25.1.15

Jona Lendering. Israël verdeeld. Hoe uit een klein koninkrijk twee wereldreligies ontstonden. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2014.

Als er ooit ergens een woelige periode moet zijn geweest, was het in Jeruzalem aan het begin van onze jaartelling. De joden waren onderling in allerlei theologisch dispuut, vooral over de interpretatie van de Torah, en over de plaats van het offer daarin. In het jaar 70 werd de Tempel door de Romeinen verwoest. En ondertussen liep er daar ook nog een zekere Jezus rond.

Jona Lendering heeft die tijd beschreven in een mooi boek – heel duidelijk, heel toegankelijk zonder populair te worden. Hij maakt daar ook wel een beetje een vertoon van, van dat niet populair worden en toch duidelijk zijn, doordat hij er een paar keer op wijst dat academische oudheidkundigen daarin tekort schieten; maar hij maakt het ook waar. Heel knap beschrijft hij als het ware het ontstaan van het Christendom bezien vanuit het Jodendom – hoe het voor zover we iets over Jezus kunnen weten een niet onlogische Joodse beweging was, en hoe vooral de politieke ontwikkelingen in de decennia erna ervoor zorgden dat het Christendom en het Jodendom elkaar verketterende godsdiensten waren.

Een interessant aspect daarvan is dat de Joden door de val van de Tempel meenden zich minder theologische vrijheid te kunnen veroorloven. Voor die tijd kon je van alles en nog wat doen en geloven en je toch nog Jood noemen; erna kregen met name bepaalde farizeese (op zich tamelijke gematigde) groepen het heft in handen en stelden binnen niet al te lange tijd het rabinaat in: de wetgeleerden die de leiding over de gemeenschap kregen. Mede daardoor was er geen plaats meer voor christelijke ideeën binnen het Jodendom – en de christenen weigerden zich te voegen. Daar bovenop kwam dan nog een keer dat de Romeinen de Joden wel als een wat apart soort godsdienst wilden accepteren – wat dan wel betekenden dat de Joden geen echte Romeinen waren – terwijl de christenen als bijgelovigen werden gezien, van wie aanpassing werd geëist, in ruil waarvoor ze dan wel mee mochten doen.

De ellende die deze breuklijn in de tweeduizend jaar erna zou veroorzaken, kon natuurlijk niemand voorzien. En achteraf kunnen we niet alle stapjes meer precies construeren, maar Lendering laat heel mooi zien wat we wél weten. En hoewel hij een paar keer verzucht hoe weinig we eigenlijk weten van die hele oudheid, komt hij toch een heel eind!

Hugo Claus. Een bruid in de morgen. Uitvoering als radio-hoorspel, Avro-Tros, 2015 (1955).

Een bruid in de morgen kende ik wel bij naam, maar ik had geen idee waar het over ging. Zoals ik hier dan maar moet bekennen dat ik sowieso heel slecht bekend ben met het werk van Claus. Maar nu zijn een aantal van zijn toneelstukken bewerkt als hoorspel en voor de radio uitgezonden. (Ja, het kan nog! Er gebeuren nog dingen! De cultuur is nog niet helemaal dood!)

Het is een indrukwekkend stuk. Een oudere nicht besluit dat ze met haar veel jongere neef wil trouwen. De oudere nicht heeft geld, terwijl het gezin van de jongere neef door de enigszins mislukte artistieke aspiraties van vader juist is afgegleden. Dus ziet moeder haar kans schoon; bovendien kan op deze manier misschien een einde worden gemaakt aan de wat broeierige relatie tussen broer (de neef) en zus.

Het is een toneelstuk dat gaat waarover toneelstukken moeten gaan: over de eindeloze complexiteit van menselijke relaties. Binnen twee uur worden je vijf verschillende gezichtspunten voorgeschoteld – nicht, vader, moeder, broer, zus –, die je allemaal enigszins kunt begrijpen en die tegelijkertijd allemaal benauwend en beperkt zijn. In een door en door burgerlijk milieu wordt onderhuids allerlei strijd gevoerd.

Ik houd daarvan, ik houd veel van zulke stukken die je aangrijpen: doordat iedereen evenveel gelijk en ongelijk heeft, zie je dat er geen enkele goede uitweg is, dat het allemaal moet eindigen in een tragedie.

Jonas Jonasson. De honderdjarige man die uit het raam klom en verdween. Amsterdam: Signatuur, 2011.

Het is een interessant fenomeen: er is een type boek dat over een lokaal iemand gaat die heel eigenzinnig en excentriek is en die op een licht surrealistische manier de hele wereld verandert. Salman Rushdie schreef ze over India, Gabriel Garcia Marquez over Colombia en sindsdien zijn er veel bestsellers volgens het stramien geschreven.

Jonas Jonasson schreef er een over een Zweedse man, wiens leven ongeveer samenviel met de twintigste eeuw en die min of meer bij toeval bij allerlei gebeurtenissen in die eeuw aanwezig was – zodat hij bijvoorbeeld per ongeluk de atoombom uitvond – en die aan het eind van zijn leven nog in een paar dagen een enorm tumult veroorzaakt door te ontsnappen uit het bejaardenhuis, een koffer met miljoenen kronen te stelen, de boeven van wie die kronen zijn te vermoorden, enzovoort.

Het werd een groot succes, dit boek, en dat is natuurlijk ook wel verklaarbaar. Het is het soort lichte kost waarvan de lezer ook nog eens het gevoel kan overhouden dat hij iets heeft opgestoken – of althans dat hij enkele van de belangrijke gebeurtenissen uit de vorige eeuw op zijn rijtje heeft gezien.

Ik houd meestal niet van dit soort boeken. Het demonstratief-excentrieke staat me vaak een beetje tegen, en ik heb al snel het gevoel dat ik mijn tijd wel aan iets anders kan besteden – ik kan om de een of andere reden juist niet zo gemakkelijk in zo'n alledaags magisch realisme verdwijnen.

Bij dit boek was het wel een beetje anders, en dat komt vooral doordat ik het niet gelezen heb met mijn ogen, maar ernaar geluisterd heb. De Luisterbieb-app biedt het gratis aan, voorgelezen door Jan Donkers, en dan is het goede lectuur voor tijdens het wandelen of rennen: niet te ingewikkeld, je kunt af en toe best een stukje missen om het dan later weer op te pikken omdat de grote lijnen vanaf het begin min of meer duidelijk zijn. En je steekt er nog wat van op.

11.1.15

Jonathan Franzen. The Kraus Project. London: Fourth Estate, 2013.

Thuis heb ik tientallen dikke delen staan met alle aflevering van Die Fackel gebundeld, het tijdschrift dat de Oostenrijkse satiricus en schrijver Karl Kraus tussen 1899 en 1936 uitgaf en volschreef. Ik heb het bijna 25 jaar geleden geërfd van mijn grootvader en er nooit ingekeken – dat zou ooit nog wel eens komen. Of opa er zelf wel in gelezen had, weet ik niet. De delen zien er nog betrekkelijk maagdelijk uit.

Jonathan Franzen vind ik een interessante Amerikaanse schrijver. Daniel Kehlmann vind ik een interessante Oostenrijkse schrijver. Franzen heeft nu, met hulp van Kehlmann en een Kraus-deskundige een tweetalige editie uitgebracht van enkele essays van Kraus, onder de naam The Kraus Project, die het geloof ik onwaarschijnlijker maakt dat ik Die Fackel ga lezen.

Op zich is The Kraus Project een fascinerend boek, het soort boeken dat ik graag lees, omdat ze zo lekker ingewikkeld in elkaar zitten. Links staat de Duitse tekst, rechts de vertaling, maar er zijn ook heel veel, soms pagina's lange en vaak heel persoonlijke voetnoeten van Franzen, onder andere over zijn tijd als jonge twintiger in Duitsland, waar hij in aanraking kwam met Kraus. Bovendien worden die voetnoten dan weer aangevuld met opmerkingen van Kehlmann en Reitter, de deskundige.

Maar het animeert allemaal uiteindelijk niet heel erg voor Kraus. Er wordt wel heel sterk de nadruk gelegd op hoe moeilijk Kraus' stijl is, hoe sterk hij geloofde in een moeilijke, ondoordringbare stijl, en hoe veel van zijn onderwerpen ook wel erg tijdgebonden zijn. Kraus was een buitengewoon eigengereide persoon die zich aan niemand iets gelegen liet liggen (en dat ook niet hoefde omdat hij van het familiekapitaal kon leven) en dat dan ook niet deed. Maar bij die niemand hoort dan ook de lezer van honderd jaar later.

Franzen bewondert die eigengereidheid, geloof ik, en kan zich als succesvol auteur inmiddels ook het een en ander veroorloven, zoals de uitgave van dit toch tamelijk ondoordringbare boek, waarin Franzen de strijd van Kraus soms in willekeurige moderne richtingen doorzet: tegen de sociale media bijvoorbeeld, die geloof ik de kwaad van alles zijn.

Mij doet zo'n aanval dan eigenlijk alleen maar meer van het internet houden: van de mogelijkheid om geliefden te kunnen zien, ook als ze 1700 kilometer verderop zitten, om bijna alle gewenste muziek en vrijwel ieder gewenst boek meteen binnen te kunnen halen, en zelfs van het amusement dat de sociale media bieden. Ik voel daar geen verarming in, alleen verrijking.

Ik ben wel blij dat ik The Kraus Project gelezen heb, omdat het handzaam een beeld geeft van Kraus, zijn stijl, zijn manier van denken. En ooit zal ik Die Fackel misschien nog weleens inzien – als ik ineens enorm gegrepen wordt door de behoefte in moeilijk proza over actualiteiten uit het begin van de twintigste eeuw in Wenen te lezen.

5.1.15

Gustaaf Peek. Godin, held. Amsterdam: Van Oorschot, 2014.

Iedereen die iets over Godin, held wil zeggen, zal eerst twee dingen moeten vermelden: dat het boek begint bij hoofdstuk 50 en eindigt bij hoofdstuk 0 en dus achterwaarts verteld wordt – althans, binnen ieder hoofdstuk verloopt de pijl van de tijd wel normaal, maar bij de overgang van het ene naar het andere maak je telkens even een sprongetje; en dat er heel veel erecties en vulva's in voorkomen.

Dat laatste was voor sommige recensenten een bezwaar, maar het eerste wordt geloof ik door iedereen geaccepteerd. Het is misschien vooral ook de combinatie van die twee elementen die het boek bijzonder maken, een genre apart. Een verhaal zo achterstevoren in de tijd lezen, vraagt nogal wat van je lezer; je moet je geheugen heel anders inrichten, omdat je niet onthoudt wat er al gebeurd is maar wat er nog gebeuren gaat. Daar is zo'n geheugen nu eenmaal niet zo op ingericht. En boeken met veel zo expliciete seks vragen meestal juist maar heel weinig van het geheugen.

Ik geloof dat de twee elementen ook op een andere manier met elkaar te maken hebben. De seks is altijd hetzelfde, op het eentonige af. Ik geloof ook niet dat het Peeks bedoeling is om de lezer te prikkelen met al dat gelik en gepijp. Je wordt juist getroffen door de eenvormigheid: Marius en Tessa blijven elkaar maar op dezelfde manier bespringen, of ze nu 20 zijn of 50. Seks is iets wat zich alleen maar in het nu afspeelt: er zijn geen toekomst en verleden. Het maakt kortom niet uit of je het verhaal van voor naar achteren vertelt of andersom.

Maar voor andere aspecten maakt dat wel degelijk uit. Voor de stemming, bijvoorbeeld. Een leven van achter naar voren bezien leidt tot enorme, diepe melancholie. Het hele verhaal wordt doordrenkt door de dood, omdat die aan het begin komt in al zijn treurigheid en vergeefsheid. En wie aan het eind het begin van de affaire leest, weet hoe vergeefs al die jeugddromen zullen zijn. Het hele boek door weet je waar al dat gedroom en gesmacht naar leidt. Naar het graf.