29.12.15

Toon Tellegen. De werkelijkheid Amsterdam: Em. Querido, 2014.

Ik ben bang dat ik uit Toon Tellegen gevallen ben. In het verleden was ik wel gecharmeerd van met name zijn gedichten, al heb ik ook wel wat van zijn dierenverhalen gelezen, en zijn verhalen over 2 oude vrouwtjes, en een roman over een opa uit Siberië of zoiets. Dat moet allemaal al een behoorlijke tijd geleden zijn, want in dit leeslog is niets van dat gecharmeerd zijn terecht gekomen.

Het is dus ook al een behoorlijke tijd geleden dat ik iets van Tellegen las – en ofwel zijn werk heeft alle bekoring voor mij verloren, of deze bundel is minder dan de andere. Voor het laatste vind ik geen aanwijzingen, want in de recensies op het internet worden er allerlei kwaliteiten genoemd van het werk die mij vroeger ook aanspraken, denk ik: het licht absurde, het laconieke.

Maar het zegt mij allemaal niets meer. Ik vind de toon vooral koket, ik vind het absurde wat gemakzuchtig. Het doet me een beetje denken aan het dichtwerk van Alfred Brendel, maar dat heeft als voordeel dat het nadrukkelijk als tussendoortje wordt gepresenteerd en vooral dat het af en toe echt onweerstaanbaar grappig is. Tellegen wil meer een glimlach opwekken – en dat doet hij bij mij helaas niet.

Hier is een willekeurig gedicht uit de bundel (van de website van de VSB-prijs, want daarvoor is Tellegen genomineerd):

Huizen

Ze bouwen met opzet scheve huizen
die langzaam verzakken,
met gladde vloeren waarop je vroeg of laat zult vallen
met blijvend letsel als gevolg,
huizen waarin je elkaar wel naar het leven moet staan,
waarin kwaadaardige schimmels op de muren groeien,
met kelders waaruit giftige dampen oprijzen
en waarin het lugubere gekerm van stervende ratten weerklinkt,
huizen waarin dagelijks brand uitbreekt,
     die de brandweer niet langer wenst te blussen,
waarin de ramen ’s nachts worden ingegooid
en waarnaast buren zich vestigen om het leven ondraaglijk te maken
     met fascistische liederen en koningsgezind geschreeuw,
huizen zonder verwarming en zonder beschutting,
     met motten, luizen, vlooien, mijten, ranzige etensluchtjes
en deuren die niet meer dichtgaan,
en waarin alleen mensen kunnen wonen die pijn hebben, zich machteloos voelen
en van elkaar houden

mensen die van elkaar houden.

Wat is dit precies anders dan een nogal omslachtige en kokette manier om te zeggen dat de liefde de grootste ellende overwint, dat alles vreselijk naar kan zijn en er toch liefde is? Wat valt er onderwerg te genieten?

Waarom moest dit gedicht er komen, wat zijn we opgeschoten nu het er is? Ik denk dat ik het ooit geweten heb, maar ik weet het niet meer.

Elena Ferrante. L'amica geniale. Edizione e/o, 2012.

Tegen het eind van deze roman noemt Lila haar vriendin Elena 'mijn geniale vriendin'. Elena is de vertelster van de roman en tot dat punt heeft vermoedelijk iedere lezer het idee dat Lila het genie is van de twee: ze heeft weliswaar weinig formele scholing, maar ze heeft zichzelf Grieks en Latijn geleerd en de hele bibliotheek verslonden in de Napolitaanse wijk waar Lila en Elena wonen, ergens in de jaren vijftig.

De twee vriendinnen zijn, kortom, aan elkaar gewaagd. Beide zijn bezig op te klimmen uit die wijk – Elena door te studeren, Lila door, aan het eind, te trouwen met de zoon van de succesvolle slager. Beide komen die wijk nauwelijks uit. Beide hebben wel wat preuts gedoe met jongens, maar voor beide is het centrum van de aandacht toch vooral de ander.

Taal speelt een wonderlijke rol in het boek. In de eerste plaats is de stijl betrekkelijk eenvoudig en daardoor kraakhelder. Ook mijn op veel te late leeftijd verworven Italiaans is ruim genoeg om het verhaal zonder enige problemen of woordenboek heel precies te kunnen volgen. Tegelijkertijd is het verhaal psychologisch juist heel subtiel. Nog nooit heb ik het volksleven uit de jaren vijftig zo overtuigend onder woorden gebracht gezien.

Maar taal speelt ook op een andere manier een rol. De dialogen zijn allemaal in het Italiaans uitgeschreven, maar regelmatig wordt er wel bij vermeld dat deze of gene iets in het dialect zegt – of juist Italiaans. Die codewisselingen krijgen zo juist extra betekenis. Bovendien is Elena bezig natuurlijk juist via de taal te ontsnappen – de lessen in de klassieke talen zijn duidelijk de belangrijkste, vanaf hun vroegste jeugd kijken de meisjes op tegen de man die een dichtbundel geschreven heeft (en trouwens al snel een nare viezerik blijkt) en tegen het eind heeft Elena zelfs haar eerste artikel ter publicatie aangeboden aan een onooglijk grijs tijdschriftje.

24.12.15

Richard Dawid. String Theory and Scientific Method. Cambridge: Cambridge University Press, 2015.

Wordt de natuurkunde eindelijk volwassen? Je zou het bijna zeggen, wanneer je Richard Dawids boek over de snaartheorie leest. Het boek buigt zich over de vraag in hoeverre deze natuurkundige theorie nog een wetenschappelijke theorie kan heten; over die kwestie bestaat namelijk sinds enkele jaren een controverse binnen de natuurkunde zelf: een bepaalde groep natuurkundigen verzet zich tegen het feit dat de theorie niet te testen valt tegen (nieuwe) empirische gegevens.

Dawids betoog is helder. Hij zet nauwkeurig uiteen wat het belang is van empirie voor de ontwikkeling van nieuwe wetenschappelijke theorieën; maar even duidelijk laat hij zien dat er ook buiten-empirische criteria gebruikt kunnen worden, zoals de inzichtelijkheid van een theorie, of het feit dat er geen alternatieven is.

En hij vertelt dat zoiets geen nieuws is voor andere vakgebieden. Hij gebruikt de paleontologie als voorbeeld: daar moet je het zo vaak doen met incomplete en nooit meer de completeren gegevens dat de theorieën die je opbouwt op een heel andere manier moeten worden opgebouwd.

Of dat de kritische natuurkundigen zal overtuigen, weet ik niet. Zij kijken soms ook neer op die andere wetenschappen, vanuit het comfortabele standpunt dat het bij hun allemaal beter is, dat er altijd wel een experiment gedaan kan worden. Maar Dawids betoogt dat dit, los van de snaartheorie, voor bepaalde vormen van fundamentele natuurkunde toch al een probleem wordt. De theorievorming is nu zo ver gevorderd dat je om een en ander te testen absurd hoge energieniveaus zou moeten gebruiken. Je kunt dan de tent sluiten, of je kunt overgaan op de criteria van andere wetenschappen.

Ik kan me voorstellen dat niet iedereen Dawids gelooft – hij is immers een filosoof (al is hij ook zeer goed op de hoogte van de moderne natuurkunde), en waarom zou iemand uit zo'n bij uitstek onempirische discipline kunnen uitleggen hoe het moet? Het is toch een beetje een betoog dat uit de theorie uitlegt dat theorie an sich belangrijk is.  Ik vind het trouwens ook jammer dat hij niet erg ingaat op de wetenschapssociologische argumenten die soms tegen de snaartheorie zijn ingebracht: dat de dominantie ervan andere pogingen om tot unificatie te komen tegenhouden, en dat de methode die domineert in de discipline er een is van puzzeltjes oplossen in plaats van wijdse wilde wegen in te slaan. Maar alles bij elkaar is dit toch een interessante studie – ook als je werkt in een andere discipline, waar de relatie tussen empirie en theorie deels weer een heel andere is.

17.12.15

P.C. Boutens. Strofen en andere verzen uit de nalatenschap van Andries de Hoghe. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep,1983 (1932).

Wij horen er niet echt bij, volgens Andries de Hoghe, een persona van P.C. Boutens:

Onze vaders hebben ons niet geweten,
wij bleven voor hen als verstooknen;
alleen de blindheid onzer moeders
heeft ons vermoed en liefgehad.

De broêrs en zusters die daar waren,
onze aangewezene gelijken,
zij sloten rond ons donker heimwee
een bond van levenlicht verzet.

Uit onze weêrstandlooze handen
grepen ze ons deel van 't blinkend speelgoed
eerst met begeertes weiflen glimlach,
dan met het kort gebaar van recht.

Dat Andries de Hoghe een zorgvuldig gekoesterd pseudoniem was, en dat er af en toe bedekt sprake is van homoseksualiteit, wekt in eerste instantie het vermoeden dat het anders zijn hier ook door de geaardheid wordt bepaald. Maar dat is duidelijk ook een te platte interpretatie: het anders zijn gaat dieper, de homoseksualiteit is er alleen maar een teken van.

Ik kende deze poëzie helemaal niet, Boutens is altijd langs me heen gegaan, ik had geen oordeel over hem, ik las hem nooit. Ik kan geen reden bedenken, misschien vooral dat hij toch als een soort overgangsfiguur wordt gezien, iemand die tussen Kloos en Nijhoff inhangt.

Hij is ook wel lastig te lezen; het heeft mij wel geholpen om het verhelderende boek van W. Blok over deze gedichten erbij te lezen. Dát – een diepgravende studie waarin Blok niet alleen definitief bewijst dat Boutens zelf De Hoghe was, maar bovendien een heel interessante en diepgravende theorie opzet over waarom het psychologisch nodig was voor Boutens om die persona op te roepen – zou nou eens gepopulariseerd moeten worden. Want deze strofen van De Hoghe zijn werkelijk ronduit schitterend: zelden werd het gevoel een totale vreemde te zijn in zulk statig en fraai Nederlands verwoord.

13.12.15

Frank van Pamelen. De wraak van Vondel. Amsterdam: Ambo Anthos, 2015.

Een jonge journaliste krijgt aan de vooravond van de troonwisseling van 2013 een berichtje van een jonge dichter. Voor ze hem kan spreken, blijkt de man dood te zijn gevonden in de Oude Kerk, terwijl hij met haar bloed – gestolen toen ze als bloeddonor opereerde – een letter in een gedicht rood maakte.

Vervolgens gaat er van alles buitelen. Er blijkt sinds de 17e eeuw een geheim genootschap te bestaan van dichters die weten dat de Oranjes niet horen waar ze zitten en die wraak willen nemen voor de moord op Van Oldebarnevelt. Allerlei dichters blijken sporen in hun werk te hebben achtergelaten: Vondel, Rhijnvis Feith, Multatuli. Dat genootschap bestaat nog steeds. Wat zijn ze tijdens de kroningsdag van plan? En waarom gaat een schoonzus van de aanstaande koning daartegen zo geweldig te keer?

De huidige leider (Prince) van de ondergrondse rederijkerskamer, zo wordt ons op een versleutelde manier te verstaan gegeven, is een hedendaags schrijver van historische romans (waarvan er net een verfilmd is).  De journaliste, Maaike, krijgt hulp van een professor. Die professor heet Huizinga, want hij is een kleinkind van de historicus die Homo ludens schreef. De wraak van Vondelis een groot spel: een pastiche op thrillers a la Dan Brown, waarin op een vernuftige manier allerlei verwijzingen naar de Nederlandse literatuurgeschiedenis, naar verwikkelingen uit de 17e eeuw zijn verwerkt en naar de structuur van Amsterdam zijn verwerkt. De personages komen niet heel erg tot leven, en bloedstollend spannend wordt het (daarom) niet maar daar gaat het niet om – het verhaal is vooral een vermakelijke conference. De auteur schroomt bovendien niet om zelf wat zelfbedachte Vondeliaanse verzen in zijn tekst te vlechten. (En de huidige leider (Prince) van de ondergrondse rederijkerskamer, zo wordt ons op een versleutelde manier te verstaan gegeven, is een hedendaags schrijver van historische romans (waarvan er net een verfilmd is.)

Soms ben je het lezen van Palamedes en de Ideën weleens even moe. De wraak van Vondel is een heel fijn boek voor zulke zondagmiddagen.

A.F.Th. van der Heijden. De ochtendgave. Amsterdam: De Bezige Bij, 2015.

Als je het kort samenvat, merk je wat het nieuwe boek van Van der Heijden is: een huiskameropera.

Een Nederlandse vrouw, Sara, wordt, in de ochtend na haar bruidsnacht in het rampjaar 1672, een dubbelspion. Ze gaat samenleven met de Fransman Caloyanni en ontfutselt hem allerlei geheim die ze naar haar Nederlandse man, Caspar, doorspeelt, terwijl ze Caloyanni in bed inlichtingen verschaft over de Nederlandse militaire en diplomatieke bewegingen. Caloyanni troggelt ondertussen Caspar 'vluchtgeld' af omdat zijn vrouw zomaar verdwenen zou zijn. Bovendien dumpt hij het kind van Sara bij Caspar, zonder te weten dat dit kind eigenlijk Caspars 'ochtendgave' aan Sara was – hij heeft haar aan het eind van de huwelijksnacht nog bezwangerd. Wanneer de vrede tussen Frankrijk en Nederland gesloten wordt, ontdekt Caspar de ware toedracht, en schaakt Sara uit het Franse hoofdkwartier. Caloyanni komt hen achterna en schiet Sara dood in de Nijmeegse binnenstad. Caspar wordt echter aangetroffen met het pistool in zijn handen en krijgt daarom de schuld.

Je zou het zo op muziek kunnen zetten en in de Westergasfabriek uitbrengen.

Al is dat eigenlijk ook weer niet nodig, want Van der Heijden maakt er zijn eigen taalmuziek bij. Zijn stijl is weliswaar naar mijn indruk wat minder uitbundig dan in eerder werk – niet iedereen die aan het woord komt put zich onmiddellijk uit in allerlei vergelijkingen – maar getuigt nog steeds van een grote beheersing van allerlei registers. In dit geval komt daar dus het historisch taalgebruik in, dat hij subtiel en behendig door zijn proza weet te vlechten.

Het verhaal is een interessante mengeling van het Orpheus-verhaal en dat van Dorbeck. Sara is voor Caspar eerst zes jaar verdwenen – zolang zit ze zonder dat hij het weet bij Caloyanno – en dus dood. Hij haalt haar op uit die onderwereld (zijn tocht door allerlei gangetjes wordt ook zo beschreven, al bevindt deze onderwereld zich boven), maar na een tochtje wordt hij haar alweer ontrukt.

Tegelijkertijd verhouden Caspar en Caloyanni zich tot elkaar als zeventiende-eeuwse versies Dorbeck tot Osewoudt uit Hermans' Donkere kamer van Damokles: de Nederlander en het lid van de bezettingsmacht die helemaal in elkaar lijken op te gaan – bij wie hoort Sara? van wie is het kind? wie heeft Sara uiteindelijk neergeschoten?

Op verschillende manieren nodigt Van der Heijden de lezer uit onder het opera-achtige oppervlak van de roman te kijken. Niet alleen communiceren Sara en Caspar in een zeer ingewikkeld geheim systeem met elkaar (de tekst is verzegeld én cryptografisch versleuteld en daaronder dan nog heel poëtisch opgesteld), maar Caspars enige hoop om zijn onschuld te bewijzen is dat iedereen het slagveld goed doorzoekt op zoek naar een tweede kogel (de theorie van de autoriteiten is dat er maar één kogel is en Caspar zijn vrouw door zijn eigen arm heen heeft doodgeschoten). Naar die kogel wordt wel oppervlakkig gezocht, maar hij wordt niet gevonden.

Gegeven dat alles is het stuitend hoe oppervlakkig de recensies zijn die er tot nu toe van het boek in de kranten verschenen. Een dieptepunt was wel de bespreking van Heumakers in NRC Handelsblad: klagen dat je je zo moeilijk kunt inleven in de gevoelens van de hoofdpersoon! Of dat je zo weinig te weten komt over de vrouw die het grootste deel van het boek kwijt is! De kranten kunnen geloof ik maar beter ophouden te doen alsof ze boeken nog bespreken. Wij kunnen maar beter ophouden die kranten te lezen, en ons rechtstreeks wenden tot romans als De ochtendgave.

7.12.15

Arie Storm. Het laatste testament van Frans Kellendonk. Amsterdam: Atheaeum, 2015

Om onnaspeurlijke redenen is de geest van Frans Kellendonk in Arie Storm gevaren. Arie is al tijden bezig een biografie over zijn grote voorganger gekomen, maar het zit er niet echt in. Nu heeft hij Kellendonk aangeroepen. Die is gekomen en bekijkt zichzelf en Arie nu door de ogen van Arie.

Roman staat er op het omslag, maar zoals Kellendonk zelf zegt over een ander boek: het is eerder een novelle. Het is een aardig idee, en je amuseert je voor een paar uur wel met dit boek, maar voor iemand die betreurt dat de huidige literaire cultuur zo oppervlakkig is (met Adriaan van Dis is het allemaal begonnen), is dit boekje opvallend, eh, oppervlakkig.

Van het werk dat Storm eventueel ooit heeft gedaan voor de biografie is niet zoveel te merken. Er worden mij in ieder geval weinig of geen dingen over Kellendonk verteld die ik niet al wist. En ik ben nu niet speciaal een kenner.

Wat erger is: ook verder blijft het een beetje steken bij een idee. Het is jammer dat het niet aankomt op een echte confrontatie tussen Storm en Kellendonk. De laatste beziet wat de eerste doet hooguit met een wat ironische glimlach, maar strijd blijft uit. De sneren zijn gereserveerd voor Saskia Noort (wie?), Adriaan van Dis, Carel Peeters en vooral Jaap Goedegebuure, maar Storm en Kellendonk blijven gespaard.

Het laatste testament van Frans Kellendonk is daarmee een aardige mijmering waarmee je wat uurtjes (een stuk of 2) doorbrengt, en waarbij je nog eens aan de grote jonggestorven schrijver denkt, maar dat daarna wegzinkt in de eindeloze tijd.

2.12.15

Gerard Reve. Een circusjongen. Amsterdam: Athenaeum, Polak en Van Gennep, 1975.

Iemand ligt in bed seksverhaaltjes te vertellen aan zijn minnaar. Wanneer de laatste in slaap valt, bedenkt de eerste eerdere gevallen waarin hij ook verhalen vertelde, en in die verhalen vertelde hij dan ook weer verhalen, en zo wordt gaandeweg een suikerspin van steeds meer verhalen gedraaid, tot de verteller uiteindelijk een Dichter-Schrijver blijkt te zijn in het ultieme verhaal, een Dichter-Schrijver die gehuldigd wordt door de koningin en door haar ook wordt gevraagd het levensverhaal op te tekenen van een vrouw die hij in een eerder verhaal heeft verkracht.

Een circusjongen gaat over koortsachtige fantasie en fabuleerlust. Het ontspruit er misschien ook aan, want de compositie van het boek is niet heel sterk: althans ergens op tweederde stort het helemaal in en worden de verhalen wel heel langdradig en kitscherig. (Volgens zijn biograaf Nop Maas dacht Reve hiermee de massa's voor zich te winnen, maar ik weet niet hoe hij zich dat voorstelde.)

Als je het zo leest, als een koortsdroom, is zeker het eerste stuk ook even fascinerend als het beste werk van Reve. En eigenlijk hoort het laatste deel er dan ook bij, als die fantastische constructie van taal, die poging om nu eens zonder grapjes een aantal draken van fantasieën (en toen was ik soldaat in de oorlog en verloor mijn kameraden, en toen was ik een vertrouweling van de koningin) in detail neer te zetten.

Dat mislukt weliswaar, maar zoiets moet ook wel mislukken. En dat maakt de wanhoop alleen groter.