22.9.10

Yasunari Kawabata. The Sound of the Mountain. New York: Vintage Books, 1996 (1954).

Yasunuri Kawabata. The Sound of the Mountain

Vertaling: Edward G. Seidensticker

Shingo is een oude zakenman, wiens kinderen mislukt zijn in de liefde. Zijn zoon heeft een buitenechtelijke verhouding, zijn dochter komt terug naar huis omdat haar man onbetrouwbaar is, en die man doet een zelfmoordpoging met een vrouw van onduidelijke herkomst. Shingo houdt meer van zijn schoondochter dan van zijn eigen kinderen; en liever met zijn vrouw was hij getrouwd geweest met haar overleden zuster. Shingo is oud, en bang dat hij langzamerhand zijn grip op de werkelijkheid aan het verliezen is. Op zeker moment kan hij zelfs zijn stropdas niet meer knopen.

In The Sound of the Mountain is van alles onderhuids. Er broeit iets tussen Shingo en zijn schoondochter, er broeit van alles in Shingo's hart. En gaandeweg wordt de lezer duidelijk dat wat misschien wel het meest broeit de oorlog is. Het zijn de vroege jaren vijftig in Japan, Shingo's zoon is soldaat geweest, heeft in China gevochten, laat ergens achteloos vallen dat hij daar misschien nog wel twee kinderen heeft gekregen.

The Sound of the Mountain is ongelooflijk. Niet te geloven dat een dergelijk boek, dat in zekere zin gaat over het slachtofferschap van de daders van de oorlog, al in de jaren vijftig verscheen in Japan. In Duitsland worden dergelijke verhalen pas sinds een jaar of tien verteld. Niet te geloven wat een stijlbeheersing die Kawabata had - er zijn mensen die zijn proza met haikoe vergelijken, en hoewel ik daar niet in geloof, zie ik wel in dat er eenzelde droogheid en kaalheid is. Niet te geloven dat een prachtig en rijk en ontroerend boek als dit in hetzelfde jaar geschreven werd als Waiting for Godot en dat Kawabata een jaar vóór Beckett de Nobelprijs kreeg: dat twee zulke totaal verschillende werelden naast elkaar konden bestaan. De enige overeenkomst is de kaalheid, maar Kawabata zei volgens mij nog iets met die kaalheid, en wel iets interessants. Ik weet niet of Kawabata's boeken nog in de Nederlandse handel zijn. Ik wil in ieder geval nog wel meer van hem lezen. En erom huilen.

20.9.10

Robert Crumb. Het boek Genesis. Amsterdam: De Harmonie, 2009.

Robert Crumb. Het boek Genesis

Vertaling: Nicolaas Matsier

In den beginne schiep God de hemel en de aarde. Dat is waarschijnlijk wel de sterkste openingszin ooit - de eerste zin van het boek Genesis. De Amerikaanse striptekenaar Robert Crumb, alom gevierd als een kunstzinnig en rebels tekenaar, publiceerde vorig jaar een integrale beeldversie van Genesis: alle woorden staan erin, en bijna allemal zijn ze geïllustreerd.

Hoewel Crumb helemaal niet geprobeerd heeft om iets bijzonders te tekenen - God is een man in een jurk met een lange baard, een man waarvan Crumb zelf in de toelichting zegt dat deze op zijn vader lijkt - laat zo'n stripverhaal je toch ineens heel anders naar het verhaal kijken. Dat kan ik het duidelijkst uitleggen aan de hand van de eindeloze lijsten met namen:

13 En dit zijn de namen der zonen van Ismaël, met hun namen naar hun geboorten. De eerstgeborene van Ismaël, Nabajoth; daarna Kedar, en Adbeel, en Mibsam,
14 En Misma, en Duma, en Massa,
15 Hadar en Thema, Jetur, Nafis en Kedma.
(Genesis 25)

Ik geloof niet dat ik dat soort lijsten ooit gelezen heb, mijn ogen zijn geneigd snel naar de volgende alinea te springen, maar Crumb geeft ieder van die namen een portretje. (Misschien verbeeld ik het me, maar in dit geval lijken het me allemaal gezichten van Arabische heren. Arabieren geloven dat zij afstammen van Ismaël.) En zo komt ook zo'n lijst ineens tot leven.

Een andere manier waarop dat gebeurt, is doordat Crumb duidelijk van dit boek een autobiografie heeft gemaakt. Het is Genesis zoals hij zich dat altijd heeft voorgesteld - niet alleen omdat God het gezicht heeft van zijn vader. In het summiere commentaar aan het eind ontvouwt hij bijvoorbeeld de theorie dat er eigenlijk een matriarchale laag onder het patriarchale verhaal van Genesis zit. Dat werpt op sommige aspecten inderdaad een interessant licht (de enige zonen van Abraham die tellen, zijn de zonen van Sara; Abraham krijgt ook zonen bij anderen, die wel genoemd worden, maar verder niet voorkomen), maar roept toch ook wel vragen op (waarom worden dochters dan eigenlijk nooit genoemd: van belang is het kennelijk om de zoon van een moeder te zijn). Waarschijnlijk heeft het vooral met Crumbs eigen obsessie voor sterke vrouwen te maken, zoals die uit zijn tekeningen blijkt.

Crumbs Genesis is zo een persoonlijke, gedetailleerde meditatie over het eerste boek van de bijbel. Door de tekeningen ga je langzamer door de tekst heen. De lezer ziet niet alleen wat Crumb heeft getekend, hij denkt ook zelf meer na over wat het allemaal voor hemzelf betekent.

Een andere kijk is te vinden op Boekblad leest

19.9.10

Samuel Beckett. Waiting for Godot. A Tragicomedy in Two Acts. Audible.com, 2009 (1954)

Samuel Beckett. Waiting for Godot Alle personages in Waiting for Godot? hebben bolhoedjes op. Waarom? Het is een van de miljoenen vragen die je kunt stellen over het stuk, en het zou me niet verbazen als iemand er een antwoord op gevonden heeft, maar ik denk niet dat ík het ooit te weten kom.

Ik had het al geconstateerd toen ik zijn romantrilogie gelezen had — Samuel Beckett heeft niet voor mij geschreven. Er zijn op de wereld twintig jaar na zijn dood nog tal van bewonderaars, en daar zitten mensen bij met een veel betere smaak en een grotere belezenheid dan ik. Maar ik hoor er niet bij.

Je leest bijvoorbeeld vaak dat het stuk zo grappig is, maar ik zie niet eens waar de grappen zitten (het is dus niet zo dat ik ze wel zie, maar er niet om moet lachen, ik heb ze niet eens in de gaten). Er was één uitzondering: ergens werpen Vladimir en Estragon elkaar over en weer een handvol scheldwoorden toe waarvan de laatste, en waarschijnlijk ergste luidt: Crritic! Nou ja, haha, zeg ik dan maar.

Zodat de vraag rijst waarom ik dan toch Samuel Beckett gelezen heb; eerst als gedownloaded elektronisch boek, daarna nog met een hoorspelversie als luisterboek. Misschien is het wel snobisme, en wil ik nu eenmaal ook ooit tegen iemand naar waarheid kunnen zeggen dat ik Waiting for Godot gelezen heb. Of dat in ieder geval op deze website in mijn lijstje kunnen plaatsen? Of als je het positiever bekijkt: misschien ben ik nieuwsgierig naar wat kennelijk zo'n indrukwekkend schrijver is? Of leergierig, en hoop ik dat ik ook deze modernist ooit beter zal begrijpen? Het zal wel een mengeling van allemaal zijn. In ieder geval duurt het stuk in de integrale luisterversie slechts twee uur, en als je het zelf leest ben je natuurlijk nog sneller. Dus een buil kun je je er niet aan vallen. Toch vermoed ik dat ik mijn laatste pagina Beckett inmiddels in mijn leven heb omgeslagen.

16.9.10

George Eliot. Middlemarch. A Study of Provincial Life. ManyBooks, 2010 (1871).

George Eliot. Middlemarch Hoe voelt het om erachter te komen dat de man met wie je trouwde omdat hij zulk indrukwekkend intellectueel werk deed, eigenlijk niets tot stand brengt? Hoe voelt het om die man te zijn? Hoe is het om een toespraak te houden tegen een aantal boeren die zich aan het begin van de negentiende eeuw verzetten tegen de komst van de trein? Hoe voelt het om zo'n boer te zijn? Hoe voelt het om je jarenlang moreel superieur te hebben voorgedaan en dan ineens en plein public overvallen te worden door gokwoede? Hoe voelt het om te zien hoe dat je zwager overkomt?

De triomf van de negentiende-eeuwse roman is dat de lezer een situatie vanuit allerlei gezichtspunten ziet. Iedereen heeft op zijn manier gelijk; dat vormt de tragedie. Zo bezien is het niet zo vreemd dat grote schrijvers en lezers als Virginia Woolf en Martin Amis hebben verklaard dat Middlemarch de belangrijkste Engelse negentiende-eeuwse roman is. Het is een verbijsterend boek omdat het je mogelijk wordt gemaakt om in iedereen in te leven - het verwende wicht, de man die het liefst ongestoord wil werken maar er niet van houdt zichzelf te verkopen, de zwager die eigenlijk met de zus van zijn vrouw getrouwd had willen zijn, de veel te goedmoedige dominee, de provinciaalse ijdeltuit - je begrijpt ze allemaal, maar elkaar begrijpen ze niet.

Wat een boek is dit. 700 pagina's lang, ik heb er weken over gedaan, maar geen moment tegenzin gehad. Romans, vooral negentiende-eeuwse romans zijn vaak zo: de eerste twintig of dertig pagina's moet je wennen aan het verhaal, ben je bezig om alle personages uit elkaar te houden of je door uitgebreide natuurbeschrijvingen een weg banen. En de laatste dertig of twintig pagina's is het boek klaar en slaat de lezer het alleen maar niet dicht uit beleefdheid jegens de auteur.

Zo is het allemaal niet met Middlemarch. Vanaf het begin wordt je meegetrokken in het verhaal van het complexe netwerk van menselijke verhoudingen in een Engels stadje. Het boek begint en eindigt daarbij met de relatie tussen twee zusters, Dorothea (die een van de hoofdpersonen van het boek is) en haar jongere zus Celia. Die verhouding wordt zo genunanceerd beschreven doordat je hem van beide kanten ziet en hem dan ook nog door de tijd ziet ontwikkelen - Dorothea beschouwt Celia als een onnozel kind dat geen interesse heeft in het hoge en het goede, Celia beschouwt Dorothea als een onnozel kind dat geen weet heeft van de werkelijke wereld - dat hij een mooie spiegeling is voor alle andere verhoudingen. En zo zijn er zoveel scenes in dit boek die je nooit meer vergeet - als alle schrijvers zo waren als George Eliot zou ik echt nooit meer mijn bed uitkomen en alleen nog maar lezen.

11.9.10

Hadewijch. Liederen. Groningen: Historische Uitgeverij, 2009 (13e eeuw).

Hadewijch. Liederen Dit is de manier waarop ik aan dit boek kwam. Er is een nieuwe vertaling van Hadewijchs strofische gedichten verschenen, Liefdesliederen (vertaling Jan Kuijpers). Ik heb dat boekje wel gekocht, maar ik bespreek het hier niet. Ik kon die vertaling namelijk niet lezen - het waren te duidelijk liedteksten, ik miste het Middelnederlands dat Hadewijchs gedichten zo mystiek doet klinken. Dat is de snob in mij.

Gelukkig is er vorig jaar ook een nieuwe editie van de Liederen verschenen: een prachtuitgave, met de oorspronkelijke tekst, een vertaling, allerlei verklaringen door twee grote Vlaamse Hadewijch-kenners (Frank Willaert en Veerle Fraeters), en bovendien voor 19 liederen de waarschijnlijke melodieën. Dan zijn er ook nog vier cd's waarop alle liederen worden voorgedragen of gezongen. Een collega van mij, Louis Grijp, is verantwoordelijk voor de melodieën en gaf me een exemplaar.

De Liederen zijn niet heel makkelijk te begrijpen. Ze gaan bijna alle 45 over hoe vreselijk het is om in de ban van de 'minne' te leven, waarmee Hadewijch naar alle geleerden zeggen een mystieke liefde voor God bedoeld heeft. Het is dus vreselijk om daar mee te leven, de minne is wreed, laat vaak lange tijd niets van zich horen en slaat je dan weer met allerlei rampspoed. Maar wij mensen moeten maar streven naar perfectie zodat we de minne ooit waardig worden en dan in grote zaligheid kunnen leven.

Door de vertaling van Kuijpers, maar vooral door deze indrukwekkende uitgave werd me gaandeweg wel ingepeperd dat dit liederen zijn. Het zijn dus misschien niet zozeer lyrische ontboezemingen alswel teksten met een sociaal gebruik. Misschien wilde Hadewijch haar geloofsgenoten steeds opnieuw aansporen om toch vooral niet op te geven in hun religieuze streven. Dat verklaart dan ook waarom de teksten gemaakt zijn op populaire melodieën uit die tijd (de meeste melodieën die Grijp vond komen van Franse liefdesliedjes).

Eé manier om als ongelovige dit soort dichtkunst te kunnen duiden is door Hadewijchs meeslepende, repeterende, fraaie taal over je heen te laten komen, de 'minne die minne vaak minnen doet' te accepteren. Ik ontdekte ook een andere: je bent even een toerist in een andere wereld, waar vrome vrouwen zingen over hun verlangen naar God en de problemen die ze er bij tegenkomen. Voor mij waren de Liederen van Hadewijch een korte vakantie.

8.9.10

Hubert L. Dreyfus. On the Internet. London and New York: Routledge, 2009

Hubert Dreyfus. On the Internet Een van mijn favoriete manieren om het Internet te gebruiken, is als een heel grote wereldontvanger. Iedere dag haal ik vele uren meer podcasts binnen dan ik redelijkerwijs beluisteren kan. Ik maak dan ook iedere dag een selectie, voor op de fiets of in de trein of in bed, als ik niet aan het lezen ben.

Zo heb ik de Amerikaanse filosoof Hubert L. Dreyfus leren kennen, een inmiddels 80-jarige wijsgeer die nog ieder jaar colleges geeft over existentialisme en over allerlei grote boeken - ik schreef eerder over zijn podcast toen hij me een aantal jaar geleden Dante doorsleepte. Hij doet dat meesterlijk, hij is werkelijk een briljante docent die voordoet hoe je dat doet, nadenken over een boek.

Nu wilde ik ook eens een boek van hem lezen, en koos daarvoor dit boekje over het Internet (ik kwam erachter dat ik al jaren geen beschouwing meer over deze fascinerendste aller uitvindinden van de afgelopen decennia meer gelezen had). In On the internet geeft Dreyfus vanuit zijn existentialistische, door Kierkegaard geïnspireerde levensbeschouwing een kijk op het World-Wide Web, op afstandsleren, op weblogs en op Second Life.

Dat klinkt afschrikwekkender dan het zou moeten zijn. Dreyfus is namelijk ook op papier een geweldig goede didacticus, die een filosofisch ongeschoolde zoals ik uitstekend bij de les houdt. Het beste deel van het boek is volgens mij dan ook dat over het leren-op-afstand, omdat je daarover vooral veel kunt leren van Dreyfus' visie op het leren, op de vraag waarom het van belang is dat de leraar en de leerlingen zich in hetzelfde klaslokaal bevinden. Het komt erop neer dat je je door lichamelijke aanwezigheid altijd aan een bepaald risico blootstelt: als leerling dat blijkt dat je heel dom bent, als leraar dat je een vraag krijgt die je niet kunt beantwoorden. Het is juist dat risico dat een belangrijk onderdeel uitmaakt van succesvol leren, meent Dreyfus, en ik geloof hem. (Aardig is bovendien dat Dreyfus ook nog even reflecteert op het succes van zijn podcast: volgens zijn eigen theorieën zou het niet moeten kunnen, maar juist door zijn persoonlijke aanpak weet hij mensen aan te spreken. Dat laatste is natuurlijk mijn conclusie.)

Op andere onderdelen vind ik hem minder overtuigend. Het eerste hoofdstuk is nogal potsierlijk. Eerst herhaalt hij een stuk uit de eerste editie van het boek (geschreven in 1999), waarin hij nog beweerde dat het web tenonder zou gaan omdat er teveel informatie zou komen waarin je nooit zou kunnen zoeken. Inmiddels is Google echter gekomen, meent Dreyfus, en dat heeft alles opgelost. Volgens mij bestonden er in 1999 ook al andere zoekmachines, die de problemen ook zouden hebben opgelost, en is Google ook niet ideaal. Je krijgt eerlijk gezegd de indruk dat Dreyfus dat alleen maar denkt omdat Larry Page, de bedenker van Google, een student was van Terry Winograd, en Winograd ook college heeft gegeven over Heidegger.

Een mooier stuk is dan weer dat over de weblogs en de 'blogosphere', waarin Dreyfus wijst op de gevaren van dat eindeloze bloggen, ook weer omdat het niet echt is, en dus niet risicovol. (De vraag waarom het schrijven van boeken anders is, stelt hij niet.)

Boeklog had in 2006 een bespreking van de eerste editie

3.9.10

Meindert Fennema. Geert Wilders - Tovenaarsleerling. Amsterdam: Bert Bakker, 2010

Meindert Fennema. Geert Wilders - Tovenaarsleerling Het komt niet vaak voor dat ik de hoofdpersoon van een boek net nadat ik het boek dichtgeslagen heb live een persconferentie zie geven. Maar de politicoloog Meindert Fennema heeft deze week een boek gepubliceerd over een van de hoofdrolspelers van de Nederlandse politiek van dit moment. En Wilders heeft vanavond toegelicht waarom hij niet in een regering met het CDA kan gaan zitten.

Het is geen briljant boek, vind ik. Aan de ene kant haalt Fennema de meeste van zijn informatie uit kranten en andere openbare bronnen, zodat deze 'politieke biografie' vooral alles op een rijtje zet wat ik toch wel zo'n beetje wist - alleen aan het begin van de jaren vloog meneer Wilders nog een beetje onder mijn radartje. Aan de andere kant lees je dan soms ineens zinnen als "Wilders was daar niet blij mee, al kon hij dat niet hardop zeggen", waarvan het zo evident is dat ze uit de duim van de auteur komen dat ik niet begrijp waarom hij er moet staan.

Zo wordt er ook ineens, op niets af, melding gemaakt van een aantal one-night stands die Wilders zou hebben gehad met onder andere leden van andere fracties en dat zijn relatie met zijn vrouw heel slecht was, terwijl dit enerzijds aan het politieke betoog weinig bijdraagt, en er anderzijds over allerlei andere persoonlijke verwikkelingen (hoe is zijn relatie met zijn broer die een weblog tegen hem schrijft? hoe komt het dat hij na de afgelopen verkiezingen zo uitgebreid zijn vrouw bedankte?)

Veel raadsels rondom het verschijnsel Geert Wilders zijn dus niet opgelost. Wat wil die man nu werkelijk? Hoe kan iemand de strijd tegen de 'islamisering' zo serieus nemen dat hij zijn leven ervoor in de waagschaal wil stellen? En hoe kan de vreemde reactie van de rest van Nederland verklaard worden? (Toen ik dit boek gisteren kocht, zei de boekhandel dat ik het ook zo wel mee mocht nemen, alsof hij van een boek over zo iemand geen cent wou verdienen.)

Het allerbeste hoofdstuk gaat overigens wel over die vreemde reactie: het hoofdstuk over het proces dat momenteel tegen Wilders gevoerd wordt. Hier zet Fennema heel precies de geschiedenis van de relevante rechtspraak uiteen, maar hij legt ook heel duidelijk en precies uit waarom hij het slecht vindt dat deze stap door het Openbaar Ministerie is gezet.

Het definitieve boek over het verschijnsel Wilders komt er misschien pas over vijftig jaar; de schrijver ervan zal Fennema's boek vast als een van de bronnen gebruiken. Tot die tijd blijft het raden wat er nu eigenlijk allemaal precies op dit moment gebeurt in Nederland.