albin Michel, 2003.

In 1948 kwam Bertolt Brecht uit Amerika terug naar Duitsland -- of beter gezegd, naar de DDR. De autoriteiten waren blij met hem, maar tegelijkertijd vertrouwden ze die anarchist die zo lang in Hollywood had gewoond, niet helemaal. Een jonge actrice, die ook nog chantabel was omdat haar man en haar vader nazi's waren, krijgt de opdracht het met de dichter aan te leggen om hem zo te bespioneren. Volgens de achterflap is dit boek een 'méditation sur la vérité de l'art aux prises avec les mensonges politiques'. Dat suggereert dat het gaat over Brecht, maar eigenlijk is hij in dit boek niet meer dan een decorstuk die af en toe iets al dan niet dichterlijks zegt of zich aan het lichaam van het meisje vergrijpt. Maar zij is belangrijker, Maria, net als de Stasi-agent, Hans, die haar belangrijkste contact is. En het verhaal gaat volgens mij helemal niet over de waarheid van de kunst en/of de leugens van de politiek, maar over het volkomen onvermogen van mensen om elkaar te begrijpen: iedereen bespioneert iedereen en niemand weet iets van elkaar. Zelfs Maria en Hans weten uiteindelijk een belangrijk ding niet: dat ze van elkaar houden. Een mooi boekje.

8.1.06

Mark Boog. De encyclopedie van de grote woorden. Gedichten. Amsterdam: Cossee, 2005.

Een boek schrijven dat De encyclopedie van de grote woorden heet, en dat drieënzestig gedichten bevat over zo'n beetje alle grote woorden die er zijn: dat zou de ambitie van een personage in een van Mark Boogs romans kunnen zijn. Maar de dichter heeft het zelf verwezenlijkt. Het is heel moeilijk om zo'n bundel onbevangen te lezen. Een gedicht waar in kleinkapitalen Liefde bovenstaat, of Kwaad, het, of Poëzie! Ik probeerde af en toe net te doen alsof die titels er niet stonden, en dat hielp dan wel een tijdje, maar al snel werd mijn aandacht toch weer door die grote woorden afgeleid.

Daar komt nog bij dat ook vormelijk de gedichten er de aandacht op vestigen dat ze gemaakt zijn. Bijna ieder gedicht heeft wel een duidelijk geconstrueerde strofenbouw (sommige bestaan bijvoorbeeld uit vier keer drie regels, anderen uit twee kwatrijnen en twee terzinen; er wordt overigens nergens echt gerijmd). Het draagt allemaal wel erg bij aan het gevoel een virtuoos vertoon van kunnen te zien, en dat maakt het dan weer moeilijk om te worden meegesleept. Een enkele keer lukt dat dan trouwens toch weer wel, bijvoorbeeld in het Shakespeareaanse Gramschap (één strofe en met alliteratie en zelfs wat eindrijm):

Haal gram. Doe wild de woede bloeien,
verhef de toorn, vat vlam, verpletter vijand
en voorbijganger, verteer het eigen hart
en schroei de valse uren tot ze braak en zwart,
verloren liggen. Win. Vertrouw de zachtheid niet,
ze sust en streelt en slaat dan toe door te
verdwijnen: bitter gif. Sla harder dan de ander
en sla eerder. Een uitgestoken hand bevat
een dolk of is er een. Een glimlach tast geduldig af,
vindt zwakke punten en verraadt. Hordes volgen,
aangevoerd door, groter dan de gramschap,
alledag, die zich ontdoet, die achteloos vertrapt.

En ook overigens bevat de bundel af en toe echt Boogiaanse citaten, van die dingen die zo enorm waar zijn dat je niet begrijpt dat ze pas in 2005 zijn geformuleerd: " Van natuur, dat wat bijgeknipt moet worden, krijgen we niet snel genoeg", "Waanzin is een huis. Trap de deuren in en woon", "Weer bijzonder diepzinnig geweest vandaag."

Het werk van Mark Boog is altijd de moeite waard. Ik kan het weten, want ik heb al zijn boeken gelezen; ik besprak hier eerder zijn roman De helft van liefde.

Martin Bril. Twee broers en een broodjeszaak. Amsterdam: Uitgeverij 521, 2003.

Martin Bril was een tijdje de 'opvolger van Simon Carmiggelt en Ischa Meijer' als Amsterdamse stadscolumnist van Het Parool. Ik heb geen idee of hij inmiddels alweer door iemand anders is opgevolgd. In dit boekje zijn stukjes verzameld over de broodjeszaak die om de hoek zat bij zijn kantoor, en de twee broers die de broodjeszaak dreven. Het zijn stukjes die echt in de traditie van vooral Carmiggelt staan, over Amsterdammers als toffe gosers die heus wel wat gezien hebben van de wereld maar toch ook gewoon zijn gebleven (al zegt de flaptekst: "Dat laatste is in de freakshow die Amsterdam is toch wel heel bijzonder"). Er is nog een manier waarop Bril in die traditie staat: het plezier van het schrijven. De zinnen en de alinea's zijn soms nogal kort, maar je merkt dat de auteur het fijn vindt om te kijken, en om zijn bevindingen te noteren:

Een van de meest gefotografeerde en gefilmde vuilnisbelten ligt op de hoek van de Kerkstraat en de Leidsestraat recht tegenover broodjeszaak Het Balkje. Gisteren, het was aan het einde van de middag en de zon deed voor het eerst die dag van zich spreken, landde er een tv-ploeg die haar taak zeer ernstig nam.
Allereerst was daar de presentatrice. Zij was blond en had haar keurig verzorgde handen - de lak aan haar nagels was stralend rood - vol aan de grote microfoon waarin zij straks haar verslaggevende woorden zou spreken. In haar kielzog bevond zich een bleke, slungelige eindredacteur die telefonisch permanent met Hilversum in contact stond. Verder waren er de geluids- en cameraman. Deze laatste was een man die stevig zwetend gebukt ging onder de apparatuur die hij met zich meezeulde. Toch had hij een kennersblik, want hij stond nog niet tot de enkels in de opengereten vuilniszakken, of hij wist al waar het statief moest staan.
Niet hier.

Inderdaad heeft dit fragment wat minder te lijden onder het korte-zinnensyndroom, ik heb het niet voor niets uitgekozen.