28.8.09

Aravind Adiga. The White Tiger. London: Atlantic Books, 2008.

Aravind Adiga. The White Tiger Soms lees je boeken vooral voor de gezelligheid. Omdat mensen het over dat boek hebben, omdat een zeker iemand het net gelezen heeft en er verrukt van was, omdat er af en toe aan je wordt gevraagd of je nog een leuk boek weet, en je om de een of andere reden dan meestal niet geacht wordt met Moby Dick aan te komen zetten.

De komende paar maanden kan ik zeggen: ja, The White Tiger van Aravind Adiga.

Leuk is niet per se het meest geschikte woord, en gezellig eigenlijk ook niet, aangezien het een inktzwarte satire is over allerlei misstanden in de maatschappij, waarbij je letterlijk over lijken moet gaan om rijkdom te verwerven. De hoofdpersoon Balram Halwai ziet er dan ook niet tegenop om zijn baas, de man wiens auto hij rijdt, op een dag de hersens in te slaan met een kapotte whiskyfles. Zoals die baas er eerder niet tegenopzag om Balram ertoe te dwingen een papier te ondertekenen waarop stond dat hij een man had overreden, terwijl het eigenlijk de vrouw van de baas was geweest die dat ongeluk in een dronken bui had veroorzaakt.

En tegelijkertijd zijn gezellig en leuk toch ook weer wél van toepassing: de lakonieke toon waarop Balram zijn verhaal vertelt laat het boek ruim 300 pagina's lang wervelen. De vorm is een serie brieven die Balram schrijft aan Wen Jiabao, de premier van China die op bezoek komt in Bangalore. Over die stad weet Balram toevallig alles. Bovendien zou China behoefte hebben aan ondernemers:

Apparently, sir, you Chinese are far ahead of us in every respect, except that you don't have entrepreneurs. And our nation, though it has no drinking water, electricity, sewage system, public transportation, sense of hygiene, discipline, courtesy, or punctuality, does have entrepreneurs.

The White Tiger is echte satire: grappig maar tegelijkertijd bijtend scherp. De mens wordt er in een verschrikkelijke gedaante getoond. Het is een boek waarover je lang kunt napraten: gezellig!

23.8.09

William Faulkner. The Sound and the Fury. New York: Vintage, 2005 (1929).

William Faulkner. The Sound and the Fury Ik denk dat alle lezers van Faulkner het overal en tot in eeuwigen dage op een bepaald moment over een onderwerp moeten hebben: dat The Sound and the Fury zo lastig te lezen is. Je kunt het prachtig vinden of afschuwelijk, je kunt alle andere boeken uit de wereldliteratuur gelezen hebben, of geen enkel — moeilijk blijft het.

Dat geldt vooral, of eigenlijk uitsluitend voor de eerste van de vier hoofdstukken, die ieder geschreven zijn uit het standpunt van een van de gebroeders Compson waar een steekje los aan is: het eerste van Benjamin, die autistisch is maar ook enigszins achterlijk, het tweede vanuit Quentin op de dag dat hij in wanhoop zelfmoord pleegt. Het derde hoofdstuk is geschreven vanuit Jason, die zo'n onsympathiek en laag bij de gronds personage is dat zijn verhaal voor weinig problemen zorgt, en het laatste hoofdstuk heeft zelfs een heel klassieke alwetende verteller.

Het verhaal is, als je het helemaal uitgeplozen krijgt, nog niet eens zo vreselijk ingewikkeld. Een familie uit het zuiden raakt aan het begin van de twintigste eeuw in verval door drankzucht van de vader, overdreven eergevoel van de moeder, promiscuïteit van de dochter, de zelfmoord van Quentin en het zelfzuchtige gedrag van Jason. Maar doordat voor Benjamin en Quentin heden en verleden door elkaar lopen (en er bovendien twee verschillende personages zijn die Quentin heten en twee andere die Maury heten) raak je als argeloze lezer bijna onvermijdelijk in de war.

Een geweldig hulpmiddel is dan het internet. Daar is namelijk een prachtige hyperteksteditie van het boek te vinden. The Sound and the Fury blijkt gemaakt voor hypertekst. Met kleurtjes worden de verschillende herinneringen ineens uit elkaar gehaald, en bovendien kun je de fragmenten nu, behalve in de volgorde waarin ze in het hoofdstuk staan, ook in chronologische volgorde lezen.

Waarom maakte Faulkner het boek zo moeilijk? Uit de laatste twee hoofdstukken, maar eigenlijk ook al uit flarden in de eerste twee, blijkt dat het in ieder geval geen onmacht was. Hij kon heel knap en meeslepend in een tamelijk 'gewone' stijl een aangrijpend verhaal vertellen. Uit dedain voor het publiek alleen kan het ook nauwelijks zijn ontstaan, want uit biografische informatie begrijp ik dat Faulkner op het moment van publicatie arm was en nauwelijks van zijn schrijfwerk kon leven. Een bestseller zou The Sound nooit worden, dat zal de schrijver toch wel hebben voorzien.

Je zou kunnen denken dat het in de lucht hing, dat schrijvers als Faulkner in die tijd de gedachte hadden dat ze het proza moesten veranderen, dat zij de literatuur van de toekomst zouden schrijven. Maar als dat de gedachte was, en dit de toekomst, dan is het experiment mislukt. Zo schrijven de meeste schrijvers niet meer, ze lijken een paar stappen terug te hebben gezet.

Ik weet dus niet waarom Faulkner het zo heeft gedaan, maar ik weet geloof ik wel wat voor effect het op mij als lezer maakt. In het begin voelt een lezer als ik, een gewone, doorsneelezer, alleen maar weerstand. Als je moet gaan studeren en puzzelen om een beetje te kunnen begrijpen wat er gebeurt, ga je je al snel afvragen of dat wel de moeite waard is. De thematiek is in sommige opzichten ook een beetje ouderwets, veel problemen komen toch vooral voort uit de bekrompenheid van de mens in het zuiden aan het begin van de vorige eeuw. Doordat je in de eerste hoofdstukken zo enorm veel moeite moet doen, ga je vanzelf meer van het boek houden. Omdat in de tweede helft gaandeweg bijna alles duidelijk wordt, houd je aan het eind bovendien nog een prettig gevoel over dat je het hebt begrepen. En door dat gevoel kun je dan ook wat meer waardering op brengen voor het begin, en inzien hoe knap het eigenlijk is dat iemand een geestelijk gehandicapte of een gefrustreerde zelfmoordenaar vanbinnenuit beschrijft. Wie doorzet, wordt uiteindedelijk beloont met een rijk beeld van een totaal verknipte familie. Ik denk dat ik uiteindelijk heel veel van dit boek ga onthouden — veel meer dan menig gemakkelijker boek.

16.8.09

Ovidius. Metamorphosen. Amsterdam: Athenæum - Polak & Van Gennep, 2008 (8)

Ovidius. Metamorphosen

Vertaling: M. d'Hane Scheltema.

Vorig jaar was Metamorphosen van Ovidius precies 2000 jaar oud, maar als dat gevierd is, heb ik het niet meegekregen. Tweeduizend jaar is in ieder geval een onvoorstelbare hoeveelheid tijd voor een mens, en het is daarom altijd maar de vraag hoeveel je als moderne lezer nog meekrijgt van zo'n meesterwerk van lang geleden.

Wie de recensies leest krijgt de indruk dat Ovidius wat reputatie betreft de Harry Mulisch van de Oudheid was: iemand die bekend stond om zijn betrekkelijk inhoudsloze inventiviteit en zijn grote beheersing van de mythologie. De grote Romeinse retoricus Quintillianus heeft zoiets al gezegd. Nu houd ik toevallig wel van het werk van Mulisch, en uiteindelijk toch ook wel van dat van Ovidius.

Ik moest wel even wennen. In Metamorphosen beschrijft Ovidius de ontwikkeling van de wereld vanaf de eerste Chaos tot aan zijn eigen tijd, en hij doet dat als een opeenvolging van veranderingen: om de haverklap wordt er iemand in een boom, een bloem, een vogel, een hoefdier, een rotsblok of een sterrenbeeld veranderd. Nadat de zoveelste verenbos aan een arm was gegroeid, had ik het gevoel dat het nu wel genoeg was. Maar ik bleef stug doorlezen en had daar uiteindelijk geen spijt van. Niet alleen omdat er heel veel heel mooie verhalen heel goed worden verteld — de beste verhalen, de meest poëtische zijn, zoals vaker in de Oudheid, de bloeddorstigste — maar vooral ook omdat het einde verrast, als koning Numa bij Pythagoras op bezoek gaat, en daar niet alleen een overtuigend pleidooi voor het vegetarisme krijgt voorgeschoteld, maar ook de gedachtewereld waarop de Metamorphosen rust: alles op onze wereld kan altijd in alles veranderen, onze substantie kan allerlei vormen aannemen. En tegelijkertijd blijft alles hetzelfde, want de substantie verandert niet. Zoals je bijenwas in allerlei vormen kunt gieten, zegt Ovidius. Dat is misschien niet helemaal waar in de grote boze wereld om ons heen (maar misschien toch ook wel). Het is in ieder geval waar in boeken die zo prachtig zijn dat ze eeuwen later nog ongewijzigd gelezen en genoten kunnen worden.

14.8.09

Philip Roth. Patrimony. New York: Library of America, 2008 (1991).

Philip Roth. Novels and other narratives 1986-1991 De vader van Philip Roth is dood. Op 86-jarige leeftijd is hij gestorven aan de gevolgen van een hersentumor. Dat is weliswaar al ongeveer twintig jaar geleden gebeurd, maar ik heb het nieuws pas nu tot me door laten dringen, doordat ik Roths roman over de laatste maanden van zijn vader las, Patrimony. A true story.

Een waargebeurd verhaal als ondertitel, dat geeft bij deze schrijver altijd te denken, ja, dat roept op tot wantrouwen. Roth heeft meer boeken geschreven die zogenaamd waargebeurd zijn en zelfs over Philip Roth gaan, maar tegelijkertijd onmiskenbaar versonnen zijn (Operation Shylock bijvoorbeeld). Maar dan verbaast de schrijver je toch weer — door nu ineens volkomen oprecht te lijken te zijn.

Dat wil niet zeggen dat hij niet zelfs in dit boek speelt met de grenzen tussen fantasie en werkelijkheid. Wanneer Philip naar zijn vader rijdt om die het slechte nieuws te brengen van de tumor, rijdt hij in gedachten per ongeluk verkeerd, en komt uit bij de begraafplaats waar zijn moeder zeven jaar eerder begraven is. Dat is te mooi om waar te zijn, en daar denkt de schrijver in het boek ook over na; maar het is ook te mooi om te zijn verzonnen.

Nog een voorbeeld: in het boek komt ook een vriend van Roths vader voor, een holocaust-overlever die door Philip aan een uitgever moet worden geholpen. Op een etentje geeft die vriend een paar proefbladzijden te lezen: ze blijken te bestaan uit pornografie van de slechtste soort, eindeloze opsommingen van welke vrouwen de hoofdpersoon hoe allemaal tijdens zijn onderduikperiode in Berlijn heeft bezeten.

Maar vooral is het een liefdevol portret van de vader, de man die het als verzekeringsagent bij een half-antisemitisch bedrijf in het Amerika van de jaren dertig en veertig gemaakt heeft door te werken en nog eens te werken, een man die nu dwars en opstandig en onredelijk en vuil is, maar vooral wil leven. Een man die worstelt met zijn geloof en zijn gevoelens voor zijn kinderen, die onredelijk is tegen de vriendin die hij na de dood van zijn vrouw gekregen heeft, maar die uiteindelijk en daardoor een mens is zoals u en ik.

Ik heb Patrimony gedeeltelijk gelezen op de fiets, als een illegaal gedownloaded luisterboek, waarin het verhaal prachtig wordt voorgedragen door een Amerikaanse acteur die vader Roth ook nog eens een heel mooie stem weet te geven. Doordat het die acteur is die het leest, de acteur die zichzelf Philip Roth noemt, komt er toch ineens weer een laag van fictie over de autobiografie. Het houdt nooit op in de wereld van Roth.

7.8.09

Philip Roth. I married a communist. New York: Vintage, 1999 (1998)

Philip Roth. I married a communist. New York: Vintage, 1999 (1998) Ira Ringold is een communist die ook wil leven, een jongen van eenvoudige afkomst die in de jaren veertig trouwt met de filmster Eve Frame, en een verhouding begint met de vriendin van haar dochter. Die zelf acteert en beroemd wordt, maar zijn afkomst niet verloochent en die altijd bewondering blijft houden voor zijn steile communistische vriend Johnny O'Day. Maar het einde is onontkombaar: het huwelijk met Eve strandt, en onder invloed van haar glamour-vrienden publiceert zij een boek waarin ze beweert dat Ringold een belangrijke schakel is in een communistisch complot om de Amerikaanse amusementsindustrie in handen te krijgen. Ringold wordt zo een van de eerste slachtoffers van het McCarthy-tijdperk.

Op internet heb ik wat oude recensies van dit boek gelezen, waarin de nadruk erg wordt gelegd op het feit dat niet lang voordat dit boek verscheen de ex van Philip Roth een boek publiceerde over hun mislukte huwelijk. I married a communist zou een in rancune gedrenkte afrekening zijn.

Die recensenten hebben dit boek heel anders gelezen dan ik. Natuurlijk zijn er overeenkomsten met wat Roth gebeurde, maar ik zie helemaal niet waar die rancune uit blijkt. Eve komt er helemaal niet zo slecht vanaf in dit boek — er wordt duidelijk gemaakt dat het boek vooral geschreven wordt door de familie Grant met wie ze bevriend is om de ambitie van meneer Grant om Republikeins parlementariër te worden meer kansen te geven. En bovendien is het verhaal hier zo duidelijk ingebed in de communistenjacht uit de jaren veertig en vijftig dat het volkomen losraakt van wat de auteur zelf kan zijn gebeurd.

In plaats daarvan vinden we weer allerlei thema's van Roth, zoals de moeilijke zoektocht naar identiteit en de onontwarbare kluwen van fantasie en werkelijkheid. Natuurlijk heeft Roth naar dat boek van zijn ex-vrouw verwezen; maar het lijkt bijna of de weinig begripvolle reactie van die recensenten zélf uit een boek van Roth komt: ze zien alleen de buitenkant, maar kennen de lui daarom nog niet.

I married a communist vormt samen met American Pastoral en The human stain een soort trilogie waarin Roth's alter ego Nathan Zuckermann verhalen vertelt over verschillende perioden in de Amerikaanse geschiedenis. Volgens veel kenners is dit misschien het minst van de drie en wie weet hebben de kenners daar gelijk in. Maar dat komt dan vooral doordat die andere twee zo weergaloos zijn. Vooral het einde van I married a communist, waarin alles rondom Ira Ringold nog net iets verschrikkelijker blijkt te zijn geweest dan je dacht, en je merkt dat je allerlei aanwijzingen daarvoor in de loop van het verhaal gemist hebt, is prachtig.

5.8.09

Thomas Mann. Der Zauberberg. Frankfurt: G.B. Fischer, 1954 (1924).

Thomas Mann Ik heb de Zauberberg gelezen!

Voor mij was dat vele, vele jaren lang een gebergte waarvan ik me bijna niet kon voorstellen dat ik het ooit zou beklimmen; zo'n boek waarvan ik nauwelijks kon geloven dat iemand het ook echt las, zo dik, zo Duits, zo dreigend. Maar nu heb ik het dus echt gelezen. En ik heb er niet veel langer dan een (vakantie)week over gedaan. En ik heb ervan genoten.

De taal is prachtig, de toon is ongelofelijk muzikaal en de schrijver geeft zijn lezers van alles om over na te denken. En dan bedoel ik eigenlijk niet vooral de inhoud van de vele gesprekken die Hans Castorp, de hoofdpersoon, voert met de andere bewoners van het sanatorium in de Alpen waar hij komt om drie weken lang zijn zieke neef te bezoeken, maar waar hij uiteindelijk zeven jaar blijft. Ik bedoel vooral de spelletjes die Mann speelt met het uitdijen en inkrimpen van de tijd, of (iets minder aan de oppervlakte) met de geografie.

Hans Castorp en de andere bewoners maken maar één onderscheid: dat tussen 'Ons Hierboven' en het 'Flachland'. Maar ondertussen lijkt het mij geen toeval dat het sanatorium zich recht in het midden van Europa bevindt, en dat de vier belangrijkste gesprekspartners van de Hamburger Castorp uit vier hoeken van Europa komen: de rationalist Settembrini uit Italië, de oerkatholiek Naphta uit Spanje, de aardse Mynheer Peeperkorn uit Nederland en de geliefde Chauchat uit Rusland. Onder heel veel meer gaat het boek over Europa, en over Duitslands plaats in Europa. In een discussie werpt Settembrini Castorp voor de voeten dat hij niet stil kan blijven, dat als hij geen woorden gebruikt, dat als Duitsland geen woorden gebruikt om te kiezen in deze roerige tijden, dat het dan misschien geweld gaat gebruiken. En inderdaad verschijnt Castorp aan het eind van het boek — weliswaar niet zwijgend maar zingend — op het slagveld.

Want het boek gaat, nog steeds onder heel veel meer, ook over de relatie tussen woord en daad. Het is een ode aan de taal, ongetwijfeld, maar ook een enigszins wanhopige ode, want op het eind schieten woorden tekort. Niet alleen in de Grote Oorlog, maar vlak daarvoor, wordt ook de eeuwig lijkende discussie tussen Settembrini en Naphta op een dramatische manier beslecht, namelijk doordat de laatste zich in een duel doodschiet.

In een voorwoord zegt Mann dat je de Zauberberg eigenlijk twee keer moet lezen om de muziek goed te begrijpen. Daar ben ik nu te ongeduldig voor. Maar ik hoop dat ik tijd van leven heb voor een tweede ronde.

Ik heb de Zauberberg gelezen en het heeft me een beetje veranderd. Al is het maar doordat ik nu kan zeggen dat ik iemand ben die de Zauberberg gelezen heb.

V. S. Naipaul. The mystic masseur. London; Picador, 2001 (1957)

V. S. Naipaul. The mystic masseur De Indiër Ganesh heeft een paar jaar in Port of Spain in Trinidad gestudeerd, en daarna weliswaar zijn titel niet gehaald, maar als hij terugkeert naar zijn geboortedorp maken alleen al die paar jaar hem een gewilde huwelijkskandidaat, in ieder geval voor de plaatselijke grutter. Op een handige manier weet Ganesh zijn toekomstige schoonvader op zijn beurt tegen diens wil tot de belangrijkste sponsor van zijn eigen studiecentrum te maken. Op die basis wordt hij masseur, dan mysticus, en uiteindelijk zelfs politicus.

The mystic masseur is op het eerste gezicht een schelmenroman: de hoofdpersoon lijkt niet helemaal te deugen, maar vooral zijn tegenstanders steeds te slim af te zijn. Maar bij nader inzien is het niet zo duidelijk dat Ganesh wel echt een traditionele schelm is: in voorkomende gevallen lijkt hij met iedereen, ook voor zijn ergste tegenstander (zijn schoonvader) het beste voor te hebben, en dat hij als mysticus of als politicus een bedrieger is kun je eigenlijk niet zeggen.

Voor alles is dit een boek van liefde: liefde vooral voor boeken, lezen en leren, maar liefde ook voor de Indiërs van Trinidad, die het beste maken van hun moeilijke leven.

Ik had nog nooit iets van Naipaul gelezen. Dat zou ik toch vaker moeten doen.