26.9.09

Ignazio Silone. Fontamara. Hanover, NH: Zoland Books, 2000 (1933)

Ignazio Silone. The Abruzzo Trilogy

Vertaling: Eric Mosbacher

De inwoners van het dorpje Fontamara begrijpen niet wat hen overkomt als de regering in Rome ergens in de jaren dertig fascistisch wordt. Ook tot die tijd was het gebruikelijk dat hen onrecht werd aangedaan: dat de heersers hun afpakte wat ze hadden, dat ze in elkaar gerammeld werden door schurken en onverlaten en dat niemand naar ze wilde luisteren. Maar nu heeft dat onrecht ineens ook nog de openlijke goedkeuring van de regering.

De meest kleurrijke inwoner van het dorpje, Berardo, laat af en toe zijn onvrede blijken door iets in brand te steken, maar als door een truc het riviertje dat het hele dorp van irrigatiewater voorziet wordt omgeleid naar de landgoederen van een handige grootgrondbezitter, legt ook Berardo het hoofd in de schoot. Hij vertrekt naar Rome om er een baantje te vinden. Uiteindelijk komt hij er echter per ongeluk in de gevangenis terecht en pleegt op enigszins melodramatische manier zelfmoord. Dat komt men in zijn dorpje dan weer te weten, en de inwoners beginnen een heuze illegale krant. Ook dat verzet wordt onderdrukt; maar het is dan toch maar geboren.

Fontamara van de naar Zürich uitgeweken communist Ignazio Silone was in de jaren dertig kennelijk een groot succes, en geldt nog steeds als een van de belangrijkste vroege antifascistische romans van Italië. De moderne lezer ziet er ook iets van het moderne Italië in. De handige zakenman, van wie de Fontamarezen de hele tijd zeggen dat hij 'Amerika heeft gevonden in Italië' en die hen uiteindelijk het water afhandig maakt door voor te stellen dat driekwart van het water naar hem gaat, maar driekwart van het restant naar het dorp, zodat beiden uiteindelijk driekwart krijgen — een redenering die iedereen aanvaardt omdat hij iedereen boven de pet gaat — lijkt die niet op een zekere moderne Italiaanse president?

Afgezien van het einde, dat in ieder geval voor mij wel wat erg gezwollen klinkt, en ondanks de thematiek, is Fontamara vooral een charmant boek, door de naïeve goedheid van de bewoners van het dorp. Ze zijn geen engelen en soms wel wat onnozel, maar ze zijn uiteindelijk de kwaadsten niet; en dat kun je niet zeggen over degenen die boven hen geplaatst zijn. Aan die charme draagt bij dat het verhaal wordt door een gezin, een vader, moeder en zoon uit Fontamara die om de beurt vertellen. Af en toe dragen ze zelfs expliciet het woord aan elkaar over ('dat kan mijn man beter vertellen'.

Fontamara heeft gemeen met Elsa Morante's La Storia, dat ik niet zo lang geleden las, dat de schrijver er geen twijfel over laat bestaan dat het fascisme een verachtelijke ideologie is, die zo snel mogelijk zou moeten verdwijnen, en tegelijkertijd een bijna gevoelvol portret levert van de arme, bange jongens die onder het mom van dat fascisme soms verschrikkelijke gruwelen begingen.

21.9.09

Hans Christian Andersen. Fairy Tales. London: Penguin, 2004 (1835-1872)

Hans Christian Andersen. Fairy Tales 'Everything ends up in the bin' is (bijna) de laatste zin van het laatste sprookje dat Hans Christian Andersen schreef. Je zou het bijna als een autobiografische opmerking zien, vooral als je deze uitgave leest, die een aantal geleden verscheen ter gelegenheid van de tweehonderdste verjaardag van de Deense sprookjesschrijver, en waarin vooral de redacteur Jackie Wullschlager haar uiterste best doet bijna ieder verhaal autobiografisch te duiden.

Nu had Andersen zo te lezen ook een bijzonder leven — een dat niet alleen gekenmerkt werd door een dramatische omslag van een armoedige jeugd naar een groot internationaal literair succes dat alleen in de schaduw kon staan van dat van Charles Dickens, maar ook door een onstuimig liefdesleven. Andersen was biseksueel, maar bovendien gespecialiseerd in gelijktijdige verliefdheden op een zus en een broer, wat de zaken er ook niet eenvoudiger op moet hebben gemaakt.

Zo weet ik al zo lang als ik me kan herinneren dat we het verhaal van het lelijke jonge eendje moeten begrijpen als een slechts licht verhulde autobiografie. En zo weet Wullschlager in misschien wel de helft van de dertig hier vertelde sprookjes de figuur van de schrijver aan te wijzen.

De lezer raakt daardoor geïnspireerd om zelf ook op zoek te gaan. Zo is het Wullschlager kennelijk niet opgevallen dat vooral in de latere sprookjes personages soms ook omhoog klimmen om daar ongelukkig te worden of vroeg dood te gaan: de kerstboom die nooit beseft dat zijn gelukkige moment in het nu is, als hij staat te branden in de kamer, de boomelf die zo graag naar Parijs wil, en daar slechts een nacht zich kan vergapen aan de pracht en de praal.
Maar eigenlijk is al dat zoeken naar het individu van de dichter toch vooral iets mals — vooral misschien wel bij sprookjes. Interessanter is het om na te denken waarom dit soort verhalen nu al honderdvijftig jaar zo mateloos populair zijn: zijn we dan allemaal boomelven en lelijke eendjes? Het sprookje lijkt een van de populairste genres te zijn van misschien wel alle tijden: In de ban van de ring en Harry Potter. Ik zou wel eens een studie willen lezen die uitlegt hoe dat komt. Bij Andersen kan ik me er in ieder geval heel wat bij voorstellen: het is een heel rijk genre, dat heel veel dingen tegelijk kan. Het kan voor kinderen zijn en tegelijk voor volwassenen, grappig zijn en tegelijkertijd bloederig ernstig, een wijze les bevatten en tegelijkertijd een lange neus trekken. Het kan ongebreidelde fantasie uitdragen, en tegelijkertijd strikt autobiografisch zijn.

16.9.09

Ilja Leonard Pfeijffer en Gelya Bogatishcheva. De filosofie van de heuvel. Op de fiets naar Rome. Amsterdam: De Arbeiderspers, 2009.

Ilja Leonard Pfeijffer en Gelya Bogatishcheva. De filosofie van de heuvel Net als iedereen in Leiden heb ik een trommeltje met Ilja-anekdoten. Hoe wij samen ooit het bestuur vormden van het Leids Studenten Kamer Orkest, en dit LESKO zodanig aan de rand van de afgrond brachten dat het oude bestuur ingreep. Hoe hij ooit een gedicht in mijn poesie-album schreef. Hoe aardig hij was, veel aardiger dan zijn publieke imago deed vermoeden, als hij de dames afpoeierde in de Burcht toen we daar een keer zaten bij te praten.

En nu is hij weg. Twee jaar geleden kreeg hij een nieuwe vriendin, de Russische Gelya Bogatishcheva en samen zijn ze in juni 2008 naar Rome vertrokken, op de fiets, op twee heel eenvoudige fietsen. Ilja had de zijne vlak ervoor bij de Turkse fietsenhandelaar op de Kaasmarkt gekocht, en Gelya was al een tijdje bezig op haar gele fietsje rond te rijden. Veel bagage namen ze niet mee – en zes weken later kwamen ze aan in Rome.

gedicht Ilja Pfeijffer

Ilja Leonard Pfeijffer (Rijswijk, 1968) heeft nu een boek geschreven over die reis, De filosofie van de heuvel. Op de fiets naar Rome. Zijn vriendin is medeauteur omdat zij (heel mooie) foto's in het boek publiceert. Maar verder is het boek vooral het werk van Ilja – niet de Pfeijffer van de experimentele gedichten, of de polemische recensies, of de zelfverzekerde taalspelerige romans, maar de Ilja uit het dagelijks leven. De Ilja die nu node gemist wordt in Leiden.

De filosofie van de heuvel is vooral het verslag van een verliefdheid. Pfeijffer is verliefd op Gelya, het Russische meisje dat zo grappig is, en stoer, en kwetsbaar en wijs – en hij is verliefd op Genua, de Italiaanse stad die zo vriendelijk en smerig is, en waar de dichter en zijn vriendin onmiddellijk naar terugkeren nadat ze in Rome zijn aangekomen, om er zich te vestigen.

Door die verliefdheid is de toon van het boek vederlicht. De wereld bestaat alleen uit het verliefde paar en hooguit wat omstanders die zich erover mogen verbazen dat het mogelijk is, twee mensen die op zúlke fietsen van Leiden helemaal naar Rome fietsen en die hen om de haverklap een drankje aanbieden. Ver weg zijn de cafés Burgerzaken en De Burcht en de strijd om het Dichter der Vaderlandschap en alle luidkeels verkondigde theorieën over hoe literatuur dient te zijn. Af en toe verontschuldigt Pfeijffer zich nog wel, bijvoorbeeld over het feit dat hij in het buitenland ineens rosé is gaan drinken. Of: "Ik had mij nog nooit zo gelukkig gevoeld als de afgelopen dagen met Gelya in Genua. Als schrijver mag ik dat soort zinnen niet schrijven, ik weet het, maar het maakt me geen fuck uit want het is waar."

Voor de pfeijfferologie lijkt me vooral de vergelijking met Het ware leven. Een roman uit 2006 van belang. In dat boek figureren onder andere een veel te dikke dichter die zijn dagen slijt in Burgerzaken alsmede een vrouw met een midlifecrisis die naar Italië vertrekt om daar het ware leven en zichzelf te ontdekken. Zowel die dichter als die vrouw worden in Het ware leven nog vol spot beschreven, je kunt je na afloop van het boek niet aan de indruk onttrekken dat Pfeijffer de gedachte dat je naar Italië zou moeten om jezelf te vinden nogal belachelijk vindt als je ook in Leiden kunt blijven rondhangen. De lezer van De filosofie van de heuvelwordt overweldigd door het gevoel dat hijzelf ook zo snel mogelijk weg moet van hier, om zich in Italië te vestigen met zijn eigen lief.

Het bezwaar dat critici vaak tegen hem hadden wordt hier opgeheven en soms omgedraaid. Ik geloof dat Pfeijffer vaak een zekere leegheid werd verweten, hij speelde volgens hen wel heel mooie taalspelletjes die leidden tot fraai klinkende en technisch goed in elkaar stekende literaire werken, maar veel inhoud hadden ze niet.

Een enkele keer is De filosofie van de heuvel zelfs een beetje saai, als Pfeijffer beschrijft hij zich via welke route van het ene Franse stadje naar het andere begeeft en onderweg allerlei natuur tegenkomt waarvoor hij geen andere woorden heeft dan 'een droom'. Maar het gebruik van zo'n cliché maakt de schrijver duidelijk geen fuck meer uit, en de lezer eigenlijk ook niet. De inhoud is in sommige opzichten misschien nog steeds een beetje mager – de filosofie van de heuvel blijkt een soort boeddhisme voor beginners - maar het geluk spat van de pagina's en dat is aanstekelijk geluk, het soort simpele geluk dat bovendien binnen handbereik lijkt als je het alleen maar even wil pakken. Het soort simpele geluk waar je bovendien niet ironisch over doet, maar dat je benoemt: geluk.

Een iets langere versie van dit stukje verscheen in Forum van de Faculteit der Geesteswetenschappen, Leiden.

10.9.09

William Shakespeare. King Lear. London: BBC, 1981 (1606).

William Shakespeare. King Lear Als ik het goed gezien heb, wordt er in King Lear nooit naar God verwezen, maar wel een aantal keer naar de goden. Het stuk speelt zich af in heidense, in Keltische tijden. Dat waren tijden van veelgodendom en dat lijkt me niet toevallig.

Er is geen richting en geen orde in de samenleving in King Lear, de wereld ziet eruit zoals Christenen soms lijken te denken dat de wereld eruit zal zien als er geen God is: ordeloos en rechteloos, een gevecht van allen tegen allen.

De goeden in het stuk lijken allemaal te weten welke orde er eigenlijk een zou moeten zijn: een waarin Lear geëerbiedigd wordt als koning, waarin men in hem de meester onderkent, waarin iedereen hem liefde verschuldigd is, zelfs als hij gek geworden is.  Waarom dat eigenlijk zo is, wordt niet expliciet uit de doeken gedaan, maar het blijkt uit het verloop van het stuk: omdat anders de chaos uitbreekt. Tegelijkertijd is het Lear zelf die de anarchie uitroept – als iedereen doet wat hij wil, wordt dus alle macht uit zijn handen genomen en in de handen van zijn twee trouweloze en harteloze dochters. Als de ordenende figuur zelf de orde uit handen geeft, blijkt er niets meer over.

Ik heb deze keer King Lear op mijn iPhone gezien in de BBC-interpretatie van 1982. Geldt dat eigenlijk wel als lezen? Volgens mij wel. Het stuk werd integraal uitgevoerd en was ondertiteld, dus ik heb al Shakespeares woorden gelezen, zij het in een uitvoerig geïllustreerde versie. Ah, Shakespeare. Behalve abstracte gedachtes over schuld en stuurloosheid houd je er, als je het gespeeld ziet, ook nog een fijn treurig gevoel aan over, om vaders die hun kinderen verliezen, en om de dwaasheid van onze wereld.

6.9.09

Geoffrey Chaucer. De Canterbury-verhalen. Baarn: Ambo, 1995 (1400).

Geoffrey Chaucer. De Canterbury-verhalen

Vertaling: Ernst van Altena

Een groep pelgrims reist naar Canterbury en organiseert een verhalenwedstrijd: ieder van hen zal zowel op de heen- als op de terugreis een verhaal vertellen, en de waard van het hotel zal besluiten wat het beste verhaal is. Vervolgens bestaat de Canterbury-verhalen vooral uit een bonte verzameling verhalen: schunnige en vrome, serieuze en grappige, korte en lange, prozaïsche en dichterlijke.

Zowel op het internet als in de Leidse Universiteitsbibliotheek vindt je vooral allerlei studies die gaan over individuele verhalen. Het wonderlijkst vind ik echter de verzameling: hoe komt een veertiende-eeuwer erbij om in een band zowel een verhaal over scheten in het gezicht van priesters als een oprecht vroom exposé over de Hoofdzonden te publiceren? Het hele bonte leven wordt erin afgebeeld, weliswaar in de vorm van een competitie tussen verhalenvertellers, maar zonder dat de prijs wordt uitgereikt, dus zonder dat er expliciet wordt gezegd dat het vrome verhaal beter is.

Wat dat betreft: als de definitie van het postmodernisme is dat de wereld versplinterd is, en dat er geen grote verhalen meer zijn, dan lijkt dit boek me daar een goed voorbeeld van.

Wat beweegt iemand om die verhalen te vertalen? Ernst van Altena heeft dat zo'n vijftien jaar geleden prachtig en sprankelend gedaan, inclusief de wat saaie stukken die kennelijk vaak worden overgeslagen, het verhaal van Melibeus bijvoorbeeld, dat vooral bestaat uit een bijna eindeloos juridisch betoog van de vrouw van Melibeus.

Misschien hebben de schrijver en de vertaler wel eenzelfde doel gehad met dit boek, is het voor allebei vooral een enorm virtuoos vertoon van kunnen, van laten zien dat je alle genres van de middeleeuwse literatuur onder de knie hebt. Veel inhoudelijke redenen zijn er niet, de taal en de literatuur zijn een groot spel. De lezer verveelt zich daarbij geen moment; zelfs niet bij de lange prozapreek, al is het maar vanwege de manier waarop daarin tekeer wordt gegaan tegen de manier waarop sommige mannen zich kleden:

Helaas, sommigen tonen de knobbel van hun geslacht en hun lid, afgrijselijk gezwollen alsof ze aan een breuk lijden, in het kruis van hun beenbekleding:

En ook hun billen hangen erbij als het achterwerk van een apin bij volle maan.

En omdat hun beenbekleding dan ook nog tweekleurig is in rood en wit, lijkt het of die ellendig gezwollen geslachtsdelen die ze door hun wijze van kleden laten zien, die schandelijke schaamdelen, half gevild zijn.

Zo'n kijkje op de middeleeuwse mode had ik nog nooit gehad.

Gerrit Berveling. Odoj kaj aliaj poemoj. Zwolle: Voko, 2009.

Gerrit Berveling. Odoj kaj aliaj poemoj Gerrit Berveling (1944) is een Nederlandse leraar klassieke talen en daarnaast een dominee bij de remonstrantste broederschap, zo'n beetje het meest vrijzinnige gezelschap ter wereld dat zich nog wel christelijk noemt. Ik ken hem als Esperantist, als dichter in die taal, als vertaler van allerlei werken uit vooral het Grieks en het Latijn, maar ook bijvoorbeeld van Twee vrouwen van Harry Mulisch. Vele jaren geleden heb ik hem voor het eerst ontmoet, ik was toen student in Tilburg, en we spraken over vertalingen van Horatius in het Esperanto. Vorige week kwam ik hem weer tegen en toen gaf hij mij dit in eigen beheer uitgegeven bundeltje met eigen poëzie.

Het bundeltje bestaat voor een groot deel door 'oden' die in een maatsoort zijn geschreven, een behoorlijk ingewikkeld ritmisch schema. Berveling heeft zich kennelijk de afgelopen twintig jaar - het oudste gedateerde gedicht stamt uit 1991 - toegelegd op het toepassen van die vorm. Hij doet dat op gedichten die inhoudelijk vooral over politieke onderwerpen gaan: de oorlogen in Irak, vrouwenrechten, de acceptatie van homoseksualiteit. De toon is er vooral een van verontwaardiging: de dichter zit achter zijn tv-scherm en wint zich op over wat er gebeurt. Het oudste gedicht, dat de bundel ook opent, begint zo:

Odo pri la Tria Mondmilito

Vi kion pensas pri la Milit', amik'?
Ghi shajne chesis, lau televid-asert',
   sed mi ne fidas ties bildojn,
      tro obeemajn al Vol'Usona

(Ode over de Derde Wereldoorlog) Wat vind jij over de Oorlog, vriend? Hij is kennelijk afgelopen, volgens de tv, maar ik vertrouw diens beelden niet, ze zijn te gehoorzaam aan de wil van de VS.)

Het beeld van iemand die zich achter zijn tv zit op te winden over het onrecht in de wereld doemt vaker op. Wat beweegt iemand om een wrokkig gedicht te publiceren in een lang vergeten metrum over een lang vergeten oorlog (de Eerste Golfoorlog) in een ook al bijna vergeten taal? Dat moet vooral een grenzeloze strijdlust zijn voor die taal zijn en de dichtkunst. In huiskamers wordt achter tv's veel nobele strijden gestreden; wat je ook van het resultaat mag vinden, Gerrit Berveling strijdt al decennia in zijn woonkamer de zijne.

2.9.09

Giacomo Leopardi. Selected Poems. Princeton: Princeton University Press, 1997 (1837).

Giacomo Leopardi. Selected Poems

Vertaling: Eamon Grennan.

Als lezen reizen is, heb ik een excursie gemaakt naar de treurnis, naar het rijk van de felle aanklacht tegen het leven, de bijzonder welsprekend uitgedrukte wanhoop.

Giacomo Leopardi (1798-1837) is in het Nederlandse taalgebied niet de allerberoemdste romantische dichter, maar in Italië wordt hij wel als de grootste beschouwd. Mijn kennismaking met deze dichter was in eerste instantie vooral een excursie uit nieuwsgierigheid: ik voelde me inmiddels te oud om meegeslepen te worden door iemands Weltschmerz. Dat ik me uiteindelijk toch liet meeslepen, komt vooral door de zorgvuldige manier waarop Leopardi zijn leed formuleert. Het is allemaal zo doordacht, zo duidelijk geconstrueerd, zo fraai dat het aan het denken zet: waarom neemt iemand zoveel moeite om zo'n inktzwarte visie op het leven uiteen te zetten?

Want inktzwart is het; het leven is treurig, al is het interessante bewijs daarvoor dat alle schoonheid van de jeugd en het begin alras teloor gaat — die schoonheid is er dus wel degelijk. En hoe oud moet je eigenlijk zijn om onder die teloorgang te lijden? Leopardi overleed voor hij mijn huidige leeftijd kon bereiken.

Ik heb een enigszins eigenzinnige vertaling in het Engels gelezen van de Ierse dichter Eamon Grennan; enigszins eigenzinnig omdat bijvoorbeeld 'La sera del di' di festa' wordt vertaald als 'Sunday evening', terwijl uit het gedicht duidelijk wordt dat er op de desbetreffende dag een dorpsfeest is geweest, en dat het dus eerder een feestdag was dan een gewone zondag. Overigens heeft Grennan voor zijn vertalingen indertijd een prijs gewonnen en daar had de jury wel telijk in: de vertalingen zijn in ieder geval mooie gedichten geworden.

(Althans, dat geloof ik. Gedichten in vertalingen lezen is moeilijk, vind ik. Gedichten in vreemde talen lezen ook. Laat dus staan gedichten in vertalingen naar vreemde talen. Waarom is er geen mooie complete vertaling van Leopardi in het Nederlands?)