18.5.14

Pieter Waterdrinker. De correspondent. Amsterdam: Prometheus, 2014.

Wanneer er in New York een blaadje van een boom valt, opent het Nederlandse 8-uurjournaal ermee. Van iedere gebeurtenis van enige omvang wordt uitgebreid verslag uitgebracht. Onlangs werd live verslag gedaan van de herdenkingsdienst voor slachtoffers van de aanslag bij de marathon in Boston. Live! Van een herdenkingsdienst!

De rest van de wereld laat de mensen koud. Hoeveel lezen we over de bizarre, rijke wereld in het moderne Rusland? Hoeveel weten we over dat land?

Pieter Waterdrinker woont al achttien jaar in dat land en doet in dit boek verslag van zijn belevenissen als correspondent voor verschillende Nederlandse media (die nooit met name genoemd worden). Het gaat daarbij meestal om de verhalen achter de krantenverslagen. Er is bijvoorbeeld een humoristisch verslag hoe hij met een winegums etende Duitse stagiaire in een taxi probeert Tbilisi te bereiken wanneer de spanningen tussen Rusland en Georgië zijn opgelopen, en een absurd detectiveverhaal waarin hij probeert te achterhalen wat er gebeurd is met een Nederlandse orgelbouwer van wie het lijk is teruggevonden in Kazan.

Je krijgt zo een zeldzaam levendig beeld van Rusland – van de chaos die er soms heerst, van de ongelijkheid, de onrechtvaardigheid, en tegelijkertijd van de aan liefde grenzende fascinatie die ervan uit kan gaan.

Waterdrinker beschouwt zichzelf vooral als romanschrijver. Hij doet zijn werk als correspondent naar eigen zeggen vooral omdat hij van zijn fictie niet leven kan. Nu moet ik toegeven dat ik zijn fictie niet ken – aan het eind van het boek staan een paar verhalen; die beschouw ik niet als het hoogtepunt van De correspondent, maar dat is natuurlijk ook maar een kleine proeve – maar volgens mij kan hij heel veel van zijn talent kwijt in het soort nonfictie-verhalen dat hij hier schrijft. Het boek staat vol rake observaties, mooie zinnen en overtuigende alinea's. Wat wil je nog meer?

17.5.14

Willem Frederik Hermans. Het behouden huis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1952).

Het behouden huis: het is oorlog, het is al heel lang oorlog, het is doodschieten of doodgeschoten worden. Dat alles is al meteen duidelijk vanaf de eerste bladzijde van deze roemruchte novelle van Willem Frederik Hermans. En zoals de dingen gaan: ik geloof dat ik alles gelezen heb van deze beroemde schrijver, maar deze beroemde novelle, misschien wel het beroemdste wat hij schreef, nou net niet.

Het is een aangrijpend verhaal, een verhaal dat je beklemt doordat het je ertoe verleidt net zo opportunistisch te denken als de soldaat die de hoofdpersoon is. Heel lang kun je dat voor jezelf verantwoorden doordat die soldaat duidelijk aan de goede kant is: hij heeft immers aan het begin van het verhaal al meteen een hele serie vluchtende Duitsers doodgeschoten. Aan het einde van het verhaal zijn de rollen omgedraaid en blijkt hij – blijk jij, blijk ik – medeplichtig aan gruwelijker misdaden dan de Duitsers in het verhaal begaan.

Wikipedia denkt op gezag van allerlei vooraanstaande critici dat het een verhaal is waar je allerlei symboliek in moet vinden, een zoekplaatje. Dat lijkt me volkomen misplaatst. Ik wil niets afdoen aan de knapheid van al die interpretaties ('de hoofdfiguur als vis'), maar ze vormen toch een beetje de achterkant van het borduurwerk: ergens in je achterhoofd speelt natuurlijk mee dat er allerlei gebeurtenissen zijn die te maken hebben met water, en met vissen, en met poezen. Het is ook interessant om uit te pluizen hoe die associaties een rol spelen bij de manier waarop je zo'n tekst beoordeelt.

Sommige van de gelijkenissen zijn ronduit gezocht (de hoofdfiguur worden de tanden uit zijn mond geslagen, en daardoor lijkt hij nog meer op een vis, want vissen hebben ook geen tanden), en mij lijkt het sterk dat de gemiddelde lezer zo'n associatie legt. Ik geloof in ieder geval niet dat hij bij mij zelfs maar in het verborgenste hoekje van mijn geest een rol speelt.

Ik vind in dat soort gevallen zo'n associatie dan ook irrelevant. Mij interesseert het expliciet maken van dat soort dingen wel, maar alleen om de esthetiek te begrijpen, het antwoord op de vraag waarom ik dat mooi vind. Ik geloof dat dit echter lang niet altijd de bedoeling was van al die knappe critici die Wikipedia aan zijn prachtige lemma helpen. (Zij hadden misschien het doel om te laten zien hoe fantastisch geniaal de schrijver was, of hoeveel er in zijn tekst zat. Ik weet het eigenlijk niet, ik weet niet wat Kees Fens bijvoorbeeld wilde aantonen met zijn analyse van zo'n verhaal.)

En wat mij betreft missen die analyses dan ook nog het misschien al te simpele feit: dat het verhaal vooral aanspreekt doordat het zo gemakkelijk en op betrekkelijk weinig bladzijden het slechtste in de lezer naar boven weet te brengen. We zijn geen vissen, we zijn beesten.

9.5.14

Thomas Rosenboom. De rode loper. Amsterdam: Querido, 2012

In de laatste paar honderd bladzijden gebeurt het alsnog. Voor die tijd is De rode loper vooral een wat luchtig, af en toe zelfs kluchtig boek over een net iets te late hippie (in 1973 maakt hij de school af en besluit meteen in de wetenschap te gaan) die zijn hele leven blijft hangen in dat hippiedom; die eigenlijk nooit ergens iets mee bereikt en eindigt als een uitbater van een 'undergroundbioscoop' in Zevenaar, waar hij horrorfilms vertoont die hij van Cult Video in Amsterdam gehuurd heeft.

Maar dan komt op het eind ineens Lena binnen. Lou, de hoofdpersoon, heeft dan al gemerkt dat hij iedere dag alleen zijn chili con carne zit te eten en dat dit eenzaam is. Hij heeft in zijn bioscoop een nieuw initiatief genomen, De rode loper: op zondagavond kunnen de mensen over een rode loper de bioscoop binnenlopen, terwijl buiten nepjournalisten hen staan te filmen en hun vragen toeschreeuwen. Binnen krijgen ze vervolgens de opname te zien die er buiten van ze gemaakt is. En daar doet Lena aan mee. En zij valt Lou meteen op.

En dan gebeurt het, dan komen er een paar scenes in het boek waardoor ik ook dit nooit zal vergeten. Lena blijkt namelijk zo verlegen dat ze nooit wat zegt. Lou wil dolgraag een relatie met haar, en hij begrijpt ook wel dat daar een gesprek voor nodig is. Tegelijkertijd wil hij haar niet nog verlegener maken dan ze al is. Dus stelt hij haar af en toe een vraag, waarop ze nauwelijks antwoord geeft. Die zwijgzaamheid maakt hem wanhopig en begint hem te irriteren, maar hij breekt maar niet door haar zwijgzaamheid en verlegenheid heen.

De vorige alinea is mijn eigen, enorm beholpen poging om de grenzeloze pijnlijkheid van die scenes te beschrijven.

Daar is Rosenboom een meester in: scenes schrijven die zo enorm pijnlijk zijn dat je plaatsvervangend voor de hoofdpersoon door de grond zou willen zakken. Waarom is dat fijn om te lezen? Nogal wiedes, omdat het raakt aan ervaringen die je als lezer ook wel eens gehad hebt, maar waar je natuurlijk nooit over praat. Dat is het soort scene waarvoor een mens wil lezen.

7.5.14

David Van Reybrouck. Tegen verkiezingen. De Bezige Bij, 2013.

De politiek draait de laatste jaren aan de ene kant almaar om de gewone man, en soms zelfs om het volk, of nog sterker, het gewone volk. Er wordt gesproken over een diplomademocratie, over een kloof tussen de hoger en de lager opgeleiden, over wantrouwen in de politiek, onbegrijpelijk wantrouwen. En al dat gepraat gebeurt door hoger opgeleiden, door intellectuelen terwijl de lager opgeleiden kennelijk niet veel beter weten te doen dan te stemmen op cynische schreeuwlelijken die niet veel beter weten te doen dan hen van de regen in de drup te helpen. Of thuis te blijven bij verkiezingen.

Ook David Van Reybrouck is een intellectueel, maar hij komt met een interessante suggestie: dat het idee van een electorale democratie eigenlijk een tegenspraak is. Dat kiezen altijd betekent dat er een elite ontstaat, dat van de gekozenen, en dat het dus leidt tot een aristocratie. En dat het door de invoerders van de electorale democratie, zoals de voormannen van de Franse revolutie ook zo bedoeld is.

Van Reybrouck argumenteert in dit essay voor de loting als alternatief. Zo'n systeem heeft allerlei voordelen. De mensen hoeven niet herkozen te worden, dus ze kunnen meer tijd en aandacht besteden aan het luisteren naar argumenten dan aan het maken van theater. Bovendien raken mensen meer betrokken, ja, zijn ze zelfs aantoonbaar vrijer, wanneer ze af en toe zelf echt mee kunnen beslissen. Bovendien is die beroemde kloof in een klap gedicht.

Tegen verkiezingen is met recht een essay, een proeve, een gedachtespinsel. Het presenteert geen kant en klaar model, al besteedt het wel aandacht aan enkele mensen die aan zulke modellen werken. Het laat allerlei vragen open: geldt die loting alleen voor de controlerende macht, of ook voor de uitvoerende macht? Zo niet, hoe moeten ministers dan worden aangewezen? En wat te doen met die andere, veel mindere democratische machten (de financiële markten, ik zeg maar wat) die helemaal niet democratisch zijn – vormen die geen urgenter probleem?

Maar dat die vragen worden opgeroepen, lijkt mij geen bezwaar. Van Reybrouck nodigt uit tot nadenken, tot overdenken, juist door te laten zien hoe we een van de kennelijk heiligste principes van de moderne Westerse staatsvorm misschien juist wel heel profijtelijk overboord zouden kunnen zetten. En hoe belangrijk en urgent het is om daarover na te denken en te debatteren.

Hoewel dat bijna tegenovergesteld lijkt aan de strekking van het boek, laat het wat mij betreft tegelijk zien hoeveel behoefte we hebben aan intellectuelen, mensen met een hogere opleiding die bereid zijn die hogere opleiding in te zetten voor de publieke zaak: ideeën te vormen en te formuleren, discussies daarover te beginnen en initiatieven. Die mensen hoor je, juist ook in onze diplomademocratie, veel te weinig.

5.5.14

J.J. Abrams en Doug Dorst. S. Canongate, 2013.

S. is waarschijnlijk het wonderlijkste én het meest vernuftig geconstrueerde boek dat ik ooit in handen heb gehad. Het bestaat uit een kartonnen doosje, waarin een bibliotheekexemplaar zit van het boek Ship of Theseus van een zekere V.M. Straka. (Op het omslag zit een stickertje van de bibliotheek, in de binnenkant staat een lijst met stempeltjes wanneer de mensen die het leenden het moesten terugbrengen.) In het exemplaar staan, in verschillende kleuren geschreven, allerlei commentaren van twee literatuurstudenten, Jen en Eric, die op deze manier met elkaar corresponderen (ze zetten het boek steeds terug zodat de ander het kan ophalen). In het boek gestoken zitten allerlei briefjes, ansichtkaarten, een op een servet getekende kaart van de campus van de universiteit, enzovoort.

Er lopen dan ook duizelingwekkend veel verhalen door mekaar heen. Er is dat boek van Straka, dat je op zich kan lezen en dan een wat wonderlijk avonturenverhaal vertelt over een man, S., die aan geheugenverlies lijdt en met een groepje anderen allerlei avonturen beleeft, waarvan je je de hele tijd moet afvragen wat er nu eigenlijk waar is, wat er S. op de mouw gespeld wordt, wat hij zelf S. op de mouw spelt. Maar dan is er een voorwoord en zijn er voetnoten, van een zekere F.X. Caldeira, die beweert dat hij (en later ontdek je: misschien zij) met Straka heeft samengewerkt en zijn boeken in allerlei talen heeft vertaald; en dat hij de laatste was die Straka in levende lijve zou zien, in Havana, om over dit boek te praten, en dat het zover niet kwam doordat Straka stierf. Zodat je vervolgens het boek van Straka kunt lezen om meer te weten te komen over deze revolutionaire persoonlijkheid en de manier waarop hij mogelijk om het leven kwam.

En dan zijn er de verhalen van Jen en Eric. De laatste wilde een proefschrift schrijven over Straka, onthullen wie hij nu eigenlijk was – want daarover zijn allerlei theorieën – voordat hij ruzie kreeg met zijn naaste collega en met zijn promotor omdat deze een geluidsopname van Eric had gestolen, een interview met een van de mogelijke Straka-kandidaten; en toen van het project is gehaald. Het exemplaar van het boek blijkt van Eric, er staan opmerkingen in de kantlijn waarvan hij beweert dat hij die als zestienjarige schreef. Die beweringen doet hij dan tegen Jen, een bachelorstudente die niet goed weet wat ze met haar leven aanmoet en gaandeweg wordt gegrepen door de mysteriën: wie was die Straka nu echt? En Caldeira? En probeerde Caldeira met de voetnoten in haar tekst iets aan Straka duidelijk te maken? Was die misschien niet echt dood?

S. is een soort papieren computerspel, waar de lezer eindeloos moet puzzelen op allerlei niveaus tegelijk. Het ziet er heel reëel uit – je hebt echt een bibliotheekboek in handen waar van alles in geschreven staat en overal briefjes uitsteken – en je bent de hele tijd op allerlei niveaus aan het lezen. Tegelijkertijd zit het boek vol met allerlei literaire verwijzingen naar (vooral) de Amerikaanse literatuur. Het puzzelen van de nerd en dat van de literaire criticus vloeit in elkaar over in dit boek.

Het wordt óók een eerbetoon aan het gedrukte boek genoemd: er schijnt een iPad-versie van te bestaan, maar die lijkt me inderdaad een stuk minder aantrekkelijk. Je moet echt het object in handen hebben. Tegelijkertijd is er ook op internet minstens één website te vinden die onderdeel is van het boek; en de schrijver Dorst heeft kennelijk via Twitter ook een oude recensie van het boek van Straka rondgestuurd. En de studenten hebben zelf ook Twitter-accounts (Eric, Jen)

Er zijn daarmee bijna geen grenzen aan de ingewikkeldheid: het boek strekt zich uit over de hele werkelijkheid, en alle niveaus van het verhaal hebben met elkaar te maken (er is de suggestie dat S de naam was van een collectief van revolutionaire schrijvers, en dat The Ship of Theseus gaat over de leden van dat collectief; en dat Erics hoogleraar misschien met een nieuwe instantie van dat collectief te maken heeft).

Het lijkt me een boek dat iedereen die van boeken én iedereen die van pluizen houdt zou willen hebben.


4.5.14

Fik Meijer. Paulus. Een leven tussen Jeruzalem en Rome. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2013 (2012).

De apostel Paulus kan geloof ik buiten de kerk op weinig sympathie rekenen. Waar menig niet-christen nog wel zou erkennen dat Jezus van Nazareth een interessante, komaan, zelfs een inspirerende figuur was, zou je dat over Paulus niet durven zeggen. Paulus was een gelijkhebber, een drammer, iemand die voor onze tijd nare dingen zei over vrouwen en homoseksuelen, iemand die van de anarchistische beweging van Jezus een kerk maakte.

Ik wist weinig over Paulus, en om daar verandering in aan te brengen heb ik dit boek gelezen.

Fik Meijer is een oudheidkundige die in dit boek eigenlijk niet veel meer doet dan de Handelingen der Apostelen in zijn eigen woorden navertellen, met af en toe een verwijzing naar de brieven van Paulus, en nog zeldzamer naar andere bronnen. De voornaamste toevoeging zijn soms wel wat erg lange beschrijvingen van allerlei plaatsen waar Paulus is geweest, inclusief van hoe die plaatsen er nu uitzien. Paulus is vooral een reisgids voor wie om de een of andere reden in Paulus' voetsporen zou willen treden.

Aan de andere kant komt het geloofsleven van Paulus er bekaaid van af. Meijer gelooft er niet zo in, lijkt het wel; ik bedoel, niet alleen is hij zelf geen christen (dat ben ik ook niet), maar het lijkt wel alsof hij ook niet echt gelooft dat Paulus geloofde. Hij schildert hem vooral af als een tacticus en een organisator, iemand die bepaalde beslissingen om strategische redenen neemt. In de wonderen die Paulus overkwamen gelooft hij niet, en hij gaat er ook zonder meer van uit dat Paulus er zelf ook niet in geloofd kan hebben. Dat levert wel een merkwaardig beeld op, want waarom Paulus dan tientallen jaren onder de moeilijkste omstandigheden van hot naar haar was gereisd, blijft onduidelijk. Voor de eer? Maar dat was toch alleen maar eer in een betrekkelijk kleine, en vervolgde groep. Dat zijn brieven gecanoniseerd zouden worden, kon hij niet weten. Wanneer hij een farizeeër was gebleven, had hij op een eenvoudiger manier minstens evenveel eer kunnen behalen, stel ik me voor.

Tegelijkertijd neemt Meijer Paulus af en toe in bescherming tegen al te heftige kritiek. Die passages over vrouwen, die waren misschien niet voor alle eeuwigheid bedoeld, maar alleen om een bepaald praktisch probleem op te lossen. Verder had Paulus juist veel waardering voor de eerste vrouwelijke christenen. En trouwens, die passages zijn er misschien wel later ingevoegd. Ook hier heeft Meijer soms de neiging om de dingen die hij niet gelooft, eenvoudig terzijde te schuiven, zonder heel diep op de argumentatie in te gaan.

Het is wel een interessant boek, omdat de Handelingen vaardig worden naverteld en soms in historische contekst worden geplaatst. Maar er komt ook wel een vreemd beeld uit naar voren, van een man zonder veel ideologie die als een bezetene naar allerlei verafgelegen steden trok om daar ruzie te maken met joden én heidenen zodat hij geregeld in de problemen kwam. Een man die zelf vast niet had gewild dat zijn brieven tot de Heilige Schrift zouden worden, hoewel hij er geen moeilijkheden mee had om zich met Jezus te vergelijken.

Een merkwaardige man over wie we te weinig weten en die nu de aanleiding is voor een reisgids.

2.5.14

Doeschka Meijsing. Over de liefde. Amsterdam: Querido, 2007

Over de liefde is het verhaal van een vrouw die voor de derde keer in haar leven door een geliefde verlaten wordt na een langere relatie; een vrouw die ook haar vader verliest, en die op een onverwachte manier in contact komt met de lerares op wie ze als tienermeisje heimelijk verliefd was. Het is een mijmering, een lange, mooie, melancholieke mijmering over de liefde. Allerlei vormen van liefde komen er in aan de orde – de homoseksuele en de heteroseksuele, die voor je familie en die voor je vrienden, die van het kind en die van de rijpere mens –, worden met elkaar vergeleken. Het is een boek als een mooie dag in de vroege herfst, met een zon die al wat lager komt te staan en een gevoel dat treurig is en daardoor prettig. Over de liefde is een onvergetelijk boek.

Doeschka Meijsing was misschien wel de eerste literaire auteur van wie ik zelf een boek had: een uitgave van Robinson, als Salamander. Hoe kwam ik eraan? Ik weet het niet meer. Ik wist niet zo goed wat ik met het boek aanmoest, geloof ik. Ik denk dat ik het voor het eerst las toen ik zestien was en een paar jaar later nog een keer, toen ik inmiddels al Nederlands studeerde. En nog steeds niet wist wat ik met het boek aanmoest.

Dat was geen goed begin voor een relatie, en ik heb sindsdien nooit meer iets van haar gelezen. Nu kwam ik min of meer bij toeval met dit boek in aanraking, nu de schrijfster ineens dood is. Ik wist dat Over de liefde heel goede recensies had gekregen, dat het door veel critici als haar beste boek ooit was beschouwd, dus ik wilde het wel weer eens proberen en werd warempel meteen meegesleept.

Wat is het mensenleven toch een eindeloos getob, wat zijn de mensen toch allemaal aan het worstelen. Een heleboel proberen het heus wel goed, maar het lukt allemaal niet. Een van de hoofdlijnen is het verhaal van de laatste verloren liefde van de vertelster, met Julia, de veertien jaar jongere actieve, slimme, intelligente Julia, die na twaalf jaar ineens verliefd bleek te zijn geworden op een man, een getrouwde man die niet van zijn vrouw weg wil. En Julia wil op een bepaalde manier ook niet van haar vrouw weg: ze blijft voor Pip zorgen als deze een ongeluk gekregen heeft.

Ah, die diepe, mooie treurnis om wat er allemaal niet kan.