29.3.12

Alexander Pechtold. Henk, Ingrid en Alexander. Amsterdam: Bert Bakker, 2012.

Binnen korte tijd publiceerden twee Nederlandse parlementariërs een boek over de democratie dat overwegend bestaat uit vraaggesprekken: onlangs las ik Gerdi Verbeets boek met gesprekken met allerlei deskundigen, nu heb ik ook Alexander Pechtolds boek gelezen met gesprekken met 'Henk en Ingrid'.

Pechtolds beslissing om niet met journalisten en professoren te maken, maakt zijn boek tegelijk minder interessant en interessanter.

Het is minder interessant omdat de meeste PVV-stemmers nu eenmaal niet zullen vreselijk interessante dingen te zeggen hebben over politiek. Ze zijn ontevreden zonder dat ze goed kunnen articuleren waarom ze nu zo ontevreden zijn. Ze denken dat iedere gedachte die in hun hoofd opkomt automatisch de gedachte is van 'het Nederlandse volk' of ze denken dat ze door een 'proteststem' uit te brengen, de zaken ten goede kunnen beïnvloeden. (Net alsof iemand dat protest zou kunnen duiden.) Ze hebben, kortom, niet een veel verheffender mening dan u of ik. Waar sommige van Verbeets gesprekspartners nog wel eens met een interessant nieuw gezichtspunt komen, geldt dat wat mij betreft niet voor die van Pechtold.

Dat Pechtold tegelijk toch ook een interessanter boek heeft geschreven (of laten schrijven) komt doordat hij af en toe echt in gesprek gaat; luistert naar de ander, maar ook zijn tegenargumenten geeft en debatteert. Dat lijkt af en toe wat obligaat, maar overtuigt uiteindelijk. Wat Pechtold doet, zouden wij Nederlanders uiteindelijk allemaal moeten doen: doorlopend met elkaar discussiëren, argumenten geven, onze positie verdedigen zonder angst om hem af en toe ook weer op te geven. Te luisteren en te praten.

De enige manier om uit de huidige problemen te komen is door te praten, praten en praten. We moeten op een hoger niveau komen, we moeten hoger opgeleid raken. En de enige die ons hoger kunnen opleiden, zijn wijzelf.

25.3.12

James Joyce. Ulysses. Gutenberg, 2003 (1923).

Jawel, ik heb nu Ulysses gelezen. Maar wat vond ik er eigenlijk van?

Ik hoef het natuurlijk tegen niemand te zeggen, behalve dat ik me nu eenmaal ooit voorgenomen heb om over ieder boek dat ik uitlas iets te schrijven. En ik kan hier toch moeilijk het verhaaltje gaan samenvatten.

Het was bij tijden een worsteling. Ik las het boek op mijn iPad, terwijl ik luisterde naar een audioversie van een Ierse acteur die het briljant voorlas. Met alleen de geschreven tekst of alleen de acteur was het me waarschijnlijk niet gelukt. Samen lukte het hen om mijn gedachten er genoeg bij te houden. Bovendien begreep ik zo meer: als de tekst duister was, hielp soms de intonatie van de stem. Als woorden me ontgingen bij het voorlezen, kon ik ze zien.

Die grote inspanning werd ook wel beloond door iets: de meeslependheid van het project om in zoveel detail een gedachtestroom voor te stellen en op te schrijven, al die gedachtes en allusies aan allerlei dingen. Het moderne stadsleven van honderd jaar geleden komt ook helemaal tot leven, je ruikt de smoezelige pakken van de mannen, je voelt de opwinding over wat er allemaal mogelijk is.

Die gedachtestromen, die lezen soms als een soort Twitter: eindeloze lijsten met mededelingen uit werelden die de jouwe niet zijn. En tegelijkertijd zit daar misschien ook wel het probleem. De rusteloosheid in de hoofden van Leopold Bloom en Stephen Dedalus, die zit inmiddels ook in het hoofd van de lezer. Je leest overal dat het moeilijk is om nog geconcentreerd een gewóón boek te lezen — en de klacht dat het zo moeilijk is om je op Ulysses te concentreren zijn al zo oud als het boek zelf. Hoe kan iemand die zelf de hele tijd wordt afgeleid zich nu concentreren op een boek over iemand die de hele tijd wordt afgeleid?

Ulysses gaat aan zijn eigen succes ten onder.

24.3.12

Gerdi Verbeet. Vertrouwen is goed maar begrijpen is beter. Over de vitaliteit van onze parlementaire democratie. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar, 2012.

Gerdi Verbeet lijkt me een aardig mens: ze wil het goede voor Nederland, althans wat zij als het goede beschouwt: de mensen betrekken bij de parlementaire democratie. In dit boek doet ze verslag van haar zoektocht naar manieren om dat te doen. Haar methode is daarbij dat ze een aantal vooraanstaande denkers op dit gebied — journalisten als Joris Luyendijk, wetenschappers als Irene Costera Meijer, ex-politici als Femke Halsema — opzoekt om hen over het onderwerp te bevragen.

In die zoektocht blijkt al snel dat er in Nederland niet zo vreselijk veel mis is met de democratie, of met het vertrouwen van de burger erin. De enkeling die iets anders beweert — bestuurder in ruste Bram Peper, bijvoorbeeld — schetst een zo ongeloofwaardig inktzwart scenario (de guillotines staan al klaar) dat het alleen maar bijdraagt aan het beeld van rust en vredigheid onder al het gemopper.

Dat lijkt mij nu eigenlijk ook. Zolang Wilders en consorten nog zoveel stemmen krijgen, is er kennelijk zelfs een aanzienlijk deel ontevredenen dat toch nog wel enig vertrouwen heeft in de werking van de democratie.

Dat betekent niet dat ik het op alle punten met Verbeet eens ben. Zo ben ik geloof ik iets minder gespitst op de parlementaire democratie, al vind ik het interessant om erover te lezen en ben ik er ook niet per se voor om het in Nederland af te schaffen. Maar belangrijker dan het parlement vind ik uiteindelijk de rechtsstaat en die komt er nu weer een beetje bekaaid vanaf.

In zaken van staatshuishouding ben ik een aanhanger van Karl Popper die zegt dat het belangrijkste doel moet zijn: tirannie vermijden. Dat omsluit onder andere de tirannie van de meerderheid, maar in het algemeen lijkt democratie nog steeds het beste middel om dat doel te bereiken. Dat betekent echter niet dat het middel op zichzelf het belangrijkste is. (Ik denk ook trouwens niet dat Verbeet dat vindt, maar ik zou de focus toch iets anders leggen.)

Een belangrijker geschilpunt is dat Verbeet erg gecharmeerd lijkt van een sociologische theorie die zegt dat er op dit moment vier groepen zijn: de 'overvraagden' (die het allemaal niet zo goed bij kunnen benen), de vriendelijke betrokkenen (zoals Verbeet en neem ik aan ook ikzelf), de slimme en succesvollen die menen de staat niet meer nodig te hebben, en de traditioneel trouwen (de CDA- en CU-stemmers). Het gevaar is dat de eerste en de derde groep groeien, terwijl de parlementaire democratie het natuurlijk van groep twee moet hebben. Verbeet denkt dat het nu goed is om alle groepen te vertegenwoordigen in de Kamer, maar ik vind dat te statisch (zoals ik onlangs ook op Sargasso schreef): net alsof je door het lot nu eenmaal tot een bepaalde groep bent veroordeeld, net alsof we niet kunnen proberen zoveel mogelijk mensen tot lidmaatschap van de tweede groep om te turnen. Want uiteindelijk kan toch alleen dat inderdaad de tirannie afwenden: zorgen dat er zoveel mogelijk kritische burgers zijn met verstand van zaken.

19.3.12

Enzo Bianchi. Perché avete paura? Una lettura del vangelo di Marco. Milano: Mondadori, 2011.

Enzo Bianchi is volgens Wikipedia, iemand die een christelijk leven voorstaat "dat gestoeld is op het luisteren naar Gods Woord". Uit dit boek, dat voor een groot deel bestaat uit een vertaling van het evangelie van Marcus en verder uit een uitgebreide inleiding, blijkt dat hij daarmee onder andere bedoelt: de bijbel lezen als een verzameling verhalen.
Het evangelie van Marcus is een wat vreemd, moeilijk doordringbaar verhaal als je het in deze editie leest. Het begint met een groot aantal wonderen die de de moderne lezer (mij in ieder geval) weinig zeggen. Sommige ervan zijn zelfs heel duidelijk het materiaal waar sprookjes van gemaakt zijn: het verhaal waar Jezus een vijgenboom vervloekt omdat deze geen vruchten geeft en de boom veroordeelt tot nooit meer vruchten geven.
Net als in dat verhaal doet Jezus zich ook overigens kennen als iemand die het wel erg belangrijk vindt dat mensen en bómen hem vertroetelen. Liever geschenken aan hem geven dan aan de armen, want zo lang heeft hij niet te leven.
En toch. Wat een interessante man moet het geweest zijn, met zijn keuze om in parabelen te spreken en met zijn boodschap die de hele orde op zijn kop gooide: niet geld en rijkdom en macht zijn belangrijk, maar de kinderen en de armoedzaaiers. En wat ontroerend is zo'n evangelie toch soms in zijn details:

Ook degenen die met hem gekruisigd waren, scholden hem uit.
Ineens zie je de scene voor je, Jezus aan het kruis, door iedereen uitgescholden, zelfs door de twee losers die naast hem hangen en hetzelfde lot ondergaan. Een man die totaal geminacht werd en in wie tegelijk sommige anderen iets heel speciaals hebben gezien — iemand die, wat je er ook verder over denkt, de wereld met zijn blote handen heeft opengebroken.

18.3.12

Ernst-Jan Pfauth. Gij zult bloggen. Een bliksemstart voor iedereen die zich tot het blogevangelie bekeert.Amsterdam: Einstein Books, 2012

Ik schrijf al meer dan tien jaar aan dit leeslog. Volgens Ernst-Jan Pfauth, die 15 was toen ik begon, maak ik daarmee deel uit van de 'spannendste schrijfrevolutie sinds de boekdrukkunst.' Hij heeft hierover een boekje geschreven dat je tijdens de boekenweek gratis kunt downloaden.

Of eigenlijk maak ik misschien volgens Pfauth geen deel uit van de revolutie, want het aantal bezoekers van mijn leeslog is gering. De meeste besprekingen trekken zo'n honderd lezers, al zijn er uitschieters naar boven en naar beneden. Het populairst (voor zover er sprake is van populariteit) is een stukje dat ik ooit schreef over een roman van Aliefka Bijlsma, dat ik trouwens ook al gratis gedownloaded had.

Terwijl Pfauth uiteindelijk toch streeft naar succes en succes afmeet aan bezoekersstromen — een volkomen legitieme stelregel die ik elders ook wel hanteer — is mijn leeslog toch vooral een volkstuintje. Ik zet er aardige chrysanten in, en het is leuk als er een voorbijganger af en toe naar kijkt, maar nodig is dat niet. Zolang ik er zelf maar aardigheid in heb. Ik mag af en toe graag bladeren door dit weblog om te zien wat ik zoal eerder geschreven, maar vooral gelezen heb. Ik vind het wel aardig als er af en toe iemand reageert onder aan een stukje, maar nodig is ook dat niet. Laat mij hier maar gelukkig zijn in dit kleine hoekje van het internet, met mijn boekjes en mijn stukjes.

De meeste bloggers die ik lees, zijn van volkstuiniers zoals ik, voor wie het misschien eerder genant zou zijn als ze ineens ontdekt zouden worden door het grote publiek. Pfauth wil met zijn gidsje het bloggen professionaliseren. Dat is natuurlijk zijn goed recht en daar is ook niets op tegen. Maar tegelijkertijd gaat het in tegen wat ík beschouw als het belangrijkste element van 'de spannendste schrijfrevolutie sinds de boekdrukkunst': het schrijven halverwege tussen het volkomen private van het dagboek en het openbare van de column in het huis-aan-huisblad; en de emancipatie van de zondagsschrijver in het publieke domein.

Arnon Grunberg: Voetnoot. Eerste verzameling. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar, 2012.

Ik moet misschien mijn aankoopbeleid eens herzien. Ik weet allang dat ik veel meer van Grunberg de fictieschrijver houd dan van Grunberg de denker en de commentator. Zijn verhalen zijn duister en maken je een beetje bang, zijn gedachten zijn vaak wat dun. Ook in deze 'eerste' bundeling van zijn dagelijkse column in de Volkskrant staat weinig dat ik niet al wist of ergens anders gelezen had. Erger nog: met de meeste beweringen van Grunberg ben ik het wel min of meer eens, hij haalt uit naar voor de hand liggende slachtoffers als minister-president Rutte of de koopman-intellectueel F. Bolkestein. Daar gaan mijn oren niet van flapperen.

Toch valt niet uit te sluiten dat ik een volgende editie toch ook weer op mijn iPad download. Omdat het prettige lectuur tussendoor is, zoals het voor de schrijver vast prettig is om tussendoor te schrijven. Omdat de almaar lava spuwende vulkaan die Grunberg is een adembenemend fenomeen is om als tijdgenoot te aanschouwen — als je een dag denkt dat je veel gedaan hebt, hoef je alleen maar even te bedenken wat Arnon Grunberg die dag moet hebben gedaan om weer welgemoed verder te kunnen gaan. Omdat er af en toe toch ook een pareltje voorbij komt:

Kijk, de enige twee echte westerse waarden zijn de euro en de dollar.

Ook dat is weer een gedachte die niet tot duizelingwekkend nieuw inzicht leidt. Maar het is wel even pregnant gezeg.

11.3.12

Daniel Kahneman. Thinking, fast and slow. London: Allen Lane, 2011

Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman is volgens Steven Pinker 'zeker de belangrijkste psycholoog van dit moment'. In Thinking, fast and slow geeft hij, als ik het goed zie, een overzicht van zijn hele onderzoekscarrière. Hij doet dat aan de hand van drie tegenstellingen.

De eerste is tussen wat hij 'Systeem 1' en 'Systeem 2' noemt, twee manieren waarop mensen denken. Systeem 1 is snel, intuïtief, onbewust, nauwelijks onder controle te brengen: het zorgt ervoor dat je in een plaatje met honderd lachende gezichten onmiddellijk het boze gezicht eruit pikt. Systeem 2 is langzamer, logischer, stapgewijs en heeft met aandacht en bewustzijn te maken: als je even snel 17x33= uitrekent, voel je hoe je in je hoofd een aantal stappen zet om tot het eindresultaat te komen.

Het tweede onderscheid is dat tussen 'Econs' en 'Humans'. Econs zijn de rationele agenten uit de klassieke economische theorie: individuen die uit zijn op winstmaximisatie en in dat streven puur rationeel handelen, je zou kunnen zeggen: volgens Systeem 2. Humans zijn mensen die af en toe behoorlijk beïnvloed worden door hun Systeem 1 en daardoor onlogische keuzes maken, soms zelfs geheel tegen hun eigen belang in.

Het derde verschil is dat tussen twee soorten zelf: het 'belevende zelf' en het 'herinnerende zelf'. Wanneer je mensen vertelt dat ze aan het eind van hun volgende vakantie een pilletje krijgen waardoor alle herinneringen aan die vakantie vervagen, en ze dan vraagt hoe dit hun vakantieplannen beïnvloedt, zeggen heel veel mensen dat ze dan waarschijnlijk niet op vakantie zouden gaan. Je gaat niet op vakantie voor de belevenis, niet voor de 'belevende zelf', maar voor de herinnering. (Mijn interpretatie: mensen doen een heleboel dingen niet zozeer omdat het op dat moment nuttig of prettig is, maar omdat het iets toevoegt aan hun levensverhaal.)

Thinking, fast en slow is een fascinerend boek van een briljante man, vol met kleine gedachte-experimentjes die de lezer bij het onderwerp houden (en die tegelijkertijd ook aan grote groepen onderzoekers zijn voorgelegd).

Ik vind het jammer dat Kahneman in de loop van zijn leven zo naar de economie is getrokken. Begrijpelijk is het wel — hij houdt van onderzoek met veel meetbare data, en economisch gedrag heeft nu eenmaal meetbare aspecten — maar het verschil tussen Econs en Humans vind ik eigenlijk het minst interessante. Terwijl ik zoveel meer zou willen weten over het verschil tussen Systeem 1 en Systeem 2. Want hoe zit dat precies? Je kunt met veel oefening sommige vaardigheden automatiseren: de schaakgrootmeester overziet in één blik een ingewikkelde positie op een schaakbord, zoals Kahneman ook zelf noemt. In dat geval is de kennis dus van Systeem 2 naar Systeem 1 verschoven, maar hoe kan dat in zijn werk gaan?

Kahneman is denk ik niet zo in zulke vragen geïnteresseerd omdat hij een modellenbouwer is. Hij wil dingen onderzoeken die hij in kwantificeerbaar onderzoek kan omzetten en hoe-en-waarom-vragen horen daar meestal niet bij. Dat is niet erg: hij heeft in zijn leven fascinerende dingen gedaan en daarbij verbazingwekkende dingen ontdekt. En daar een heerlijk boek over geschreven.

4.3.12

Stephen Fry. The Fry Chronicles. London: Penguin, 2010.

The Fry Chronicles is een heel geschikt boek voor Britten en voor mensen die graag willen voelen dat ze geen Britten zijn. Het boek is het tweede deel in de autobiografie van de Engelse knuffelintellectueel Stephen Fry - komiek, schrijver, acteur, van alles een beetje en een beetje moeilijk maar net niet té, zodat je nog net op tv komt - en beschrijft de jaren van zijn opkomst. Hij maakt daarin schaamteloos misbruik van het krediet dat hij in de loop van de jaren heeft opgebouwd. Het is een beetje alsof Wim de Bie ineens een heel dik boek publiceert met allerlei confidenties (zij het dat Stephen Fry als ik het goed begrijp nooit zo op zichzelf is geweest als De Bie, verder hebben ze wel een vergelijkbaar profiel).

Bah, wat klinkt het voorafgaande negatief. Ik heb Fry's boek met groot plezier gelezen, al heb ik soms stukken overgeslagen die uitgebreid ingingen op allerlei televisieprogramma's die ik nooit gezien heb en beroemdheden van wie de naam me weinig zegt. Maar daartussen staan best lezenswaardige, of in ieder geval amusante stukken.

Het opvallendst is de enorme drang om alles te onthullen: zijn mateloze ambitie, zijn afkeer van zijn eigen lichaam, zijn verslavingen (aan suiker, aan roken, aan werken), zijn afkeer van het doen van confidenties. Zijn onzekerheid. Zijn zelfhaat als hij erover nadenkt hoeveel succes hij altijd heeft gekend en hoe weinig recht hij dus heeft op onzekerheid.

Maar de flapteksten, van Engelse kranten, zijn uitzinnig van enthousiasme. Zo zou een Nederlandse krant ze niet schrijven over een Engelsman (maar wel over Wim de Bie): 'Most readers will want to close the book and give it a hug', 'Deliciously gossipy and very funny', 'Perfect prose and excruciating honesty'. Dat schrijven die mensen alleen maar omdat ze hem kennen, al is het maar van de tv. Degene die het allemaal niet heeft meegemaakt, voelt zich een beetje een vreemde op een familiefeestje. Het is een aardig boek, maar zo goed of grappig of ontroerend is het allemaal niet geschreven.