27.10.06

Vikram Seth. An Equal Music. London: Phoenix, 1999.

Een violist uit Noord-Engeland in een strijkkwartet heeft tien jaar geleden zijn eerste liefde beleefd met een pianiste. Ineens duikt zij weer op in zijn leven. Ze blijkt doof geworden te zijn, maar dat kan ze heel goed verbergen: met het praten doordat ze kan liplezen en met het samenspelen doordat ze het muzikale equivalent daarvan beheerst — ze kan de bewegingen lezen die haar medemuzikanten maken, en zo kan ze zelfs met het strijkkwartet van de violist optreden in het Forellenkwintet van Schubert. Maar de liefde is gedoemd: hij heeft haar tien jaar geleden verlaten, en is haar nooit vergeten; maar zij werd door dat verlaten indertijd verscheurd, en is inmiddels getrouwd en heeft een kind.

Wat een prachtig boek is dit — wat een toon heeft Seth. Doordat het boek over muziek gaat, ben je geneigd te denken dat die toon muzikaal is, maar zo is het geloof ik toch niet: het is meer een licht melancholieke prozatoon. En ondertussen een verbluffend verhaal verteld, ook al zo licht melancholiek, met fraaie scènes.

Een goede schrijver is een beetje een goochelaar, die je dingen pas laat zien als hij dat wil. In An Equal Music is er sprake van een strijktrio van Beethoven dat de violist vroeger met zijn geliefde en een vriendin van haar speelde. Op een bepaald moment komt de violist erachter dat Beethoven dat trio aan het eind van zijn leven heeft omgeschreven tot een strijkkwintet. Hij beweegt hemel en aarde om die bewerking op de plaat te krijgen en vindt het uiteindelijk in een tweedehandsplatenzaak. Dolgelukkig rijdt hij met de bus door Londen naar huis. Ineens ziet hij in een bus die de omgekeerde richting oprijdt zijn geliefde die hij tien jaar niet gezien heeft. Hij gaat de bus uit en probeert haar met een taxi te volgen — tevergeefs, de taxi komt niet door het verkeer. Uiteindelijk rent hij ook de taxi uit, zo kan hij de bus nog net bereiken, maar ze zit er niet meer in. Pas op dat moment komt hij er achter dat hij ook de plaat in de taxi heeft laten liggen. Bij veel andere schrijvers zou je dat als lezer al meteen in de gaten hebben, dat hij die plaat niet meeneemt; Seth weet je zo af te leiden dat je er pas samen met de hoofdpersoon achter komt. Totale ontreddering, een prachtig gevoel van alles verloren te hebben.

22.10.06

Joris Luyendijk. Het zijn net mensen. Beelden uit het Midden-Oosten. Amsterdam: Podium, 2006.

In zijn Verantwoording bij dit boek schrijft Joris Luyendijk:

"Journalistiek gaat over de wereld, en dus moet er ook journalistiek zijn over journalistiek want die maakt deel uit van de wereld. Media controleren de macht, maar media hebben ook macht. Het idee van democratie is dat alle machten verantwoording afleggen, en vanuit die gedachte heb ik dit boek geschreven.

Maar als journalistiek boek stelt het toch wat teleur; daarvoor is Het zijn net mensen teveel een verslag van Luyendijks eigen wederwaardigheden, zonder dat hij met anderen gesproken heeft of zijn beweringen over de journalistiek heeft gecheckt. Hij beschrijft hoe een naamloze BBC-correspondent van het vliegveld gehaald wordt door een assistent en rechtstreeks naar zijn hotel wordt gereden, waar in het Engels vertaalde verslagen op hem liggen te wachten: de gewone man zie die correspondent niet. Maar waarom zou je als een dergelijk boek schrijft niet eens met die correspondent gaan praten om te horen wat zijn kijk op dit verhaal is? Of waarom zou je niet eens wat mensen ondervragen die de berichtgeving over het Midden-Oosten (of bijvoorbeeld de oorlog in Irak) kritisch hebben geanalyseerd? Aan het eind van het boek beschrijft Luyendijk hoe hij zich voor de tv zit te verbijten over de manier waarop de inval in Bagdad verslagen wordt; hij schrijft dat gevoel elegant op, maar het is toch onbevredigend dat wat meer analyse ontbreekt.

21.10.06

Arnon Grunberg. Tirza. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar, 2006

Arnon Grunberg zonder grappen, daar moest ik de eerste tweehonderd pagina's wel aan wennen. Er gebeurt bovendien niet bijster veel, tijdens de eerste helft van het boek. Ja, Jörgen Hofmeester maakt sushi en sashimi op het feestje van zijn dochter, en zijn vrouw komt onverwacht weer thuis na vele jaren van afwezigheid.

Die relatieve gezapigheid dient alleen als achtergrond voor het geweld dat later in het boek uitbarst, als Jörgen Hofmeester uit zijn pantser van beschaving breekt, als het beest in hem loskomt, heel even. Nu blijft een achtergrond van tweehonderd pagina's zonder grappen wel een beetje lang. Het verhaal wordt daarna wel enerverend en Tirza is een mooi boek, maar toch niet echt een meesterwerk. Ik denk bij Grunberg de hele tijd dat zo'n meesterwerk nog een keer zal komen — maar wanneer eigenlijk? Er zou in ieder geval meer in te lachen moeten zijn dan in dit boek, en net zoveel om over te huiveren.

Eerder schreef ik hier over Grunberg rond de wereld, De joodse messias en De techniek van het lijden.

17.10.06

Steven Levitt and Stephen Dubner. Freakonomics. A Rogue Economist Explores the Hidden Side of Everything. New York: Harper Torch, 2005 (2006)

Volgens Steven D. Levitt wordt de economische wetenschap vooral gekenmerkt door een verzameling methoden, en verder door aandacht voor een specifiek onderwerp: prikkelingen. Maar prikkelingen zijn niet per se financieel, en dus kun je die economische methoden van zeer geavanceerde statistiek over grote verzamelingen gegevens ook op andere onderwerpen toepassen. En zo kun je bewijzen dat leraren in Chicago of sumo-worstelaars in Japan af en toe frauderen: er duiken eigenaardigheden op in de testscores van hun leerlingen of hun winst-verlieskansen in bepaalde wedstrijden die niet anders te begrijpen zijn.

Ik weet maar weinig van economie, en dit boekje geeft wel een aardige inleiding in een bepaalde manier van denken. Afgezien van de afgrijselijke titel is het ook goed geschreven. Duidelijk. Niet te traag en niet te snel. Vlot zonder ontsierd te worden door al te opzichtige Amerikaanse humor.

Wel heeft de structuur een enkele keer de inhoud weggeduwd. Volgens de flaptekst — en iets soortgelijks wordt ook in het boek zelf beweerd — begint Levitt gewoonlijk "with a mountain of data and a simple, unasked question". Maar vervolgens wordt de lezer geacht te geloven dat een zo'n vraag is 'What do school teachers and sumo wrestlers have in common?' Het antwoord is dus dat ze beide bedrog plegen; maar dat iemand met precies deze vraag zijn onderzoek begint, dat is wel heel onwaarschijnlijk. Het lijkt toch meer een vraag die achteraf de resultaten aardig kan samenvatten in een afgerond hoofdstukje.

10.10.06

Christiaan Weijts. Art. 285b. Amsterdam/Antwerpen: De Arbeiderspers, 2006.

Artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht is een vrij recent wetsartikel; het verbiedt stalking. Sebastiaan Steijn wordt van dat misdrijf verdacht, en misschien ook niet ten onrechte, want hij is een ex-vriendin maar sms'jes blijven sturen omdat hij dacht dat zij hem nodig had. In de vorm van een uiterst wonderlijk proces-verbaal — de meeste tijd wordt Steijn aangeduid als 'de verdachte' — kom je van alles te weten over

Het begint meteen al goed, misschien nog niet eens zozeer bij de eerste zin ("Laat je niks wijsmaken, het begint allemaal heel onschuldig.") als wel bij de tweede alinea ("In de portiek scheidde ik op een ochtend de post van de reclame. Er was een Thaise bezorgdienst in mijn wijk gekomen, ik had een halve ton gewonnen in een loterij, de vissticks waren in de aanbieding. Dat waren op zich vrij gunstige ontwikkelingen, maar één brieflogo beloofde minder beste tijdingen: Politie Amsterdam-Amstelland, district vijf."). En al snel begin je te begrijpen dat dit een boek is dat op alle niveaus goed is. Een boek dat je ineens vertelt in wat voor tijd je eigenlijk leeft, en dat doet in een sprankelende stijl en zonder dat je je ooit verveelt. Een boek van een schrijver die de juiste schrijvers gelezen heeft en in een nieuwe cocktail heeft verwerkt: Houellebecq en Roth en Grunberg. Een boek over een obsessie (altijd goed) en wat voor een. Maar ook een boek over Scarlatti, over Amsterdam en Leiden, over wat er in Nederland de afgelopen jaren gebeurd is en over procedures. Een fraai boek, vind ik.

7.10.06

Stefan Brijs. De engelenmaker. Amsterdam/Antwerpen: Atlas, 2006.

Dokter Victor Hoppe lijdt aan Asperger; hij heeft er precies alle uiterlijke kenmerken van zoals je die in de boeken kan vinden: hij heeft geen gevoel voor humor, hij neemt alles letterlijk, hij begrijpt menselijke contacten niet, hij is geobsedeerd. Zijn particuliere obsessie betreft de mogelijkheid om leven te scheppen, bijvoorbeeld door te klonen. Hij zorgt ervoor dat er drie klonen van hem komen, met precies dezelfde Asperger. Dat klonen heeft alle problemen zoals je die in de boeken kan vinden: de kinderen worden net als de schaap Dolly veel te snel oud.

Het verhaal van Dokter Hoppe zou door de Amerikaanse schrijver John Irving geschreven kunnen zijn, maar die zou de hoofpersoon wat zoeter en warmer en menselijker gemaakt hebben; bij Brijs wordt het verhaal gaandeweg gruwelijker. Misschien is dat beter. Maar ik vind het ook een beetje klinisch: de medische problemen komen allemaal wel heel erg uit het boekje, er zijn wel wat erg weinig mensen te vinden in het verhaal. De gruwelen blijven daardoor een beetje op een afstand, het is een wat intellectueel verhaal: iets te veel Harry Mulisch en iets te weinig John Irving.

4.10.06

Ian Buruma. Murder in Amsterdam. The death of Theo van Gogh and the limits of tolerance. London: Atlantic Books, 2006.

Ian Buruma is een bekende Engels-Amerikaanse essayist, maar ook een Nederlander. Zo iemand moest wel een boek schrijven over Nederland in de verwarrende periode. Iemand die er van een afstandje maar met een heleboel achtergrondkennis naar kijkt, iemand die de Nederlandse volksaard wel kent, maar er ook weer niet zo dicht bovenop zit dat hij overal bij betrokken is. Lang leve Ian Buruma, dus, dat hij 'zijn verantwoordelijkheid genomen heeft'.

Maar wat een teleurstellend resultaat. Buruma heeft een jaar in zijn vaderland geleefd en daar met de gebruikelijke mensen gesproken — Geert Wilders, Theodor Holman, Ahmed Aboutaleb — en komt eigenlijk ook niet veel verder dan wat algemene observaties. Een enkele keer probeert hij wel wat dieper te graven, maar dat overtuigt mij eigenlijk niet. Zo schrijft hij dat schuldgevoelens over wat er in de oorlog gebeurd is aan beide kanten een belangrijke rol speelden. Nu geeft hij daar ook enkele bizarre voorbeelden van — joden en NSB'ers als één scheldwoord gebruikt — maar het verklaart niet waarom het zestig jaar na dato ineens tot allerlei uitbarstingen zou komen.

Het soort verklaring dat ik eigenlijk nog nooit gelezen heb, is dat van de verveling. Ik begrijp wel dat het cynisch klinkt: de opkomst van een extreem-rechtse politicus, twee moorden, zeer verhitte debatten allerwege — en dat alles omdat men niets anders omhanden had? Natuurlijk waren er ook andere factoren — vooral van onbehagen, over 11 september, over de paarse kabinetten, over de immigratie. Maar ik zou geloof ik wel durven beweren dat al dat onbehagen in Nederland eigenlijk nog niet eens zo groot was, maar dat het zich in eerste instantie rond Pim Fortuyn kristalliseerde, omdat je je bij die man tenminste niet hoefde te vervelen, net zo min als bij Theo van Gogh. En dat in ieder geval jongens als Mohammed Bouyeri zich ook in de islam verdiepten om iets te doen te hebben. De jaren negentig waren voor veel mensen misschien wel wat saai, alles ging zo goed, iedereen was het in grote lijnen met elkaar eens. Wat je over de afgelopen jaren ook kunt zeggen, saai waren ze in ieder geval niet, voor Nederlandse begrippen.